ECLI:NL:RBZWB:2026:1836

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
26/1040 en 26/1041
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:86 AwbArt. 8:51a AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bijstandsuitkering en afwijzing bijzondere bijstand wegens hoofdverblijf buiten gemeente

Verzoekers ontvingen sinds mei 2023 een bijstandsuitkering van de gemeente Tilburg. Na het verlaten van hun woning in Tilburg per 1 april 2025 verbleven zij op verschillende locaties buiten Tilburg, waaronder een camping en een caravan in een andere gemeente. Het college trok de uitkering per 1 november 2025 in en wees een aanvraag om bijzondere bijstand af, omdat verzoekers hun hoofdverblijf niet meer in Tilburg hadden.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het hoofdverblijf van verzoekers niet langer in Tilburg is, waardoor het college terecht de uitkering beëindigt. Echter, intrekking met terugwerkende kracht is niet gerechtvaardigd omdat verzoekers niet tijdig zijn geïnformeerd en het college onvoldoende motiveerde waarom terugwerkende kracht passend is. Ook is geen terugvorderingsbesluit genomen.

De afwijzing van de bijzondere bijstand is onjuist omdat de aanvraag dateert van voor de intrekking en deels betrekking heeft op kosten uit de periode dat verzoekers nog in Tilburg woonden. Het college krijgt de gelegenheid om de gebreken te herstellen via een bestuurlijke lus. Tot slot wordt een voorlopige voorziening getroffen waarbij het college een voorschot op de uitkering moet betalen en proceskosten moet vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe, bepaalt dat het college een voorschot op de uitkering moet betalen en stelt het college in de gelegenheid de gebreken in het besluit te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: 26/1040 en 26/1041
proces-verbaal van de mondelinge (tussen)uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening (26/1040) en het beroep (26/1041) in de zaken tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2], uit [plaats 1], verzoekers,

(gemachtigde: mr. L.L. Ross),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg,het college.

Inleiding

1. Bij besluit van 17 december 2025 heeft het college het recht van verzoekers op een uitkering op grond van de Participatiewet (PW) per 1 november 2025 ingetrokken en over de periode van 1 november 2025 tot en met 20 november 2025 teruggevorderd.
1.1.
Daarnaast heeft het college in een besluit van 19 december 2025 een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van verhuizing, opknappen en bewoonbaar maken van de nieuwe woning, vervoer naar school, bril en haarwerk, afgewezen.
1.2.
Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van 5 februari 2026 (bestreden besluit), waarin het college de twee bezwaarschriften van verzoekers tegen deze besluiten ongegrond heeft verklaard.
1.3.
Verzoekers hebben de voorzieningenrechter daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek en het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Verzoekers waren daar samen met hun gemachtigde bij aanwezig. Namens het college was mr. N.C.J.P. Melsen aanwezig.
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening. Met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, in samenhang met artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de voorzieningenrechter ook tussenuitspraak gedaan op het beroep.

