ECLI:NL:RBZWB:2026:1830

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444165 / JE RK 26-100
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265c BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarige in pleegzorg wegens overschrijding draagkracht ouders

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een pleeggezin voor de duur van de ondertoezichtstelling. De minderjarige verblijft reeds in pleegzorg vanwege de problematische thuissituatie waarbij de draaglast van de verzorging en opvoeding de draagkracht van de ouders overschrijdt.

Tijdens de zitting, waarbij de vader wegens ziekte afwezig was, werd vastgesteld dat de moeder dakloos is en kampt met ernstige stress en GGZ-problematiek, terwijl de vader kampt met ADHD, een persoonlijkheidsstoornis en middelengebruik zonder behandeling. De minderjarige heeft vermoedelijk een vroegkinderlijk trauma opgelopen en is gevoelig voor spanningen tussen de ouders, die onderling conflicten hebben gehad in haar bijzijn.

De kinderrechter acht het in het belang van de minderjarige noodzakelijk dat de pleegzorg wordt voortgezet en complimenteert de moeder met haar inzet ondanks haar eigen problematiek. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom verlengd van 20 februari 2026 tot 20 juni 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit biedt de ouders ruimte om met hulpverlening aan hun problemen te werken terwijl de minderjarige rust en stabiliteit krijgt.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in pleegzorg wordt verlengd tot 20 juni 2026 en de beschikking is direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444165 / JE RK 26-100
Datum uitspraak: 13 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. J.C. Hissink uit Tilburg,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. E.M.A. Leijser uit Tilburg.
FAMILIE [de pleegouders] ,
hierna te noemen de pleegouders,
wonende in [woonplaats 2] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 januari 2026;
  • de stelbrief van mr. Hissink, ontvangen op 27 januari 2026;
  • de stelbrief van mr. Leijser, ontvangen op 4 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI;
- de pleegouders.
1.3.
Hoewel juist opgeroepen is de vader niet verschenen. De advocaat van de vader heeft ter zitting aangegeven dat de vader ziek was.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 juni 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 20 juni 2025 tot 20 juni 2026. Daarnaast heeft de kinderrechter de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 20 oktober 2025 en het resterende deel van het verzoek is aangehouden. Vervolgens heeft de kinderrechter in deze rechtbank bij nadere beschikking van 14 oktober 2025 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 20 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft ter onderbouwing van het verzoek naar voren gebracht dat de kinderrechter in oktober 2025 de machtiging uithuisplaatsing voor de duur van vier maanden heeft verlengd, het overige werd afgewezen. Het perspectief lag op dat moment bij de ouders en binnen vier maanden moest het mogelijk zijn om [minderjarige] thuis te plaatsen met inzet van passende hulpverlening. Op dat moment heeft [minderjarige] veel moeite met de overgang tussen de ouders en de pleegouders. Dit is minder nu de omgang op een neutrale locatie plaatsvindt. Zij is altijd blij om de ouders te zien. Wel blijft [minderjarige] gevoelig voor de spanningen tussen de ouders. Vermoedelijk heeft [minderjarige] vroegkinderlijk trauma opgelopen, maar zij is nog te jong voor behandeling. Tijdens de omgangsmomenten hebben de ouders meermaals in het bijzijn van [minderjarige] en een medewerkster van Sterk Huis woordenwisselingen gehad. Ook is er een incident geweest waarbij de ouders met elkaar op de vuist zijn gaan in aanwezigheid van [minderjarige] . Bij het wederom ontstaan van een ruzie heeft de moeder voor het belang van [minderjarige] gekozen en wilde zij de pleegouders bellen om [minderjarige] op te komen halen. De vader was het hier niet mee eens omdat hij de gevolgen voor de omgang vreesde. In de afgelopen maanden is gezien dat de vader met enige regelmaat de omgang en afspraken met de GI afzegt. Er is bij de vader sprake van ADHD, een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis en ernstig middelengebruik. Het lukt de vader niet om behandeling aan te gaan. De moeder is op dit moment dakloos. Dat geeft haar veel stress waardoor zij nauwelijks meer eet. Het lukt haar daardoor de afgelopen twee keer niet om contact te hebben met [minderjarige] . Positief is dat er mogelijk op korte termijn een plek is binnen een beschermd wonen traject. De moeder krijgt ondersteuning van [hulpverlening] en is in zorg bij de GGZ. In december 2025 heeft Sterk Huis het perspectiefonderzoek afgerond. Het perspectief van [minderjarige] ligt niet langer bij de ouders maar in het huidige pleeggezin. De ouders redden het niet zodra de draaglast wordt vergroot en zij langer worden belast met de zorg- en opvoedtaken van [minderjarige] . De GI verzoekt een machtiging uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling. De huidige omgangsregeling van eenmaal per week een uur voor beide ouders afzonderlijk wordt voorlopig gehandhaafd. In de toekomst zal op het tempo van [minderjarige] worden gekeken naar de mogelijkheden voor uitbreiding, mits de ouders positieve ontwikkelingen laten zien. Daarnaast dienen de ouders hun scheiding goed af te wikkelen.
