Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:1847

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
BRE 25/3404
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:42 AwbArt. 28b Wet OBArt. 28c Wet OBArt. 28d Wet OBArt. 8 Wet OB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag omzetbelasting wegens juiste toepassing margeregeling deels bevestigd

Belanghebbende, een fiscale eenheid bestaande uit twee B.V.'s, voerde een onderneming in in- en verkoop van gebruikte auto's. De inspecteur legde een naheffingsaanslag omzetbelasting op over de periode 1 januari 2020 tot 13 juni 2023 van €3.575.803, vermeerderd met belastingrente. Belanghebbende voerde bezwaar aan tegen de aanslag, dat werd afgewezen, waarna beroep werd ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelde dat de inspecteur de naheffingsaanslag terecht had opgelegd, maar tot een te hoog bedrag. Voor een deel van de auto’s (situatie 3) kon belanghebbende niet worden tegengeworpen dat zij de margeregeling ten onrechte had toegepast, omdat zij niet beschikte over de Duitse autopapieren en voldoende op de factuur van de leverancier mocht vertrouwen. Voor de auto’s in situatie 2, waarbij belanghebbende wel over de autopapieren beschikte, was sprake van onvoldoende onderzoeksplicht, waardoor naheffing terecht bleef.

De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag tot €1.309.706 en past de belastingrente dienovereenkomstig aan. Het beroep wordt gegrond verklaard vanwege onzorgvuldigheden in de bezwaarfase. De inspecteur wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van het griffierecht. Het beroep op het vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel en andere algemene beginselen wordt afgewezen.

Uitkomst: De naheffingsaanslag omzetbelasting wordt verminderd tot €1.309.706 en de belastingrente dienovereenkomstig aangepast.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/3404

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende 1] B.V. (belanghebbende 1) en [belanghebbende 2] B.V. (belanghebbende 2), hierna gezamenlijk te noemen: belanghebbende
(gemachtigde: mr. ing. B.J.B. Boersma RB),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 26 juni 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2020 tot en met 13 juni 2023 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 3.575.803, en daarbij € 554.981 belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen die beslissing beroep ingesteld.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens belanghebbende [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] , en namens de gemachtigde van belanghebbende: mr. ing. B.J.B. Boersma RB, mr. J. van Maris en mr. C.F.L. Kaijser RB. Namens de inspecteur zijn ter zitting verschenen: mr. [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] , [inspecteur 5] en [inspecteur 6] .
1.5.
Van hetgeen op de zitting is besproken, is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan de rechtbank gelijktijdig met deze uitspraak een afschrift aan partijen ter beschikking heeft gesteld.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of de inspecteur de naheffingsaanslag omzetbelasting terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank beoordeelt daartoe allereerst of de inspecteur artikel 8:42 van Pro de Awb heeft geschonden. Vervolgens gaat zij in op de door belanghebbende gestelde schendingen van algemene rechtsbeginselen en verder beoordeelt zij of belanghebbende terecht de zogeheten margeregeling heeft toegepast. Als die laatste vraag ontkennend moet worden beantwoord, beoordeelt de rechtbank ook of belanghebbende ondanks onterechte toepassing van de margeregeling moet worden gevrijwaard van naheffing. Tot slot gaat de rechtbank in op de bij de naheffingsaanslag in rekening gebrachte belastingrente en belanghebbendes verzoek om een integrale proceskostenvergoeding.
3. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur de naheffingsaanslag omzetbelasting terecht, maar tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. Ten aanzien van een gedeelte van (de levering van) de auto’s die in de naheffingsaanslag zijn begrepen, kan naar het oordeel van de rechtbank belanghebbende niet worden tegengeworpen dat zij de margeregeling ten onrechte heeft toegepast. De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag tot € 1.309.706. De bij de naheffingsaanslag in rekening gebrachte belastingrente wordt dienovereenkomstig verminderd, en tot slot wordt het verzoek van belanghebbende om een integrale proceskostenvergoeding afgewezen.
3.1.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende is een fiscale eenheid voor de omzetbelasting, bestaande uit [belanghebbende 1] B.V. en [belanghebbende 2] B.V.
4.1.
Sinds 1995 drijft [belanghebbende 2] B.V. een onderneming, waarvan de activiteiten bestaan uit de in- en verkoop van (gebruikte) auto’s en reparatiewerkzaamheden.