Oordeel van de voorzieningenrechter

2. Verzoekers en hun twee minderjarige kinderen ontvangen sinds mei 2023 een bijstandsuitkering naar de gehuwdennorm van de gemeente Tilburg. Sindsdien hebben zij op verschillende adressen gewoond, zowel in als buiten [plaats 2]. In [plaats 2] woonden zij voor het laatst op het [adres]. Deze woning hebben zij na een rechterlijk vonnis per 1 april 2025 moeten verlaten. Verzoekers hebben vervolgens in de gemeente Eersel verbleven op een camping in [plaats 3]. Die moesten ze per 1 november 2025 verlaten. Sindsdien verblijven verzoekers in een caravan in [plaats 1].
2.1.
Het college heeft besloten tot intrekking van de bijstandsuitkering en afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand, omdat verzoekers niet meer in de gemeente [plaats 2] wonen. Het verblijf in [plaats 1] wordt niet meer als tijdelijk beschouwd omdat verzoekers niet naar een woning in [plaats 2] kunnen terugkeren en ook geen uitzicht op woonruimte in [plaats 2] hebben.
Intrekking
3. Het gaat in deze zaak met name om de vraag waar verzoekers hun hoofdverblijf hebben. Op grond van de PW is namelijk de gemeente waar zij hun hoofdverblijf hebben verantwoordelijk voor het verlenen van bijstand. Het bepalen van het hoofdverblijf is vooral afhankelijk van de feitelijke situatie. Op 1 november 2025 woonden verzoekers al ruim een half jaar niet meer in [plaats 2]. Er is ook geen enkel concreet zicht op terugkeer naar [plaats 2] binnen afzienbare termijn. Een sociale binding met [plaats 2] is onvoldoende. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat niet meer kan worden gesproken van een tijdelijke situatie. Het college stelt dus terecht dat verzoekers geen hoofdverblijf meer hebben in de gemeente Tilburg. Dat is voldoende reden om de uitkering te beëindigen. Het college heeft uit coulance een lange tijd aangenomen dat sprake was van tijdelijkheid. Dat betekent echter niet dat verzoekers daar blijvend recht op uitkering aan kunnen ontlenen.
3.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college de uitkering van verzoekers echter niet met terugwerkende kracht per 1 november 2025 heeft kunnen intrekken. Verzoekers woonden vanaf april niet meer in [plaats 2] en het college wist al begin november dat zij ook niet meer in [plaats 3] verbleven, maar zag daarin geen aanleiding om de uitkering te beëindigen. Uit het dossier blijkt ook niet dat verzoekers zijn gewezen op die mogelijkheid. Verzoekers hebben pas op 17 december 2025 bericht van het college ontvangen over de intrekking. Onder deze omstandigheden mochten verzoekers erop vertrouwen dat de uitkering doorliep. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom intrekking met terugwerkende kracht gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter ziet daarvoor in het dossier ook onvoldoende aanleiding, bijvoorbeeld door schending van de inlichtingenplicht.
Terugvordering
4. De voorzieningenrechter constateert dat het besluit van 17 december 2025 geen terug te betalen bedrag bevat, noch een termijn waarbinnen moet worden betaald. Dit betekent dat geen sprake is van een terugvorderingsbesluit. [1] Het college had het bezwaar tegen de terugvordering dan ook niet-ontvankelijk moeten verklaren.
Bijzondere bijstand
5. De bijzondere bijstand is afgewezen omdat verzoekers hun hoofdverblijf niet binnen [plaats 2] hadden. De aanvraag dateert echter van voor 17 december 2025. Verzoekers wisten op dat moment niet dat ze van de gemeente [plaats 2] geen bijstand meer konden krijgen. Gelet op wat hiervoor is overwogen over de intrekking met terugwerkende kracht, is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een onjuiste afwijzingsgrond. Bovendien ziet de aanvraag voor een deel op kosten die dateren van voor 1 november 2025, zodat dit voor die kosten sowieso geen juiste afwijzingsgrond is.
5.1.
Op zitting heeft het college subsidiaire afwijzingsgronden genoemd (zoals het bestaan van een voorliggende voorziening en het niet vooraf aanvragen), maar die zijn nog onvoldoende uitgekristalliseerd om daar een oordeel over te kunnen geven. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. [2]
Bestuurlijke lus
6. De rechtbank zal het college in de gelegenheid stellen om binnen vier weken na deze uitspraak de hiervoor geconstateerde gebreken te herstellen. Als het college hiervan geen gebruik wil maken, dan moet het dit binnen twee weken aan de rechtbank meedelen.
6.1.
Verzoekers krijgen daarna vier weken de gelegenheid om daarop te reageren.
6.2.
In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
Voorlopige voorziening
6.3.
Omdat sprake is van grote financiële nood, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het college binnen een week als voorschot aan verzoekers alsnog de uitkering tot 17 december 2025 moeten betalen. Omdat de uitkering tot en met 20 november al was betaald, gaat dit om de periode van 21 november 2025 tot 17 december 2025.
Proceskostenvergoeding en griffierecht
6.4.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekers vergoeden, dat zij hebben voldaan in het kader van het verzoek om een voorlopige voorziening. Ook moet het college de proceskosten in de voorlopige voorziening vergoeden, te weten 2 punten (verzoekschrift en zitting) à € 934,- = € 1.868,-.
6.5.
De voorzieningenrechter houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent ook dat de rechtbank over de proceskosten en het griffierecht in het beroep nu nog geen beslissing neemt.

De beslissing

De voorzieningenrechter:
inzake 26/1040
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat het college binnen een week aan verzoekers een voorschot moet verstrekken gelijk aan de PW-uitkering over de periode van 21 november 2025 tot 17 december 2025;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,- aan verzoekers moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekers;

inzake 26/1041

  • draagt het college in het kader van het beroep op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
  • stelt het college in de gelegenheid om binnen vier weken na deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze uitspraak;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze (tussen)uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026 door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.
Tegen de uitspraak op de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Zie artikel 4:86 Awb Pro
2.Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb.