ECLI:NL:RBZWB:2026:189

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/02/403051/HA ZA 22-593 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van der Weide
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 130 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding overeenkomst zonnepaneleninstallatie wegens wanprestatie en beperkte schadevergoeding

De zaak betreft een geschil tussen een bedrijf dat zonnepanelen heeft geïnstalleerd en de afnemers die de overeenkomst hebben ontbonden wegens gebrekkige installatie. De rechtbank heeft na deskundigenbericht vastgesteld dat de installatie niet voldoet aan de eisen van goed vakmanschap, met onder meer onjuiste montage en een ongeschikte omvormer.

De installateur heeft tegenbewijs geprobeerd te leveren, onder meer met een rapport van een ander bedrijf, maar de rechtbank heeft dit buiten beschouwing gelaten wegens procesorde. De ontbinding van de overeenkomst is rechtsgeldig omdat de installateur in verzuim is geraakt door niet binnen een redelijke termijn te herstellen.

De installateur kan daarom geen aanspraak maken op betaling van de aanneemsom. De afnemers vorderen schadevergoeding, maar slechts een deel daarvan wordt toegewezen, met name de kosten van een inspectierapport. Andere schadeposten worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Verder is geoordeeld dat negatieve uitlatingen van een van de afnemers onrechtmatig zijn, maar de gevorderde boetes worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs. De proceskosten worden grotendeels aan de installateur opgelegd.

Uitkomst: De overeenkomst is terecht ontbonden wegens wanprestatie; beperkte schadevergoeding wordt toegekend en boetes afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/403051 / HA ZA 22-593
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
[persoon 1] h.o.d.n. [bedrijf 1],
te [plaats 1]
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [bedrijf 1] ,
advocaat: mr. M.J. de Vries,
tegen

1.[persoon 2] ,

te [plaats 2] ,
2.
[persoon 3],
te [plaats 2] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij] en afzonderlijk bij hun achternaam,
advocaat: mr. C. Erasmus.

1.De zaak in het kort

1.1.
[bedrijf 1] heeft zonnepanelen geïnstalleerd bij [partij] vinden dat [bedrijf 1] dit niet goed heeft gedaan. [partij] hebben de overeenkomst met [bedrijf 1] ontbonden en maken aanspraak op schadevergoeding. [bedrijf 1] vindt dat zij de zonnepanelen wel goed heeft geïnstalleerd en de afspraken met [partij] is nagekomen. [bedrijf 1] maakt aanspraak op de aanneemsom. [partij] hebben negatieve reviews geplaatst, wat tot schade heeft geleid. [bedrijf 1] wil deze schade vergoed hebben. Ook maakt [bedrijf 1] aanspraak op boetes die [partij] verbeurd zijn omdat zij in strijd met gemaakte afspraken zijn doorgegaan met het doen van negatieve uitlatingen.
1.2.
De rechtbank heeft eerder twee tussenvonnissen gewezen. In deze eerdere tussenvonnissen is over een deel van de vorderingen al een beslissing genomen en is een deskundige benoemd. Dit is het eindvonnis. In dit eindvonnis oordeelt de rechtbank dat de [partij] de overeenkomst met [bedrijf 1] terecht hebben ontbonden. Zij zijn daarom de aanneemsom niet verschuldigd. De door [partij] gevorderde schadevergoeding wordt op één post na afgewezen. De door [bedrijf 1] gevorderde boetes worden afgewezen en toewijzing van de schadevergoeding blijft beperkt tot het in het eerdere tussenvonnis toegewezen bedrag.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
 het tussenvonnis van 20 december 2023 en de daarin genoemde processtukken,
 het deskundigenbericht van 8 juli 2025,
 de akte na deskundigenbericht met producties 26 tot en met 31 van [bedrijf 1] ,
 de (antwoord)akte na deskundigenbericht met producties 19 tot en met 22 van [partij] , [1]
 de akte uitlaten producties van [bedrijf 1] .
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De verdere beoordeling

