ECLI:NL:RBZWB:2026:185
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling heffing kansspelbelasting over bonusinzetten en jackpotcontributies bij online kansspelen
Belanghebbende, houder van een vergunning voor het organiseren van online kansspelen, betwistte de heffing van kansspelbelasting over de nominale waarde van aan spelers verstrekte bonussen en de aftrekbaarheid van aan andere vergunninghouders betaalde jackpotcontributies. De rechtbank oordeelt dat de wetgever het begrip 'ontvangen inzetten' bewust ruim heeft opgevat, zodat ook bonusinzetten als inzet voor de kansspelbelasting worden beschouwd, ondanks dat belanghebbende bedrijfseconomisch geen inzet ontvangt.
De rechtbank stelt vast dat de waarde van bonussen gelijk is aan de nominale waarde waarvoor spelers deze kunnen inzetten en dat dit niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, artikel 26 IVBPR Pro of artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Ook is geen sprake van een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 EP Pro. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat jackpotcontributies die belanghebbende aan andere vergunninghouders betaalt niet als ter beschikking gestelde prijzen kunnen worden afgetrokken, omdat deze prijzen door anderen worden uitgekeerd.
De beroepen worden ongegrond verklaard, waardoor de door belanghebbende betaalde kansspelbelasting over bonusinzetten en jackpotcontributies niet wordt verminderd. Tevens krijgt belanghebbende geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. De uitspraak is gedaan door de meervoudige belastingkamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 15 januari 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt dat kansspelbelasting terecht is geheven over bonusinzetten en jackpotcontributies niet aftrekbaar zijn.