4.2.
In de periode 1 januari 2020 tot 13 juni 2023 heeft belanghebbende auto’s gekocht van [v.o.f.] (vanaf 17 oktober 2022 [B.V. 1] ) (hierna: [B.V. 1] ) en van [B.V. 2] (vanaf augustus 2021 genaamd [B.V. 3] ) (hierna: [B.V. 3] ). Het overgrote deel van deze auto’s zijn aan belanghebbende geleverd als zogeheten marge-auto’s [1] (hierna: de auto’s).
4.3.
Belanghebbende heeft de voornoemde aan haar als ‘marge’-auto’s’ geleverde auto’s verkocht en geleverd aan derden. Ter zake van die verkopen heeft belanghebbende omzetbelasting voldaan volgens de in de artikelen 28b tot en met 28i van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) neergelegde regeling voor onder meer gebruikte goederen (de margeregeling).
4.4.
Belanghebbende heeft, onder meer, ten behoeve van de aankoop van een Mercedes-Benz GLC43 AMG op 8 juli 2019 via Whatsapp contact gehad met [B.V. 3] , die de auto te koop aanbood. Belanghebbende stuurde aan de heer [naam 1] van [B.V. 3] een advertentie door van een auto op de website “ [website] ” en vroeg aan [B.V. 3] of het gaat om deze auto. Daarbij merkt belanghebbende op:
“Staat btw bij” “maar wanneer marge ook geen probleem”.
[B.V. 3] reageert daar op:
“Dan is dat het niet”, “Weet zeker dat jet Marge is”, “Dat vertelde hij”.
Daarop reageert belanghebbende:
“Ook goed” “Misschien verkeerd op het net”.
4.5.
Belanghebbende heeft op 13 februari 2020 via Whatsapp contact met de contactpersoon van [B.V. 1] over de aankoop van een Audi RS6. De contactpersoon van [B.V. 1] geeft aan dat het gaat om een nieuwe auto met 0 kilometer op de teller. Belanghebbende reageert daarop met
“Btw neem ik aan”.
[B.V. 1] reageert daarop dat het gaat om een marge-auto.
Belanghebbende geeft daarop aan:
“Marge bestaat niet bij 0 km” “of jonger dan 6 mnd”. Daarop reageert [B.V. 1] :
“Bij mij wel” […] “Nee, is marge auto geloof me”.
Belanghebbende geeft aan dat dat niet mogelijk is, en gaat niet over tot de aankoop van de auto.
4.6.
Over de aankoop van een Audi SQ5 van [B.V. 1] heeft belanghebbende op 21 oktober 2022 via Whatsapp contact met [B.V. 1] . Belanghebbende vraagt in dat gesprek aan [B.V. 1] of de auto een marge- of btw-auto is. De contactpersoon van [B.V. 1] reageert daarop met de vraag:
“Wanneer heb je van mij een btw auto gekocht […]?”Vervolgens antwoordt de contactpersoon van [B.V. 1] dat het gaat om een margeauto. Belanghebbende heeft die auto vervolgens van [B.V. 1] gekocht.
4.7.
De inspecteur, de FIOD en het Openbaar Ministerie hebben onderzoeken bij belanghebbende ingesteld. De FIOD heeft de bevindingen van zijn onderzoek gedeeld met de inspecteur.
4.8.
De inspecteur heeft naar aanleiding van voornoemde onderzoeken en een controle van de administratie van belanghebbende, het standpunt ingenomen dat belanghebbende te weinig omzetbelasting heeft voldaan. In dat kader maakt de inspecteur een onderscheid tussen drie verschillende situaties:
  • Situatie 1 betreft de situatie dat belanghebbende de auto heeft aangekocht zonder tussenkomst van [B.V. 1] of [B.V. 3] . Belanghebbende beschikte over de bij de auto behorende (Duitse) autopapieren, en heeft voor de auto zelf de Bpm aangifte verzorgd (hierna: situatie 1).
  • Situatie 2 betreft de situatie dat belanghebbende de auto heeft aangekocht met tussenkomst van [B.V. 1] of [B.V. 3] . In deze situatie beschikte belanghebbende over de bij de auto behorende (Duitse) papieren, en heeft zij zelf de Bpm aangifte voor de auto verzorgd (hierna: situatie 2).
  • Situatie 3 betreft de situatie dat belanghebbende de auto heeft aangekocht met tussenkomst van [B.V. 1] of [B.V. 3] , maar zij in beginsel zelf niet beschikte over de bij de auto behorende (Duitse) papieren. Zij heeft in die situatie ook niet zelf de aangifte Bpm voor de auto verzorgd (hierna: situatie 3).
4.9.
De inspecteur is van mening dat 365 auto’s die door belanghebbende zijn aangekocht van [B.V. 1] en [B.V. 3] (zie 4.2) vallen onder situatie 2 of situatie 3. Ten aanzien van deze auto’s neemt de inspecteur het standpunt in dat belanghebbende de margeregeling ten onrechte heeft toegepast. Deze auto’s zijn volgens de inspecteur namelijk geen marge-auto’s (maar btw-auto’s). Belanghebbende diende volgens de inspecteur ook redelijkerwijs te twijfelen of deze auto’s marge-auto’s waren. Situatie 2 is volgens de inspecteur van toepassing op 134 auto’s en situatie 3 op 231 auto’s:
Leverancier
Geleverde auto’s
Geleverde auto’s
Situatie 2
Situatie 3
[B.V. 1]
50
69
[B.V. 3]
19
78
[B.V. 2]
65
84
Totaal
134
231
4.10.
De inspecteur heeft vervolgens aangekondigd een naheffingsaanslag omzetbelasting op te leggen over de periode 1 januari 2020 tot en met 13 juni 2023, waarin het bedrag aan omzetbelasting uit de inkoopprijzen van 361 auto’s (van de 365 auto’s) wordt gecorrigeerd. In de brief aan belanghebbende waarmee de naheffingsaanslag wordt aangekondigd, licht de inspecteur dat als volgt toe:

“Toelichting op berekening

De gehele vergoeding bij verkoop (inkoopprijs + behaalde marge) is belast voor de omzetbelasting. Vandaar dat het bedrag aan omzetbelasting uit de inkoopprijs wordt gecorrigeerd naast de aangegeven omzetbelasting van de behaalde marge.
• Conform de opstellingen zoals opgenomen in bijlage 6, bedraagt de te weinig aangegeven
en voldane omzetbelasting met betrekking tot auto's die zijn ingekocht conform
situatie 2
(totaal 134 auto's) € 1.309.706,00.
• Conform de opstellingen zoals opgenomen in bijlage 7,bedraagt het te weinig aangegeven
en afgedragen omzetbelasting met betrekking tot auto's die zijn ingekocht conform
situatie
3(totaal 231 auto's) € 2.266.100,00.
N.B. De opstelling van auto's in situatie 3 is in totaal 235, van 4 voertuigen hebben wij op
chassisnummer, meldcode of kenteken de inkoopprijs niet kunnen vaststellen. Deze zijn dan ook niet in de berekening meegenomen.”

Motivering

5. Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke gronden van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag, behandelt zij allereerst een punt van procesorde, en de beroepsgrond van belanghebbende die ziet op artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verder gaat zij in op de door belanghebbende gestelde schendingen van algemene (rechts)beginselen (van behoorlijk bestuur).
Procesorde
5.1.
Belanghebbende heeft diverse klachten geuit over de wijze waarop de inspecteur heeft gereageerd op stukken van belanghebbende en over de wijze van verstrekken van stukken door de inspecteur. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar enig gevolg aan te verbinden. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend, en daar is door belanghebbende op gereageerd. Er zijn relatief kort voor de zitting omvangrijke overige stukken ingediend. De inspecteur heeft – zo blijkt uit de latere verduidelijking op verzoek van de rechtbank – geen beroep gedaan op die stukken. De stukken die bij het tiendagenstuk door de inspecteur zijn overgelegd betreffen stukken waarvan niet is weersproken dat belanghebbende daar al kennis van had. De rechtbank ziet in dit dossier geen reden om aan deze gang van zaken op zichzelf consequenties te verbinden.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
5.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat het beroep van belanghebbende op schending van artikel 8:42 van Pro de Awb niet slaagt. Tussen partijen staat vast dat de inspecteur de op de zaak betrekking hebbende stukken in de procedure heeft overgelegd. In het betoog van belanghebbende dat de inspecteur zijn verplichtingen van artikel 8:42 van Pro de Awb heeft geschonden, omdat hij geen proactieve houding heeft aangenomen ten aanzien van het vergaren van stukken, gaat de rechtbank niet mee. Op grond van artikel 8:42 van Pro de Awb bestaat voor de inspecteur geen verplichting om de Officier van Justitie actief om informatie en bewijsstukken te vragen.
Motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel
5.3.
Belanghebbende neemt verder het standpunt in dat de inspecteur het motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden, zowel in de aanslagfase, bezwaarfase, als de beroepsfase. Zo heeft de inspecteur onvoldoende gemotiveerd waarom de naheffingsaanslag is opgelegd, en heeft de inspecteur in de procedure in het geheel geen toelichting op de naheffing per auto gegeven, terwijl belanghebbende daar wel meermaals om heeft verzocht. Verder voert zij aan dat de inspecteur ook op andere in bezwaar aangevoerde gronden, zoals het beroep op het vertrouwensbeginsel, geen reactie heeft gegeven. Tot slot merkt belanghebbende op dat de inspecteur in de bezwaarfase voor vier auto’s het standpunt heeft ingenomen dat deze ten onrechte in de naheffingsaanslag zijn begrepen, maar heeft de inspecteur de naheffingsaanslag niet verlaagd.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende er terecht over klaagt dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd en onzorgvuldigheden bevat. In bezwaar heeft belanghebbende expliciet het standpunt ingenomen dat het vertrouwensbeginsel volgens haar is geschonden, maar de inspecteur is in de uitspraak op bezwaar niet op dit beginsel ingegaan. Ook heeft de inspecteur, zoals belanghebbende opmerkt, de naheffingsaanslag in bezwaar niet verminderd terwijl hij had aangegeven daar wel aanleiding toe te zien. Gelet op deze onzorgvuldigheden in de bezwaarfase, ziet de rechtbank aanleiding het beroep gegrond te verklaren. De rechtbank zal de naheffingsaanslag in ieder geval verminderen met € 30.719 in verband met de vier auto’s waarvan de inspecteur in bezwaar heeft gesteld dat deze ten onrechte in de naheffingsaanslag zijn betrokken (zie hierna onder 5.10).
Vertrouwensbeginsel
5.5.
Belanghebbende voert aan dat de inspecteur in het verleden meermaals onderzoeken bij haar heeft ingesteld, en haar administratie en werkwijze steeds juist heeft bevonden. Aanslagen die naar aanleiding van één van die onderzoeken zijn opgelegd, zijn bovendien in de beroepsprocedure destijds vernietigd. Belanghebbende meent dat zij, nu zij haar handelwijze niet heeft veranderd, aan deze eerdere gang van zaken het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat de inspecteur niet bij haar zou naheffen.
5.6.
De rechtbank gaat in het betoog van belanghebbende niet mee. De inspecteur heeft over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2004 tot en met 31 maart 2005 en over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2011 tot en met 31 mei 2012 door middel van een tweetal boekenonderzoeken de juistheid van de aangiften omzetbelasting beoordeeld. De inspecteur heeft betwist, en het is de rechtbank uit de stukken ook niet gebleken, dat de inspecteur in één van die onderzoeken of tijdens het verdere verloop van de procedures na die onderzoeken, een toezegging of andere uitlating heeft gedaan, die ertoe moet leiden dat belanghebbende er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij de margeregeling op de in geschil zijnde auto’s mocht toepassen. Tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, is de enkele stelling van belanghebbende daartoe onvoldoende.
Gelijkheidsbeginsel
5.7.
Daarnaast wijst belanghebbende er op dat [autohandelaar] , een andere Nederlandse autohandelaar, meer dan 100 voertuigen heeft aangekocht van dezelfde leveranciers als belanghebbende, maar aan die onderneming geen naheffingsaanslag omzetbelasting is opgelegd. Belanghebbende heeft ter zitting toegelicht dat zij met deze stelling een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel, in het bijzonder op de meerderheidsregel.
5.8.
Voor een geslaagd beroep op de meerderheidsregel is vereist dat sprake is van een groep van gelijke gevallen, en de meerderheid van die groep begunstigend wordt behandeld. Belanghebbende heeft slechts één concreet geval genoemd waarmee zij zich vergelijkt. Van een meerderheid is daarom geen sprake. Om die reden kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen.
Fair play beginsel, verbod op vooringenomenheid en het verdedigingsbeginsel
5.9.
Belanghebbende is, zo begrijpt de rechtbank, van mening dat het verdedigingsbeginsel, fair play beginsel en het verbod op vooringenomenheid door de inspecteur zijn geschonden. Kortgezegd voert belanghebbende daartoe aan dat de inspecteur in de aanslag- en bezwaarfase vooringenomen heeft gehandeld, haar een eerlijk proces heeft onthouden, geen oog heeft gehad voor (ontlastende) bewijsstukken, en belanghebbende geen (eerlijke) kans heeft gehad om zich te verweren. Zij bepleit daarom vernietiging van de naheffingsaanslag. De inspecteur betwist dat hij in strijd met voornoemde beginselen heeft gehandeld.
5.10.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van belanghebbende op het verdedigingsbeginsel, fair play beginsel en het verbod op vooringenomenheid niet slaagt. Voordat de inspecteur over is gegaan tot naheffing, heeft hij zijn voornemen daartoe aan belanghebbende kenbaar gemaakt, en belanghebbende in de gelegenheid gesteld om op dat voornemen te reageren. Er hebben vervolgens gesprekken tussen belanghebbende en de inspecteur plaatsgevonden, zodat belanghebbende in dit geval ook daadwerkelijk zich over het voornemen van de inspecteur heeft kunnen uitlaten. Ook in de bezwaarfase heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. Belanghebbende is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet in haar verdedigingsbelangen geschaad. Gelet op de wijze waarop de aanslag- en bezwaarfase zijn verlopen acht de rechtbank de handelwijze van de inspecteur onzorgvuldig (zie 5.2), maar niet in strijd met het fair play beginsel. Hetgeen belanghebbende daartoe stelt, acht de rechtbank onvoldoende voor dat oordeel. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat ook van enige vooringenomenheid van de inspecteur niet is gebleken. De inspecteur heeft aanleiding gezien om bij belanghebbende omzetbelasting na te heffen. Het is evident dat de inspecteur daaraan bepaalde volgens hem belastbare feiten, ten grondslag legt. Als de inspecteur niet overtuigd zou zijn van die belastbare feiten, is naheffing namelijk niet aan de orde. Dat belanghebbende van mening is dat er geen belastbare feiten zijn die naheffing van omzetbelasting rechtvaardigen, maakt niet dat de inspecteur in de procedure vooringenomen heeft gehandeld.
Margeregeling
5.11.
Vervolgens gaat de rechtbank over tot inhoudelijke beoordeling van de naheffingsaanslag. Daartoe stelt de rechtbank voorop dat de inspecteur het standpunt inneemt dat vier auto’s die onder situatie 3 vallen, ten onrechte in de naheffingsaanslag zijn begrepen (zie ook 5.3). De rechtbank neemt dit standpunt van de inspecteur als uitgangspunt voor haar verdere beoordeling.
5.12.
Voorgaande leidt ertoe dat tussen partijen nog in geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd voor 134 auto’s als bedoeld onder situatie 2 en 227 resterende auto’s onder situatie 3 [2] . Daartoe beoordeelt de rechtbank allereerst of de margeregeling terecht voor die auto’s is toegepast. Als de rechtbank tot de conclusie komt dat belanghebbende de margeregeling ten onrechte heeft toegepast, komt de vraag op of omstandigheden aanwezig zijn waardoor belanghebbende moet worden gevrijwaard van naheffing.
Is de margeregeling terecht voor (de levering van) de auto’s toegepast?
5.13.
Op grond van artikel 28b, eerste lid, van de Wet OB wordt voor de leveringen door een wederverkoper van, onder meer, gebruikte goederen de belasting onder bepaalde voorwaarden berekend over de winstmarge (de margeregeling). De winstmarge is het verschil tussen de vergoeding en hetgeen ter zake van de levering van een dergelijk goed aan de wederverkoper door hem is of moet worden voldaan.
5.14.
Uit artikel 28b, tweede lid, van de Wet OB volgt dat de margeregeling slechts van toepassing is indien het gebruikte goed aan de wederverkoper is geleverd door een persoon die geen recht op aftrek van de belasting heeft, dan wel, indien het goed door een wederverkoper is geleverd, het gebruikte goed in een voorafgaande schakel is geleverd door (kort gezegd) een persoon die geen recht op aftrek heeft. Uitgangspunt voor toepassing van de margeregeling is dus dat de goederen afkomstig zijn van personen, die bij de aanschaf van de goederen de omzetbelasting niet hebben kunnen aftrekken. De bewijslast voor de toepasselijkheid van de margeregeling rust op belanghebbende.
5.15.
Tussen partijen staat vast dat belanghebbende als wederverkoper in de zin van de margeregeling kan worden aangemerkt en de aan haar geleverde auto’s “gebruikte goederen” zijn als bedoeld in artikel 28b van de Wet OB. Verder is tussen partijen niet in geschil dat belanghebbende over een op juiste wijze ingerichte margeadministratie, margefacturen en inkoopverklaringen beschikt.
5.16.
Belanghebbende stelt dat zij de margeregeling terecht heeft toegepast, omdat haar leveranciers op de facturen van de door haar aangekochte auto’s steeds vermeldden dat zij de margeregeling bij de levering van de auto’s kon toepassen. Op basis van die melding meende belanghebbende de margeregeling toe te mogen passen. De inspecteur betwist dit. Volgens hem zijn de auto’s namelijk zogeheten btw-auto’s (en voldeden dus niet aan de voorwaarden voor toepassing van de margeregeling). In dat kader heeft de inspecteur, in zijn tiendagenstuk, de toeleveringsketen van de auto’s beschreven, en aan de hand van onder meer facturen uit die keten onderbouwd dat de auto’s eerder steeds afkomstig waren van personen die recht op aftrek hadden.
De inspecteur heeft met hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd, gemotiveerd betwist dat de margeregeling terecht is toegepast door belanghebbende. Het is dan vervolgens aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat zij voor de auto’s terecht een beroep op de margeregeling heeft gedaan. Belanghebbende voldoet naar het oordeel van de rechtbank niet aan die bewijslast. Het slechts wijzen op de informatie op de van haar leveranciers ontvangen facturen is daartoe onvoldoende om aannemelijk te maken dat de auto’s in een voorafgaande schakel zijn geleverd door (kort gezegd) personen die geen recht op aftrek hebben.
5.17.
Nu niet is voldaan aan de voorwaarden van de margeregeling is omzetbelasting verschuldigd naar de overeenkomstig artikel 8, eerste lid van de Wet OB vastgestelde vergoeding, ongeacht of de leverancier en/of afnemer wist(en) dat niet aan de voorwaarden werd voldaan. De inspecteur kan dan ook de te weinig geheven belasting naheffen.
Vrijwaring van naheffing
5.18.
Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat in voorkomend geval een ondernemer, die voor de toepassing van een regeling is afgegaan op aan hem verstrekte informatie, waarvan achteraf blijkt dat die informatie in strijd met de waarheid was zodat de voorwaarde(n) voor de toepassing van die regeling niet is of niet zijn vervuld, onder omstandigheden moet worden gevrijwaard van naheffing. Daarbij geldt de eis dat die ondernemer alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om ervoor te zorgen dat hij door de handeling die hij verricht niet betrokken raakt bij onregelmatigheden of belastingfraude. [3] Deze rechtspraak is van overeenkomstige toepassing op het geval dat een wederverkoper is afgegaan op hetgeen de leverancier hem aan informatie heeft verstrekt over de toepasselijkheid van de margeregeling. [4]
5.19.
De inspecteur voert aan dat belanghebbende niet alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar kon worden verlangd om niet bij de fraude of onregelmatigheden in de handelsketen betrokken te raken. Belanghebbende had namelijk op zijn minst moeten twijfelen aan de juistheid van de aan haar uitgereikte facturen, en daarom nader onderzoek naar (de historie van) de auto’s moeten doen. Daarbij wijst de inspecteur op het volgende. Allereerst de kennis van belanghebbende over de margeregeling en de markt, zoals het feit dat auto’s in de branche werden getransformeerd van btw naar marge, auto’s risicogoederen zijn voor de omzetbelasting en de verhoudingsgewijs beschikbare aantallen btw- en margeauto’s in de Duitse en Nederlandse automarkt. Daarnaast wijst de inspecteur erop dat er in de administratie van belanghebbende – ten opzichte van voorgaande jaren – een grote toename zichtbaar is van omzet behaald met margeauto’s, wat niet overeenkomt met verklaringen van belanghebbende over de Duitse automarkt. Verder had belanghebbende gelet op uitlatingen van haar leveranciers moeten twijfelen of haar leveranciers aan haar mogelijk btw-auto’s aanboden als zijnde margeauto’s (zie de in 4.4, 4.5 en 4.6 opgenomen berichten). Belanghebbende had in meerdere gevallen signalen gekregen, en zelf ook vastgesteld, dat een aangeboden marge-auto ook als btw-auto te koop stond. Tot slot wijst de inspecteur er op dat belanghebbende bij een groot deel van de auto’s ook beschikte over de Duitse autopapieren, waaronder de kentekenbewijzen. Op het overgrote deel daarvan stonden Duitse rechtspersonen genoemd als eerdere houder van de auto’s die wellicht als ondernemer voor btw-doeleinden zijn aan te merken.
Gelet op deze omstandigheden, in samenhang bezien, had belanghebbende nader onderzoek moeten doen naar alle aan haar geleverde auto’s afkomstig van [B.V. 1] en [B.V. 3] . Nu zij dat heeft nagelaten, heeft belanghebbende de op haar rustende onderzoeksplicht geschonden, aldus de inspecteur.
5.20.
Belanghebbende betwist de stelling van de inspecteur. Zij stelt te mogen vertrouwen op de informatie op de facturen die zij van haar leveranciers uitgereikt kreeg, en verder dat er voor haar geen aanleiding was om aan die informatie te twijfelen. De algemene door de inspecteur omschreven omstandigheden van de markt en de margeregeling, leiden daar niet toe. Ook de meer specifieke whatsappberichten waar de inspecteur op wijst, maken niet dat belanghebbende vervolgens aan alle in geschil zijnde auto’s had moeten twijfelen aan de kwalificatie van marge-auto en een nader onderzoek had moeten instellen. Bovendien heeft de inspecteur niet aangegeven wat zij dan in het kader van dat nadere onderzoek had moeten doen, aldus belanghebbende.
5.21.
De rechtbank stelt in haar beoordeling voorop dat de inspecteur omzetbelasting heeft nageheven in twee door hem beschreven situaties. Namelijk de situatie dat belanghebbende over de (Duitse) autopapieren van de auto’s beschikte en zelf de Bpm aangiften voor de auto’s deed (situatie 2) en de situatie dat belanghebbende niet over de (Duitse) autopapieren van de auto’s beschikte, en ook de aangifte Bpm voor de auto’s niet verzorgde (situatie 3).
5.22.
Ten aanzien van (de levering van) de auto’s die vallen onder situatie 2 is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar kon worden verlangd om ervoor te zorgen dat zij niet betrokken raakte bij onregelmatigheden of belastingfraude. Naast de algemeen door de inspecteur geschetste (markt)omstandigheden, hecht de rechtbank voor dat oordeel in het bijzonder waarde aan het feit dat belanghebbende voor deze auto’s beschikte over de (Duitse) autopapieren. Op die papieren is voor een groot deel van de auto’s zichtbaar dat de auto’s gehouden werden door Duitse rechtspersonen, waardoor er een reële kans bestaat dat de auto is verkocht door een btw-ondernemer. Dat had, in combinatie met de andere door de inspecteur genoemde omstandigheden (zie 5.18) zoals de zeer lange ervaring van belanghebbende in de branche en het Whatsapp-verkeer (zie 4.4 – 4.6), voor ernstige twijfel aan de juistheid van de door haar ontvangen facturen moeten zorgen. Het had daarom op de weg van belanghebbende gelegen om nader onderzoek te verrichten naar de voorgeschiedenis van de auto’s en of de margeregeling daadwerkelijk kon worden toegepast. Nu belanghebbende dat heeft nagelaten, heeft zij ten aanzien van deze auto’s niet alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar kon worden verlangd om ervoor te zorgen dat zij door de handeling die zij verrichtte niet betrokken raakte bij onregelmatigheden of belastingfraude. Belanghebbende wordt daarom naar het oordeel van de rechtbank niet gevrijwaard van de nageheven omzetbelasting over de levering van deze auto’s.
Daarbij merkt de rechtbank nog op dat belanghebbende er weliswaar op heeft gewezen dat voor 29 auto’s op de autopapieren zichtbaar is dat deze auto’s eerder zijn gehouden door natuurlijk personen, en zij er daarom gelet op die autopapieren er juist vanuit mocht gaan dat de margeregeling toepassing kon vinden, maar belanghebbende heeft deze stelling niet voldoende nader onderbouwd. Zo heeft belanghebbende niet gespecificeerd om welke 29 auto’s dit gaat, en hoeveel nageheven omzetbelasting daarmee is gemoeid. De rechtbank ziet vanwege het gebrek aan specificatie, daarom geen aanleiding om de stelling van belanghebbende op dit punt te volgen.
5.23.
Ten aanzien van (de levering van) de auto’s die de inspecteur beschrijft als situatie 3 is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende wel moet worden gevrijwaard van naheffing. Belanghebbende beschikte in die situatie namelijk niet over de (Duitse) autopapieren van de auto. Zij beschikte slechts over de factuur van haar leverancier, die haar informeerde dat de margeregeling kon worden toegepast. De overige omstandigheden die de inspecteur schetst (zie 5.18) acht de rechtbank voor de auto’s die vallen onder situatie 3 onvoldoende voor het oordeel dat belanghebbende voor al die auto’s een (nadere) onderzoeksplicht had. Belanghebbende had dus ten aanzien van deze specifieke auto’s naar het oordeel van de rechtbank niet meer hoeven te doen dan zij reeds deed.
5.24.
Voorgaande betekent dat uitsluitend de naheffing voor de auto’s geleverd als omschreven als situatie 2 in stand blijft. De voor die auto’s nageheven omzetbelasting bedraagt € 1.309.706. De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag daarom tot dit bedrag.
Belastingrente
5.25.
Belanghebbende betoogt dat de bij haar in rekening gebrachte belastingrente moet worden verminderd tot nihil. Daartoe voert zij aan dat de belastingrente disproportioneel hoog is en daarom in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel. Ook wijst belanghebbende op de recent door [naam 2] genomen conclusie op dit punt. [5]
5.26.
De rechtbank is van oordeel dat de bij belanghebbende in rekening gebrachte belastingrente niet in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 16 januari 2026. [6] De stelling van belanghebbende dat het eveneens in zijn algemeenheid onevenredig is om belastingrente bij haar in rekening te brengen, leidt ook niet tot een ander oordeel. Belanghebbende heeft namelijk onvoldoende aangevoerd voor de conclusie dat de belastingrente in haar geval onevenredige gevolgen heeft waardoor vermindering gerechtvaardigd zou zijn. De rechtbank zal de in rekening gebrachte belastingrente daarom uitsluitend verminderen conform de verlaging van de naheffingsaanslag.

Conclusie en gevolgen

6. De rechtbank komt tot het oordeel dat de naheffingsaanslag omzetbelasting tot een te hoog bedrag is opgelegd. De naheffingsaanslag wordt verminderd tot € 1.309.706. De bij de naheffingsaanslag in rekening gebrachte belastingrente moet dienovereenkomstig worden verminderd. Het beroep is gegrond.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934, en factor 1 voor de weging). Voor een integrale kostenvergoeding, waar belanghebbende om heeft verzocht, ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag omzetbelasting tot € 1.309.706 en vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 385 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H. Bogert, voorzitter, mr. S.A.J. Bastiaansen en mr. V.A. Burgers, rechters, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.
griffier
voorzitter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [7]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Met marge-auto’s wordt bedoeld auto’s die van niet-aftrekgerechtigden afkomstig zijn en verborgen omzetbelasting in zich dragen. Daartegenover staan “btw-auto’s”: Auto’s die van aftrekgerechtigden afkomstig zijn en omzetbelasting in zich dragen.
2.De 231 auto’s situatie 3 waarvoor de naheffingsaanslag is opgelegd (zie 4.7) verminderd met 4 auto’s (conform het standpunt van de inspecteur in beroep).
3.vgl. HvJ 27 september 2007, [naam 3] , C-409/04, ECLI:EU:C:2007:548, BNB 2008/11, HvJ 21 februari 2008, [naam 4] , C-271/06, ECLI:EU:C:2008:105, V-N 2008/11.16, en HvJ 21 juni 2012, [naam 5] en [naam 6] , gevoegde zaken C-80/11 en C-142/11, ECLI:EU:C:2012:373
4.vgl. Hoge Raad 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3075 en HvJ 18 mei 2017, [naam 7] , C-624/15, ECLI:EU:C:2017:389.
5.Conclusie [naam 2] , 26 september 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1044.
7.Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.