4.2.
Door en namens de moeder is aangevoerd dat zij het eens is met het verzoek. Voor de moeder staat het belang van [minderjarige] op de eerste plaats. Op dit moment kan zij niet bij een van de ouders worden geplaatst. [minderjarige] heeft veel onrust meegemaakt en is getuige geweest van woordenwisselingen en incidenten tussen de ouders. De moeder ziet hoe moeilijk zij het heeft en vindt het belangrijk dat zij nu rust krijgt. Op dit moment is de moeder dakloos waardoor zij geen basis heeft. Dit zorgt voor stress die zich uit in fysieke klachten zoals verminderde eetlust. Als de moeder zich mentaal en fysiek niet goed voelt zegt zij de omgang af, al weet zij dat de keerzijde is dat [minderjarige] daar onrustig van wordt. Het is op die momenten lastig om te bepalen waar zij goed aan doet. De moeder heeft wekelijks contact met twee begeleiders van [hulpverlening], zij helpen haar onder andere met het zoeken naar een vervolgplek. De emotieregulatietherapie bij GGZ was te intensief voor de moeder. Op dit moment wordt gekeken welke vorm van behandeling wel passend is. Verder is het van belang dat de scheiding tussen de ouders snel wordt afgewikkeld, dit zou de ouders veel rust kunnen geven.
4.3.
De advocaat van de vader heeft aangevoerd dat de vader het eens is met het verzoek. De vader begrijpt dat het perspectief thans niet bij de ouders ligt. Wel heeft de vader aangegeven het niet eens te zijn met bepaalde stukken uit het verzoekschrift, met name het deel dat afkomstig is uit zijn GGZ dossier.
4.4.
De pleegouders hebben naar voren gebracht dat het goed gaat met [minderjarige] , echter is dit wel breekbaar. [minderjarige] heeft veel meegemaakt en is daarvan aan het herstellen. Ze begint langzaam stappen te maken en zich te ontwikkelen. De pleegouders bereiden [minderjarige] voor op de omgang. Als de omgang niet doorgaat heeft [minderjarige] daar extra veel last van.
4.5.
De Raad heeft de kinderrechter geadviseerd om het verzoek toe te wijzen. Het is belangrijk dat [minderjarige] rust krijgt en zich kan gaan ontwikkelen. De Raad complimenteert de moeder. Het is bijzonder sterk dat de moeder het belang van [minderjarige] voorop stelt. De uithuisplaatsing geeft de moeder rust om verder aan zichzelf te werken.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat niet ter discussie staat dat het op dit moment in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat haar verblijf bij de pleegouders wordt gecontinueerd. De kinderrechter vindt het bijzonder knap van de moeder dat zij - ondanks haar eigen problematiek – steeds het belang van [minderjarige] probeert voorop te stellen en daar ook naar handelt. Dat getuigt van een groot moederhart en de kinderrechter geeft de moeder daarvoor een compliment. De moeder is op dit moment dakloos en heeft geen vaste verblijfplaats. Ook speelt andere persoonlijke problematiek waarvoor zij in behandeling is bij de GGZ. Tijdens de zitting beaamt de moeder dat zij gebukt gaat onder grote stress, waarvan zij lichamelijk en mentaal veel last heeft. Doordat de moeder in beslag wordt genomen door haar persoonlijke problematiek, lukt het haar niet altijd om de omgangsregeling na te komen. Ook de vader zegt met enige regelmaat de omgang af. Het lukt de vader niet om met zijn persoonlijke problematiek aan de slag te gaan. Ook de nog niet afgewikkelde echtscheiding van de ouders zorgt voor hen beiden voor spanningen. Voor [minderjarige] betekent dit alles veel onrust. [minderjarige] heeft in haar jonge leventje al veel meegemaakt, zo is zij getuige geweest van hevige woordenwisselingen en fysieke escalaties tussen de ouders. Het vermoeden van de GI en de hulpverlening is dat zij vroegkinderlijk trauma heeft opgelopen waardoor zij snel een traumarespons laat zien. Voorspelbaarheid, betrouwbaarheid en structuur zijn voor haar dan ook van groot belang. De ouders kunnen haar dat thans niet bieden. De draaglast van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] overschrijdt de draagkracht van de ouders.
5.4.
Het voorgaande leidt ertoe dat de kinderrechter van oordeel is dat aan de wettelijke vereisten zoals hierboven vermeld, is voldaan. De kinderrechter zal derhalve het verzoek van de GI toewijzen en de machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Hiermee wordt de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin, waar zij langzaam maar zeker toe begint te komen aan haar ontwikkeling, gewaarborgd. Daarnaast geeft het de ouders de ruimte om met hulp van de GI en andere instanties hun persoonlijke problematiek aan te pakken.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.6.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 20 februari 2026 tot 20 juni 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Noort als griffier, en op schrift gesteld op 23 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.