ECLI:NL:RBZWB:2026:1906

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
24/6425, 24/7149 en 24/7248
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 WooArt. 5.3 WooArt. 8:29 AwbArt. 8:51a AwbArt. 8:51b Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank oordeelt dat college ten onrechte Woo-verzoeken buiten behandeling stelde en documenten integraal weigerde

Eiser diende drie Woo-verzoeken in over documenten met betrekking tot een project, waarvan twee verzoeken buiten behandeling werden gesteld en bij het derde verzoek alle 226 documenten integraal werden geweigerd. De rechtbank oordeelt dat het college onterecht de verzoeken buiten behandeling stelde en de documenten integraal weigerde openbaar te maken.

De rechtbank beoordeelde steekproefsgewijs een aantal documenten en concludeerde dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom documenten niet openbaar gemaakt konden worden, met name ten aanzien van de staatssteunprocedure, vertrouwelijke bedrijfsgegevens en milieu-informatie. Ook werd geoordeeld dat documenten per alinea beoordeeld hadden moeten worden en dat stukken ouder dan vijf jaar extra gemotiveerd moeten worden.

Verder stelde de rechtbank dat de verzoeken niet te algemeen waren geformuleerd en dat het college deze ten onrechte buiten behandeling had gesteld. De rechtbank gaf het college de gelegenheid om de gebreken te herstellen binnen vastgestelde termijnen en bepaalde dat derde belanghebbenden een zienswijze moeten kunnen indienen.

De rechtbank houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak en bepaalt dat het college binnen twee weken moet meedelen of het gebruik maakt van de herstelmogelijkheid. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige en gemotiveerde besluitvorming bij Woo-verzoeken.

Uitkomst: Het college moet de Woo-verzoeken opnieuw behandelen, meer informatie openbaar maken en beter motiveren waarom bepaalde documenten niet openbaar zijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 24/6425, 24/7149 en 24/7248

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaken tussen

mr. [eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst

(gemachtigde: mr. A.C.P. Kester).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing, respectievelijk buitenbehandelingstelling, van de aanvragen van eiser. Eiser heeft drie verzoeken op basis van de Wet open overheid (Woo) over het [project] ingediend. Twee verzoeken zijn buiten behandeling gesteld (24/7149 en 24/7248). Bij het derde verzoek zijn alle 226 documenten integraal geweigerd (24/6425). Eiser is het niet eens met deze buitenbehandelingstelling en afwijzing van de aanvragen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de buiten behandelingstellingen en afwijzing van de aanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college ten onrechte twee verzoeken van eiser buiten behandeling heeft gesteld en bij het derde verzoek ten onrechte alle documenten integraal heeft geweigerd openbaar te maken
.Eiser krijgt dus gelijk en de beroepen zijn dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 begint de inhoudelijke beoordeling van de inhoudelijke weigering, waarbij onder 5 de steekproefsgewijze beoordeling van een aantal documenten is opgenomen. De beoordeling van de buitenbehandelingstellingen volgt vanaf 9. Onder 10 staat nog een procedurele overweging over de zienswijzeprocedure. Aan het eind staat vermeld wat het college moet doen om de geconstateerde gebreken te herstellen.

Procesverloop

2. Eiser dient op 18 december 2023 (verzoek 1) en 10 april 2024 (verzoek 2 en 3) drie Woo-verzoeken in over de planontwikkeling in en nabij de (westelijke) [project] , waarbij openbaarmaking wordt gevraagd van documenten uit de periode 1 januari 2013 tot en met 13 december 2023.
De verzoeken gaan meer concreet over:
De verslagen, notulen, uitnodigingen, actielijsten en oplegnotities over aandeelhoudersvergaderingen en bestuursvergaderingen van [b.v. 1] (24/6425);
De verslagen, notulen, uitnodigingen, actielijsten en oplegnotities van het college van burgemeester en wethouders, de gemeenteraad dan wel de raadscommissies waarin is gesproken over of gedoeld wordt op [b.v. 1] , [b.v. 2] en of [n.v.] , inclusief de bijbehorende bijlagen, waaronder notities en adviezen (24/7248);
Alle documenten die betrekking hebben op contracten, onteigening, percelen, contacten met de Provincie, analyses van en leveringen van baggerspecie, zand en grond en de bestemmingsplannen (concepten, ontwerpen), alles voor zover relevant voor – samengevat – het [project] (24/7149).
2.1.
Op 26 februari 2024 wordt verzoek 1 afgewezen. Het college besluit dat alle 226 aangetroffen documenten integraal niet openbaar worden gemaakt. Op 3 april 2024 maakt eiser bezwaar tegen deze afwijzing.
2.2.
Het college vraag op 15 april 2024 verzoeken 2 en 3 opnieuw in te dienen, omdat indiening per e-mail niet wordt geaccepteerd. Op 23 april 2024 vraagt het college de verzoeken te preciseren. Op 29 april 2024 worden de verzoeken buiten behandeling gesteld.
2.3.
Op 29 mei 2024 dient eiser bezwaren in tegen de buitenbehandelingstellingen.
2.4.
Op 11 juli 2024 verklaart het college de bezwaren tegen het afwijzen van het Woo-verzoek van 26 februari 2024 ongegrond en laat het die afwijzing in stand.
2.5.
Op 3 september 2024 verklaart het college de bezwaren tegen het buiten behandeling stellen van verzoek 2 en 3 ongegrond en laat het die buitenbehandelingstellingen in stand.
2.6.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.7.
De rechtbank heeft de beroepen op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en [persoon] namens het college met de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Weigering (24/6425)
Geweigerde documenten
3. Het college heeft alle 226 aangetroffen documenten die op de inventarislijst staan integraal geweigerd. Achter elk document staat op basis van welke artikelen van de Woo openbaarmaking van dat document wordt geweigerd. Het gaat daarbij steeds respectievelijk om één of meer van de weigeringsgronden uit artikel 5.1, eerste lid onder c en/of tweede lid onder a, b, e, f en i van de Woo.
3.1.
Het college beargumenteert nergens per document waarom het geheim gehouden moet worden. Het college geeft dit slechts in algemene bewoordingen aan en verwijst verder naar de artikelverwijzingen naar de weigeringsgronden die per document op de inventarislijst zijn opgenomen. De rechtbank zal hierna eerst de overkoepelende weigeringsgronden beoordelen die te maken hebben met de gestelde staatssteunprocedure bij de Europese Commissie, omdat dit de belangrijkste weigeringsgrond lijkt te zijn.
Daarna zal de rechtbank steekproefsgewijs beoordelen of individuele documenten geheim gehouden mogen worden. Vervolgens gaat de rechtbank op basis van de individuele beoordelingen in op de algemene beroepsgronden dat per alinea gekeken had moeten worden en dat beter gemotiveerd moet worden waarom documenten ouder dan vijf jaar en documenten die milieu-informatie bevatten niet openbaar gemaakt worden.
Staatssteunprocedure bij de Europese Commissie
4. De onderbouwing van de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid onder a en i bestaat met name uit het feit dat er een Europese staatssteunprocedure loopt en dat informatie dan op grond van artikel 30 van Pro een Europese Verordening [1] (de Verordening) niet openbaar gemaakt mag worden. Het college heeft bij het verweerschrift documenten gevoegd waaruit volgens hem blijkt dat er een staatssteunprocedure loopt en dat daarbij vertrouwelijk stukken zijn overgelegd.