in conventie (vordering V) en in reconventie
Het tussenvonnis van 12 juli 2023
3.1.
De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.5 van het tussenvonnis van 12 juli 2023 in de laatste zin overwogen:
“Bij gebreke van een andere afspraak, gaat de rechtbank uit van hetgeen in de offerte is opgenomen, namelijk een omvormer van het merk en type Growatt MIN 4600 TL-XE.”Zoals uit de rest van de betreffende overweging en de door de rechtbank vastgestelde feiten blijkt, betreft dit een kennelijke verschrijving. In de offerte is een omvormer van het merk en type Growatt MIN 6000 TL-XE opgenomen. Dit merk en type dient in de laatste zin gelezen te worden, wat hierbij wordt hersteld.
3.2.
In conventie (vordering V) en reconventie ligt de vraag voor of de aannemingsovereenkomst tussen partijen terecht is ontbonden door [partij] vanwege wanprestatie van [bedrijf 1] , of niet. De beantwoording van deze vraag bepaalt het lot van de vordering tot betaling van het restant van de aanneemsom (conventie) en de vorderingen tot betaling van schadevergoeding (reconventie).
3.3.
Bij tussenvonnis van 12 juli 2023 heeft de rechtbank geoordeeld dat het voorshands aannemelijk is dat de door [bedrijf 1] bij [partij] geplaatste zonnepaneleninstallatie zodanige gebreken vertoont dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door [bedrijf 1] . [bedrijf 1] is toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen deze voorshands aannemelijk geachte stelling, waarbij overwogen is dat een onderzoek door een deskundige met kennis van zonnepaneleninstallaties en de elektrotechnische aspecten die daarbij horen de aangewezen weg is. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de persoon van de deskundige, het voorschot en de vraagstelling.
3.4.
De rechtbank heeft de heer [deskundige] bij tussenvonnis van 20 december 2023 benoemd tot deskundige (hierna: “de deskundige”). Bij brief van 21 februari 2024 heeft de rechtbank de deskundige bericht dat het voorschot was gestort zodat het onderzoek kon worden gestart. De deskundige heeft op 7 maart 2024 lichamelijk letsel opgelopen bij een arbeidsongeval, wat de planning vertraagd heeft. Het onderzoek ter plaatse heeft uiteindelijk – rekening houdend met weersomstandigheden en verhinderdata van partijen – op 7 augustus 2024 plaatsgevonden. Het definitieve rapport van de deskundige dateert van 8 juli 2025.
Het deskundigenbericht
3.5.
De deskundige heeft de door de rechtbank gestelde vragen in een uitgebreid deskundigenbericht beantwoord. De eindconclusie van de deskundige luidt dat de zonnepaneleninstallatie niet voldoet aan de eisen van goed en deugdelijk vakmanschap. In het deskundigenbericht is onder meer opgenomen:
Tussenconclusie 4:De door eiser bijgemaakte groep voor de zonnestroominstallatie is te licht voor het type omvormer dat is geïnstalleerd. (…)
Op de plaatsen waar de DC-voedingskabels vanonder de dakpannen komen, liggen die klem tussen twee sneldek dakpannen (foto 027, 028). Dat geeft mechanische stress op de kabels en kans op vlambogen.Dat voldoet niet.(…)
Onder de zonnepanelen liggen de kabels en connectoren los boven op de dakpannen (…)Dat voldoet niet.(…)
Tussenconclusie 13:De door eiser gemonteerde zonnepanelen zijn niet gemonteerd zoals voorgeschreven door de fabrikant van de zonnepanelen. (…)
Het kunststof van een van de connectoren van de zwarte DC-voedingskabels is gesmolten (foto 045 tot en met 048). En het kunststof van één connector van de minpool van de omvormer is gesmolten (foto (….)). En het metaal van die connectorpen van de minpool in de omvormer is deels weggesmolten (foto (…)). Dat weggesmolten metaal is een gevolg van een vlamboog die daar heeft gestaan. De versmeltingen zit voornamelijk aan het uiteinde van de connectoren.
Oorzaken van gesmolten connectoren kunnen zijn:
(…)
Uit bovenstaande analyse blijft één oorzaak van de versmelting over, nl. niet goed in elkaar gedrukte connectoren.
(…)
Tussenconclusie 23:Met de nu gemonteerde omvormer van het merk Growatt, type MIN 4600TL-XE, wordt het aangesloten vermogen dusdanig veel overbelast, dat de omvormer automatisch het vermogen terug regelt. Interne onderdelen slijten daarbij sneller. De omvormer zal daarom eerder defect zijn, dan wanneer de omvormer gebruikt wordt binnen de grenzen van het ontwerpbereik.
(…)
Tussenconclusie 26:Het voorgestelde vermogen uit de offerte van 7988 kWh, kan met deze 24 zonnepanelen, zoals nu gemonteerd op deze daken, niet behaald worden.
(…)
Tussenconclusie 28:De afwijkingen genoemd in het rapport van Omega Inspectie zijn terecht gemaakt.
(…)
De gebreken kunnen hersteld worden. Maar eigenlijk is de installatie op slopershoogte. (…) Om bovenstaande te kunnen uitvoeren, is het vrijwel zeker noodzakelijk dat de meeste zonnepanelen van het dak verwijderd zullen moeten worden. Dat kost daarom meer tijd dan een nieuwe installatie maken. (…).”
De aktes na deskundigenbericht van partijen
3.6.
[bedrijf 1] verzoekt de rechtbank om het deskundigenbericht buiten beschouwing te laten. Volgens haar staan er in het deskundigenbericht veel onwaarheden en onjuistheden.
3.7.
Zo houdt de deskundige bij de beantwoording van de vragen van de rechtbank rekening met gebreken aan de installatie zoals vermeld in het bericht van [bedrijf 2] , terwijl deze partij volgens [bedrijf 1] nooit bij [partij] is geweest. [bedrijf 1] verwijst naar een e-mail van de vestigingsmanager van het bedrijf van 28 augustus 2025, waarin wordt aangegeven dat er geen (service)monteurs op het adres van [partij] zijn geweest. De deskundige trekt verder tegenstrijdige conclusies. Hij geeft enerzijds in zijn rapport aan dat de laatst wijzigende partij verantwoordelijk is voor de gehele verdeelinrichting, maar concludeert anderzijds meermaals dat [bedrijf 1] verantwoordelijk zou zijn voor de verdeelinrichting. Volgens [bedrijf 1] is de installateur van de warmtepomp verantwoordelijk, nu vast staat dat er na het aansluiten van de zonnepanelen op de meterkast een warmtepomp is aangesloten door een derde partij. Daarnaast heeft de deskundige niet kunnen constateren dat er sprake is geweest van een brand in de omvormer. De stekker is niet meer aanwezig en bovendien geldt dat omvormers een vlamboogdetectie hebben. De mate waarin de omvormer gesmolten zou zijn en de roetaanslag op de omvormer kan niet het gevolg zijn van een vlamboog. [bedrijf 1] heeft VDO Inspecties B.V. (hierna: “VDO”) gevraagd om de bevindingen van de deskundige te beoordelen. [bedrijf 1] concludeert op basis van de bevindingen van VDO dat de conclusies van de deskundige onjuist zijn.
3.8.
[partij] voeren aan dat het deskundigenbericht zeer uitgebreid, gedetailleerd en zorgvuldig is opgesteld. De deskundige is al ingegaan op de bezwaren van [bedrijf 1] en heeft deze in het rapport weerlegd in hoofdstuk 10. [partij] voeren aan dat van hen in deze stand van de procedure niet verwacht kan worden om in te gaan op de bevindingen van VDO. [bedrijf 2] is wel degelijk ter plaatse geweest, in de persoon van de heer [naam] , die dat nogmaals bevestigd heeft aan [partij] per WhatsApp. [partij] verzoeken de rechtbank om het deskundigenbericht van de deskundige als leidend te nemen in deze procedure.
3.9.
In de akte uitlaten producties voert [bedrijf 1] naar aanleiding van de ingebrachte WhatsApp-berichten aan dat de heer [naam] niet werkzaam is bij [bedrijf 2] en dat zijn zakelijke e-mailadres niet bestaat.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het deskundigenbericht
3.10.
Vooropgesteld moet worden dat voor de rechter een beperkte motiveringsplicht geldt voor de beslissing om de bevindingen van een deskundige al dan niet te volgen. Wel dient hij bij de beantwoording van de vraag of hij de conclusies waartoe een deskundige in zijn rapport is gekomen, in zijn beslissing zal volgen, alle ter zake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen en op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang te toetsen of er aanleiding bestaat om van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken. De rechter zal op specifieke bezwaren van een partij moeten ingaan als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de zienswijze van de deskundige (Hoge Raad 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2921).
3.11.
De rechtbank ziet in de door [bedrijf 1] naar voren gebrachte bezwaren geen reden om de inhoud van het deskundigenbericht buiten beschouwing te laten bij de verdere beoordeling.
3.12.
Bij die afweging laat de rechtbank de bevindingen van VDO buiten beschouwing. Deze bevindingen zijn opgesteld en ingebracht ná toezending van het definitieve deskundigenbericht. De deskundige heeft partijen in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken naar aanleiding van het concept deskundigenbericht. [bedrijf 1] heeft uitgebreid gebruik gemaakt van die mogelijkheid, zo blijkt uit hoofdstuk 10 van het deskundigenbericht. Het had op de weg gelegen van [bedrijf 1] om de kritische beschouwingen van VDO in de conceptfase voor te leggen aan de deskundige. Dat was het aangewezen moment om dat te doen. Door de bevindingen pas bij akte na deskundigenbericht in te brengen, beoogt [bedrijf 1] feitelijk het debat opnieuw te openen. Dat is in strijd met de eisen van een goede procesorde. De rechtbank slaat daarom geen acht op de stukken afkomstig van VDO en de stellingen van [bedrijf 1] die daarop gebaseerd zijn.
3.13.
Ook de bezwaren die [bedrijf 1] los van de bevindingen van VDO heeft ingebracht treffen geen doel. Of de heer [naam] wel of niet namens [bedrijf 2] in de woning van [partij] is geweest kan in het midden blijven. Vast staat dat deze persoon bevindingen ten aanzien van de installatie heeft doorgegeven die vervolgens door de deskundige zelf zijn onderzocht (hoofdstuk 7.3 van het rapport). De deskundige heeft dus zijn eigen oordeel gegeven over de bevindingen en daarover uitgebreid gerapporteerd. Het punt van de laatst wijzigende partij is door [bedrijf 1] ook in de conceptfase aangevoerd. De deskundige heeft daarover gezegd dat dit onverlet laat dat [bedrijf 1] verantwoordelijk is voor wat zij zelf heeft uitgevoerd. Dit houdt naar het oordeel van de rechtbank geen tegenstrijdige conclusie in. Ook het punt van de ten tijde van het onderzoek ontbrekende stekker is in de conceptfase aangevoerd en door de deskundige becommentarieerd. Dit heeft niet tot aanpassing van de conclusie geleid, wat door de deskundige is gemotiveerd. De rechtbank merkt op dat enkele andere opmerkingen van [bedrijf 1] wel tot aanpassingen in het rapport hebben geleid.
3.14.
De rechtbank is van oordeel dat het deskundigenbericht zorgvuldig tot stand is gekomen en dat de inhoud overtuigend is. De rechtbank neemt de bevindingen van de deskundige over. Dit betekent het volgende voor de vorderingen van partijen.
Ten aanzien van de ontbinding van de aannemingsovereenkomst
3.15.
Nu de deskundige onderbouwd tot de conclusie komt dat de zonnepaneleninstallatie zoals geïnstalleerd door [bedrijf 1] niet voldoet aan de eisen van goed en deugdelijk vakmanschap, is [bedrijf 1] niet geslaagd in het tegenbewijs tegen de voorshands aannemelijk geachte stelling dat de installatie zodanige gebreken vertoont dat er sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Integendeel, uit het deskundigenbericht blijkt dat de zonnepanelen niet deugdelijk op het dak zijn gemonteerd, de geïnstalleerde omvormer niet geschikt is voor de installatie, de versmelting in de DC-connectorenset het gevolg is van het niet goed in elkaar drukken van connectoren en de voorgespiegelde opbrengst niet gerealiseerd kan worden met de geïnstalleerde zonnepanelen. In het tussenvonnis van 13 juli 2023 is al geconstateerd dat de geïnstalleerde omvormer en het aantal zonnepanelen afwijkt van wat partijen hebben afgesproken.
3.16.
Op grond van artikel 6:265 BW Pro ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding indien de wederpartij tekortschiet in de nakoming van de overeenkomst, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe omvang de ontbinding en haar gevolgen niet rechtvaardigt. De tekortkomingen zoals door de deskundige zijn vastgesteld zijn van een ernst en omvang dat deze naar het oordeel van de rechtbank de ontbinding rechtvaardigen.
3.17.
Voor zover nakoming niet tijdelijk of blijvend onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas op het moment dat er sprake is van verzuim. [bedrijf 1] betwist dat zij in verzuim is geraakt, omdat er volgens haar geen redelijke termijn voor herstel is geboden. De rechtbank volgt [partij] in hun stelling dat [bedrijf 1] al bij e-mail van 11 november 2021 melding hebben gemaakt van gebreken die hersteld moesten worden, en dat bij brief van 8 december 2021 van de advocaat van [partij] expliciet een termijn van 15 dagen is geboden om tot herstel over te gaan. [bedrijf 1] is niet tot herstel over gegaan, omdat zij vond dat er geen gebreken waren. De gevolgen van dat onjuiste standpunt komen voor haar rekening. [bedrijf 1] is op 23 december 2021 in verzuim geraakt zodat [partij] op 8 december 2022 rechtsgeldig de ontbinding van de overeenkomst hebben ingeroepen. De rechtbank wijst de door [partij] gevorderde verklaring voor recht toe (de primaire vordering onder I in reconventie).
3.18.
De rechtsgeldige ontbinding van de overeenkomst tussen partijen heeft tot gevolg dat [bedrijf 1] geen aanspraak kan maken op betaling van de aanneemsom. De vordering van [bedrijf 1] tot betaling van de aanneemsom wordt afgewezen (vordering V in conventie).
Ten aanzien van de door [partij] gestelde schade
3.19.
[partij] vorderen vergoeding van schade die zij stellen te hebben geleden als gevolg van de wanprestatie van [bedrijf 1] . De schadeposten en bijbehorende bedragen zijn geformuleerd in de conclusie van eis in reconventie. In de (antwoord)akte na deskundigenbericht voeren [partij] nieuwe schadeposten op. Het gaat om de in het deskundigenbericht genoemde herstelkosten, de maandelijkse huur van de warmtepomp en de kosten van herstel van lekkages. [partij] verzoeken de rechtbank
“rekening te houden met deze bedragen aan schadeposten”en
“deze kosten als schade mee te nemen in de uiteindelijke schadebepaling”.
3.20.
Voor zover [partij] hiermee hebben beoogd een wijziging van eis in te stellen, wordt dit buiten beschouwing gelaten. Met de gekozen formulering wordt niet voldaan aan de eisen die artikel 130 Rv Pro aan een wijziging van eis stelt. Bovendien vermeldt de kop van de akte niet dat de akte een wijziging van eis bevat en is er geen concrete gewijzigde eis uitgeschreven.
3.21.
De rechtbank gaat voor de beoordeling van de vorderingen uit van de schadeposten en bedragen zoals die in de eis in reconventie zijn geformuleerd.
3.22.
De gevorderde kosten ter zake het rapport van Omega worden toegewezen
(€ 426,04 inclusief btw). [bedrijf 1] voert aan dat deze kosten zouden moeten worden afgewezen omdat het rapport gelijktijdig met het inroepen van de ontbinding van de overeenkomst is toegezonden. Dit is naar het oordeel van de rechtbank geen reden om de kosten van het rapport, voor [partij] nodig om de gestelde gebreken te onderbouwen, af te wijzen.
3.23.
De andere gevorderde schadeposten worden afgewezen. [bedrijf 1] heeft deze posten in haar conclusie van antwoord in reconventie gemotiveerd weersproken. [partij] hebben nagelaten om vervolgens bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in te gaan op deze betwisting door [bedrijf 1] . De advocaat van [partij] heeft spreekaantekeningen voorbereid, maar heeft daarin volstaan met de opmerking dat de schade en kosten van [partij] moeten worden vergoed. Ook de verdere gelegenheid die tijdens de mondelinge behandeling bestond om te reageren is onbenut gelaten. Dat is onbegrijpelijk én onvoldoende gelet op hetgeen door [bedrijf 1] bij conclusie van antwoord in reconventie is aangevoerd.
3.24.
Wat betreft de gevorderde kosten voor de inspectie door [bedrijf 2] geldt aanvullend dat ook in het feit dat geen factuur of bewijs van betaling in het geding is gebracht een reden ligt voor afwijzing. Ten aanzien van de gevorderde verwijderingskosten voert [bedrijf 1] terecht aan dat op haar als gevolg van de ontbinding van de overeenkomst een ongedaanmakingsverbintenis rust, en zij dus zelf gehouden is om de zonnepaneleninstallatie te verwijderen. In dat kader merkt de rechtbank op dat dit inhoudt dat [bedrijf 1] de installatie op eigen kosten moet verwijderen, én de woning daarbij in dezelfde staat moet achterlaten zoals zij die voor aanvang van de werkzaamheden heeft aangetroffen.
in conventie (overige vorderingen)
Schadevergoeding als gevolg van onrechtmatige uitlatingen
3.25.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 12 juli 2023 overwogen dat de door [bedrijf 1] gevorderde verklaring voor recht dat [persoon 2] – kort gezegd – onrechtmatige uitlatingen heeft gedaan zal worden toegewezen (vordering I in conventie). De vordering is ten aanzien [persoon 3] niet toewijsbaar.
3.26.
Wat betreft de door [bedrijf 1] gevorderde schade is in het tussenvonnis overwogen dat een voorschotbedrag van € 3.935,60 toewijsbaar is. In rechtsoverweging 4.20 van het tussenvonnis heeft de rechtbank duidelijk gemaakt dat zij de schade van [bedrijf 1] in deze procedure wil bepalen. [bedrijf 1] is in de gelegenheid gesteld om haar eventuele verdere schade nader te onderbouwen, en wel bij akte op de rol van 23 augustus 2023. [bedrijf 1] heeft deze akte niet genomen. In het tussenvonnis van 20 december 2023 is [bedrijf 1] opnieuw door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de hoogte van de verdere schade, en wel bij akte na deskundigenbericht. Ook in de akte na deskundigenbericht van [bedrijf 1] wordt niet ingegaan op dit onderwerp.
3.27.
De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf 1] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij schade heeft geleden die het al toewijsbare bedrag van € 3.935,60 overstijgt. [bedrijf 1] heeft herhaaldelijk ruim de gelegenheid gehad om de benodigde onderbouwing aan te leveren maar heeft deze gelegenheid telkens onbenut gelaten. De rechtbank kan dit bezwaarlijk anders zien dan als een tekortkoming van de advocaat van [bedrijf 1] . Het is immers zonneklaar dat het in de wind slaan van twee waarschuwingen door de rechtbank de processuele gevolgen zal hebben die hierna worden getrokken. De rechtbank wijst de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure daarom af (vordering III conventie).