4.1.
Op grond van artikel 30 van Pro de Verordening mogen de Europese Commissie (de Commissie) en de lidstaten, alsmede hun ambtenaren en overige personeelsleden, met inbegrip van de door de Commissie aangewezen onafhankelijke deskundigen, de informatie die zij bij de toepassing van de Verordening hebben verkregen en die onder de geheimhoudingsplicht valt, niet openbaar maken.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de documenten niet openbaar gemaakt kunnen worden omdat sprake is van een lopende staatssteunprocedure bij de Commissie De enkele omstandigheid dat sprake is van (de mogelijke aanloop naar) een dergelijke procedure is daarvoor onvoldoende. Het college heeft niet onderbouwd dat de documenten op de inventarislijst bij dit Woo-verzoek deel uitmaken van de documenten die onder de Commissie berusten. Uit de onder toepassing van artikel 8:29 van Pro de Awb overgelegde stukken over de staatssteunprocedure blijkt dat de Commissie er niet zonder meer vanuit gaat dat alle documenten die in die (aanloop naar een) procedure zijn betrokken vertrouwelijk zijn. Uit de brief van de Commissie die is overgelegd blijkt juist dat een partij zelf aan moet geven of iets in vertrouwelijkheid wordt overgelegd. De Commissie zelf legt dit in deze stukken niet op. Het ministerie van buitenlandse zaken heeft mogelijk een aantal stukken vertrouwelijk overgelegd aan de Commissie. Ter zitting kon het college niet aangegeven of al deze documenten opgenomen waren op de inventarislijst met 226 stukken. Daarmee blijft het onduidelijk voor welke documenten op grond van deze brief volgens het college geheimhouding zou zijn opgelegd en of deze documenten onder het bereik van artikel 30 van Pro de Verordening vallen. Het college heeft ter zitting toegelicht dat zekerheidshalve op alle stukken waarover twijfel zou kunnen bestaan, openbaarmaking op deze grond achterwege is gelaten.
4.3.
Het argument dat ter zitting naar voren werd gebracht dat zekerheidshalve documenten niet openbaar zijn gemaakt, omdat ze mogelijk onder de geheimhoudingsplicht van het Europese recht vallen, houdt ook geen stand. Hoofdregel van de Woo is dat documenten openbaar worden gemaakt. Het past daarbij niet om documenten zekerheidshalve niet openbaar te maken. Een beroep op de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid onder a en i van de Woo moet goed onderbouwd worden. Dat betekent dat gemotiveerd moet worden dat een document hieronder valt. Gelet op de overwegingen hierboven is dat niet of onvoldoende gebeurd.
4.4.
Het argument dat stukken op last van de Commissie niet vrijgegeven mogen worden, volgt de rechtbank ook niet. Het zelf vertrouwelijk aan de Commissie overleggen van documenten leidt niet tot een andere conclusie. Daarmee zou een bestuursorgaan de Woo opzij kunnen zetten door documenten vertrouwelijk aan de Commissie over te leggen. Dat is niet de bedoeling van de geheimhoudingsregeling van deze Verordening. Deze is bedoeld om te voorkomen dat andere partijen documenten openbaar maken, die onder het bereik van artikel 30 van Pro de Verordening vallen. Daar is hier geen sprake van. Nergens blijkt uit dat de Commissie vindt dat de door het ministerie van buitenlandse zaken (vertrouwelijk) aan haar overgelegde stukken niet openbaar mogen worden gemaakt. Voor zover het college heeft gesteld dat de staatssteunprocedure een beletsel vormt om de documenten aan de rechtbank te verstrekken, kan de rechtbank hem daarom niet volgen. Gelet op het voorgaande kleeft er een motiveringsgebrek aan het bestreden besluit.
Steekproefsgewijze beoordeling
5. Omdat het te ver gaat om alle 226 documenten individueel te beoordelen op algemeen gestelde weigeringsgronden, heeft de rechtbank steekproefsgewijs een aantal geweigerde documenten beoordeeld. Daarbij zijn verschillende soorten stukken beoordeeld.
5.1.
Beoordeeld zijn de documenten die op de inventarislijst zijn genummerd als 1, 22, 43, 84, 111, 140, 163, 182, 200 en 222. De eerste drie documenten zijn ter zitting besproken. Gebleken is dat het college bij geen van die drie documenten concreet aan kon geven waarom het de genoemde weigeringsgronden (op het gehele document) van toepassing acht.
5.2.
Document 1, de agenda van de 12e Algemene Vergadering van Aandeelhouders, is geweigerd op grond van artikelen 5.1 tweede lid onder a, b, e, f en i. De weigeringsgronden onder a en i betreffen de staatssteunprocedure waarover de rechtbank zich hiervoor al heeft uitgelaten. Verder is deze agenda geweigerd omdat openbaarmaking de economische of financiële belangen zou schaden van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen, in geval van milieu-informatie slechts voor zover de informatie betrekking heeft op handelingen met een vertrouwelijk karakter (b), de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (e) en de bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens (f).
Het betreft hier louter een agenda met reguliere procedurele agendapunten. Behalve de standaardpunten (zoals opening, mededelingen, verslag vorige vergadering en rondvraag), staat de bespreking van een document op de agenda, waarvan het bestaan bekend is, omdat dit document met naam is opgenomen op de inventarislijst. Het ontgaat de rechtbank volledig in hoeverre openbaarmaking de financiële belangen van de Staat of andere overheden schaadt, wiens persoonlijke levenssfeer wordt geschaad en welke concurrentiegevoelige bedrijfs-en fabricagegegevens beschermd moeten worden. Ter zitting kon het college dit ook niet toelichten.
5.3.
Document 22, planning procedure bestemmingsplan [project] . De weigeringsgrond is dat het bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld. Ter zitting is niet weersproken dat juist de overheid deze planning heeft opgesteld. Het argument dat dit document toch niet openbaar mag worden gemaakt, is dat het onderdeel is van een vertrouwelijk aan de overheid overgelegd stuk. De rechtbank is van oordeel dat het niet zo kan zijn dat gegevens die de overheid opstelt vertrouwelijk worden omdat een bedrijf dat de documenten heeft gekregen (en indirect door een aandeelhoudersconstructie ook gelieerd is aan die overheid) ze weer ‘vertrouwelijk’ als bijlage bij een ander document teruggeeft. Daarmee worden het geen bedrijfs- en fabricagegegevens. Los daarvan begrijpt de rechtbank ook inhoudelijk niet waarom dit document vertrouwelijk behandeld zou moeten worden. Datums van publicaties zijn per definitie openbaar. Datums van vergaderingen van bestuursorganen waarop het bestemmingsplan wordt behandeld zijn dat ook. Het gaat weliswaar om een planning, maar iedereen kan de openbare agenda van het college en de gemeenteraad inzien.
5.4.
Document 43, verlenging intentieovereenkomst. Dit document is naast het argument dat het is ingebracht in de Europese staatssteunprocedure geweigerd omdat het bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld (artikel 5.1, eerste lid onder c). Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling dient dat artikel naar zijn aard restrictief te worden uitgelegd. Van bedrijfs- en fabricagegegevens is slechts sprake, indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces, dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. De weigeringsgrond is bedoeld om te voorkomen dat de bedrijfsgegevens die bedrijven met het oog op concurrentie geheim willen houden, maar wel genoodzaakt zijn aan bestuursorganen te verstrekken, openbaar moeten worden gemaakt. [2] Het is de rechtbank niet duidelijk om welke vertrouwelijke bedrijfsgegevens het gaat. De rechtbank sluit niet uit dat in de intentieovereenkomst of de verlenging daarvan passages gelakt mogen worden, maar dat moet dan duidelijk en per passage worden gemotiveerd.
Voor zover het college in het verweerschrift betoogt dat [b.v. 1] echt een aparte private partij is die niet vereenzelvigd kan worden met de gemeente, is dat in deze beoordeling ook niet van belang. Volgens de jurisprudentie moet ook bij gegevens van externe partijen, zoals [b.v. 1] . vooral gekeken worden of de overgelegde informatie vertrouwelijk is en niet zozeer of deze vertrouwelijk is overgelegd. Als van dat laatste uitgegaan zou worden, dan kan een bedrijf alles ‘vertrouwelijk’ overleggen. De beoordeling van het college of dit document integraal vertrouwelijke bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, kan de toets die de Afdeling daarvoor hanteert duidelijk niet doorstaan.
5.5.
Document 84, de concept koop- en ontwikkelingsovereenkomst [project] . Dit document is naast het argument dat het is ingebracht in de Europese staatssteunprocedure geweigerd omdat het bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld. Ook hier geldt weer dat dit restrictief moet worden uitgelegd. In de overeenkomst staan wel passages die mogelijk vertrouwelijk moeten blijven. Wat opvalt is dat de hele overeenkomst geheim gehouden wordt. Er staan ook afspraken in over realisatie van publieke infrastructuur en een aantal andere algemene bepalingen. De rechtbank ziet niet in hoe deze onder vertrouwelijke bedrijfsgegevens geschaard kunnen worden. Hier had wellicht wel gelakt mogen worden, maar dit had per passage moeten gebeuren. Integraal openbaarmaking weigeren gaat te ver.
5.6.
Document 111, verslag van de 32e algemene vergadering van aandeelhouders. Dit document is geweigerd op basis van artikel 5.1, tweede lid onder a, b, e, f en i. De a en i grond zijn onder 4 al behandeld. Verder is dit verslag geweigerd omdat het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen (b), de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (e) en de bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens (f).
De rechtbank begrijpt en accepteert dat in het kader van de persoonlijke levenssfeer mogelijk namen weggelakt moeten worden. Verder ziet de rechtbank geen informatie die de financiële belangen van een overheid schaadt of onder bedrijfsgevoelige informatie is te scharen. Ook hier geldt weer dat integrale geheimhouding niet te verdedigen is.
5.7.
Document 140, Jaarrapport 2018. Dit document is geheim gehouden op grond van artikel 5.1, eerste lid onder c en tweede lid onder a. De weigering onder het tweede lid onder a is al onder 4 gemotiveerd (staatssteunprocedure). Verder betreft het documenten die bedrijfs- en fabricagegegevens bevatten die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld. Het document bevat naar zijn aard veel financiële gegevens. Daarbij zijn waarschijnlijk ook gegevens die bij de kamer van koophandel openbaar op te vragen zijn. De jaarrekening moet gedeponeerd worden en bevat minimaal de balans. Verder kunnen gegevens, indien nodig, ook gelakt worden. Ook hier gaat gehele geheimhouding daarom te ver, althans is dat volstrekt onvoldoende gemotiveerd.
5.8.
Document 163, brief over coronapandemie. Dit document is uitsluitend geheim gehouden op grond van artikel 5.1, eerste lid onder c van de Woo. Het betreft documenten die bedrijfs- en fabricagegegevens bevatten die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld. Er wordt enkel gevraagd om overleg over een bepaald onderwerp. Het is de rechtbank, gelet op de eerder genoemde jurisprudentie, volstrekt onduidelijk welke vertrouwelijke bedrijfsgegevens hier in staan.
5.9.
Document 182, stand van zaken algemene vergadering van aandeelhouders, 23 maart 2021. Dit document is geweigerd op basis van artikel 5.1, eerste lid onder c en tweede lid onder a en b. De a grond is onder 4 al behandeld. Het eerste lid onder c van artikel 5.1 van de Woo betreft documenten die bedrijfs- en fabricagegegevens bevatten die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld. Het document bevat (sfeer)foto’s en informatie over hetgeen bij de algemene vergadering van aandeelhouders besproken is. Daaronder vallen financiële gegevens van [b.v. 1] De rechtbank sluit niet uit dat bepaalde financiële gegevens gelakt mogen worden. Het zijn echter wel heel globale gegevens, zodat de onderbouwing van de weigering in algemene bewoordingen volstrekt onvoldoende is.
5.10.