3.28.
De gevorderde schadevergoeding (vordering IV conventie) wordt zoals al overwogen in het tussenvonnis toegewezen tot een bedrag van
€ 3.935,60. [partij] heeft de rechtbank bij akte na deskundigenbericht verzocht om dit punt te heroverwegen en te oordelen dat [persoon 2] niets verschuldigd is aan [bedrijf 1] . [persoon 2] voert in dat kader aan dat de annulering van een potentiële klant niet was ingegeven door de slechte reviews, maar door de slechte service en slechte bereikbaarheid van [bedrijf 1] . [persoon 2] verwijst voor de nadere onderbouwing naar randnummer 28 van de conclusie van antwoord en productie 15 bij dagvaarding.
3.29.
[persoon 2] vraagt de rechtbank om terug te komen op een bindende eindbeslissing. Daarvoor bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank heeft haar oordeel gebaseerd op de annuleringen die in rechtsoverweging 2.16 en 2.17 van het tussenvonnis van 13 juli 2023 zijn weergegeven (ontleend aan productie 11 en 12 bij dagvaarding). Het oordeel van de rechtbank berust niet op productie 15 bij dagvaarding. Nu er geen sprake is van een onjuiste juridische of feitelijke grondslag voor de in het tussenvonnis genomen beslissing, is er geen aanleiding om daarop terug te komen.
Schending van de vaststellingsovereenkomst
3.30.
In het tussenvonnis van 13 juli 2023 heeft de rechtbank [bedrijf 1] toegelaten tot bewijs van haar stelling dat [persoon 2] achter het [account 1] zit en vanuit dat account in strijd met gemaakte afspraken negatieve uitlatingen over [bedrijf 1] heeft gedaan.
3.31.
In het kader van deze bewijslevering heeft [bedrijf 1] bij akte van 9 augustus 2023 een usb-stick in het geding gebracht. Daarop is volgens haar zichtbaar dat als je op de naam [account 2] klikt (het account van [persoon 2] ), je op het account van [account 1] terecht komt. Daarmee staat volgens [bedrijf 1] vast dat [persoon 2] achter het [account 1] zit. [persoon 2] heeft de juistheid van de stelling van [bedrijf 1] bij akte van 13 september 2023 uitgebreid gemotiveerd betwist. Bij akte na deskundigenbericht heeft [bedrijf 1] opnieuw een videofragment in het geding gebracht (productie 30). [persoon 2] heeft in zijn antwoordakte aangegeven dat dit hetzelfde videofragment betreft als eerder ingebracht, waartegen al bij akte van 13 september 2023 uitgebreid verweer is gevoerd.
3.32.
De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf 1] niet geslaagd is in het leveren van het bewijs van haar stelling dat [persoon 2] niet alleen achter het [account 2] zit, maar ook achter het [account 1]. [persoon 2] heeft in zijn betwisting terechte vragen gesteld over de herkomst van de video, het verspringen van het beeld, de Hongaarse tekst die in beeld komt, de hyperlinks en het aantal accounts met de naam [account 1]. [bedrijf 1] is nergens op ingegaan. Ook de rechtbank kan zonder nadere toelichting niet op basis van de video van 15 seconden vaststellen dat [persoon 2] achter het [account 1] zit.
3.33.
Nu [bedrijf 1] niet slaagt in het bewijs van haar stelling, komt daarmee niet vast te staan dat [persoon 2] de afspraken zoals vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst heeft geschonden. De vordering tot betaling van de in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen boete wordt afgewezen (vordering VIII conventie).
Beslagkosten
3.34.
[bedrijf 1] vordert vergoeding van de beslagkosten, bestaande uit de kosten voor zowel het leggen (€ 1.222,30) als de opheffing (€ 123,38) van het beslag. Deze vorderingen worden toegewezen, nu deze niet worden weersproken door [partij]
in conventie en in reconventie
Proceskosten
3.35.
[bedrijf 1] is zowel in conventie als in reconventie (overwegend) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
3.36.
De proceskosten van [partij] worden in conventie begroot op:
- griffierecht
1.301,00
- salaris advocaat
5.787,00
(3 punten × € 1.929,00)
- nakosten
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
7.227,00
3.37.
De proceskosten van [partij] worden in reconventie begroot op:
- salaris advocaat
786,00
(2 punten × factor 0,5 × € 786,00)
- nakosten
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
925,00

4.De beslissing

De rechtbank
in conventie
4.1.
verklaart voor recht dat de door [persoon 2] gedane uitlatingen over [bedrijf 1] onrechtmatig zijn, althans onrechtmatig zijn voor zover deze uitingen de strekking hebben om [bedrijf 1] aan te duiden als ‘oplichter’, ‘prutsers’, ‘ondeskundig’ of om afschrik te wekken door bewoordingen als ‘voor je het weet fikt je huis af’, of woorden van gelijke strekking, althans bewoordingen die smadelijk, lasterlijk of beledigend zijn voor [bedrijf 1] ,
4.2.
veroordeelt [persoon 2] tot betaling aan [bedrijf 1] van een bedrag van € 3.935,60 aan schadevergoeding,
4.3.
veroordeelt [partij] hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt de ander niet meer hoeft te betalen, tot betaling aan [bedrijf 1] van een bedrag van € 123,38 ter zake de kosten van opheffing van het beslag en € 1.222,30 ter zake de kosten van leggen van het beslag,
4.4.
veroordeelt [bedrijf 1] in de proceskosten van € 7.227,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
4.5.
verklaart voor recht dat de overeenkomst tussen [partij] en [bedrijf 1] per 8 december 2022 buitengerechtelijk is ontbonden,
4.6.
veroordeelt [bedrijf 1] om aan [partij] te betalen een bedrag van € 426,04 inclusief btw ter zake de kosten van het rapport van Omega,
4.7.
veroordeelt [bedrijf 1] in de proceskosten van € 925,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
4.8.
veroordeelt [bedrijf 1] tot betaling van € 92,00 plus de kosten van betekening als [bedrijf 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.9.
verklaart dit vonnis wat betreft de daarin opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
4.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Weide en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.

Voetnoten

1.De rechtbank merkt op dat de producties 16 tot en met 18 van [partij] niet bij de processtukken zijn aangetroffen. In de akte van 13 september 2023 van [partij] wordt verwezen naar producties 1, 17 en 18, waarvan de rechtbank aanneemt dat bedoeld is te verwijzen naar producties 16 tot en met 18, maar deze zijn niet aan de betreffende akte gehecht.