Document 200, Tweede overeenkomst tot wijziging van de koop- en ontwikkelingsovereenkomst [project] . Dit document is geweigerd op basis van artikel 5.1, eerste lid onder c en tweede lid onder a en b. De a grond is onder 4 al behandeld. Het eerste lid onder c van artikel 5.1 van de Woo betreft documenten die bedrijfs- en fabricagegegevens bevatten die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld. Dit betreft een overeenkomst tussen twee private partijen. Het gaat over de ontwikkeling van een gebied, inclusief openbare ruimtes. Het is aannemelijk dat in deze overeenkomst en bijlagen gegevens staan die weggelakt mogen worden omdat het vertrouwelijke bedrijfsgegevens zijn. Het kan daarbij gaan om bedragen en afspraken over risicoverdeling. Onvoldoende gemotiveerd is waarom de gehele overeenkomst met bijlagen geheim moet blijven.
5.11.
Document 222, kaart grondverkoop. Dit document is geweigerd op basis van artikel 5.1, eerste lid onder c en tweede lid onder a en b. De a grond is onder 4 al behandeld. Het eerste lid onder c van artikel 5.1 van de Woo betreft documenten die bedrijfs- en fabricagegegevens bevatten die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld. Op de kaart is een kadastrale ondergrond opgenomen die overeenkomt met bestemmingsplan [project] , 2e herziening. Verder is hier geen informatie uit te halen. Het is de rechtbank volstrekt onduidelijk waarom het hele document niet openbaar gemaakt kan worden.
5.12.
Gelet op bovenstaande overwegingen komt de rechtbank tot het oordeel dat het college inhoudelijk onvoldoende heeft afgewogen welke documenten – en in hoeverre – deze documenten niet openbaar hoeven te worden gemaakt. Verschillende documenten die het college weigert openbaar te maken hadden naar het oordeel van de rechtbank volledig openbaar gemaakt moeten worden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de veronderstelling dat dit voor documenten die buiten de steekproef vallen anders is. Het college zal daarom alle documenten aan de hand van hetgeen is overwogen in deze uitspraak opnieuw moeten beoordelen. Uiteraard mag het zich dus niet beperken tot de in deze steeksproefgewijze beoordeling opgenomen documenten. Deze beroepsgrond slaagt.
Had per alinea gekeken beoordeeld moeten worden?
6. Eiser stelt dat niet integraal had mogen worden geweigerd, maar dat dit per alinea had moeten worden beoordeeld.
6.1.
Het college stelt dat de inhoud van de documenten zowel inhoudelijk als contextueel zodanig met elkaar verbonden is dat scheiding of gedeeltelijke openbaarmaking niet mogelijk is zonder afbreuk te doen aan de te beschermen belangen.
6.2.
Gelet op de bovenstaande steekproefsgewijze analyse ziet de rechtbank geen aanleiding voor de stelling dat gedeeltelijke openbaarmaking niet kan. Geheimhouding moet een uitzondering blijven. De meeste documenten kunnen grotendeels of zelfs integraal openbaar gemaakt worden zonder afbreuk te doen aan het bedrijfsbelang van [b.v. 1] of de financiële belangen van de overheid. Ook deze beroepsgrond slaagt.
Is extra gemotiveerd waarom stukken ouder dan vijf jaar niet openbaar worden gemaakt?
7. Eiser stelt dat ten onrechte niet extra is gemotiveerd waarom stukken ouder dan vijf jaar niet openbaar zijn gemaakt. Op grond van artikel 5.3 van de Woo moet dit wel.
7.1.
Ook deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank constateert dat het college inderdaad niet nader heeft gemotiveerd waarom stukken ouder dan vijf jaar niet openbaar zijn gemaakt. Dat is in strijd met artikel 5.3 van de Woo. Door verloop van tijd zijn documenten – voor zover al een weigeringsgrond zou hebben gegolden – minder concurrentiegevoelig geworden. Zeker waar het plannen betreft die niet meer uitgevoerd gaan worden of al uitgevoerd zijn, zal het college heel goed moeten motiveren waarom die op dit moment niet openbaar gemaakt kunnen worden.
Moet milieu-informatie openbaar worden gemaakt?
8. Eiser stelt dat informatie over het milieu sneller openbaar gemaakt moet worden. Er moet dan een afweging worden gemaakt tussen het belang van de bescherming van vertrouwelijke bedrijfsgegevens en het belang van openbaarheid van de gegevens over het milieu.
8.1.
De stukken waarop het Woo-verzoek ziet bevatten volgens het college geen milieu-informatie.
8.2.
Ook deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat op de inventarislijst wel degelijk documenten staan die (ook) milieu-informatie bevatten. De Woo kent voor deze informatie een speciale regeling. [3] Dat is een verbijzondering van de weigeringsgrond over vertrouwelijke bedrijfsinformatie, waarbij beter moet worden gemotiveerd waarom documenten of delen daarvan niet openbaar gemaakt worden. Het college heeft ook zonder toepassing van dit artikel onvoldoende onderbouwd waarom het documenten niet openbaar maakt. Dat betekent automatisch dat onvoldoende is onderbouwd waarom het belang van geheimhouding van gegevens die onder vertrouwelijke bedrijfsgegevens vallen zwaarder moet wegen dan het belang van openbaarheid van milieu-informatie. Bij de nieuwe beoordeling zal het college bij het niet-openbaar maken van milieu-informatie extra moeten motiveren waarom deze, gelet op artikel 5.1 vijfde en zesde lid van de Woo niet openbaar gemaakt hoeft te worden.
Buiten behandeling stellingen (24/7149 en 24/7248)
Zijn de verzoeken te algemeen geformuleerd?
9. Het college stelt dat de verzoeken te algemeen zijn geformuleerd en heeft de verzoeken 2 en 3 daarom buiten behandeling gesteld. Verzocht is de reikwijdte van de verzoeken tot redelijke proporties terug te brengen en aan dat verzoek heeft eiser niet voldaan.
9.1.
Deze beroepen zijn gegrond. De rechtbank is van oordeel dat eiser de verzoeken voldoende concreet heeft afgebakend. Er worden concrete documenten over een specifiek project gevraagd over een specifieke periode. Een preciseringsverzoek is bedoeld om duidelijk te krijgen wat een verzoeker wil hebben en niet om het verzoek terug te brengen tot proporties die het bestuursorgaan acceptabel acht. Daarbij speelt ook mee dat een verzoeker niet weet welke documenten er zijn en in die zin lastig het verzoek verder kan preciseren. Het college kan daar wel behulpzaam in zijn. Mogelijk had naar aanleiding van de inventarislijst nog met eiser kunnen worden gekeken welke documenten wel en welke niet onder het verzoek vallen.
9.2.
Nu het college weliswaar heeft gesteld dat het verzoek zeer omvangrijk is en het om veel documenten gaat, maar niet concreet heeft aangegeven op welke punten het verzoek niet duidelijk genoeg is, is een buitenbehandelingstelling onrechtmatig. Het college had beide verzoeken waarbij het om precisering heeft gevraagd gewoon in behandeling moeten nemen en moet dat nu alsnog doen. Daarbij moet het bij de inhoudelijke beoordeling van deze verzoeken rekening houden met wat de rechtbank hiervoor al heeft overwogen over de weigering om stukken openbaar te maken in zaak 24/6425. Het volledig weigeren van alle stukken kan dus alleen als per document en deel van een document goed is gemotiveerd waarom dit niet openbaar gemaakt mag worden.
Algemeen (24/6425, 24/7149 en 24/7248)
Zienswijzeprocedure
10. Het college heeft in alle drie de procedures geen zienswijzeprocedure gevolgd, omdat het niet van plan was om documenten vrij te geven. Eiser stelt dat derde belanghebbenden hun recht op het indienen van een zienswijze hebben opgegeven door niet aan de beroepsprocedures deel te nemen.
10.1.
De rechtbank volgt de stelling dat derde belanghebbenden geen zienswijze meer in mogen dienen niet. Het is onduidelijk in hoeverre zij op de hoogte waren van (de omvang en reikwijdte van) deze procedure. Niet alle (rechts)personen die in de documenten zijn genoemd, zijn door de rechtbank aangeschreven om zich als belanghebbende partij te stellen bij deze procedure. Bovendien hebben zij geen inzicht gekregen in welke gegevens van hen in de te openbaren documenten zijn terug te vinden. Dat houdt in dat voor een nieuw besluit in alle drie de zaken de derde belanghebbenden door het college in de gelegenheid moeten worden gesteld een zienswijze in te dienen.

Bestuurlijke lus

11. Zoals hiervoor is overwogen zijn de bestreden besluiten in strijd met het motiveringsbeginsel dan wel zijn de verzoeken ten onrechte buiten behandeling gesteld omdat de verzoeken niet precies genoeg zouden zijn geformuleerd of is openbaarmaking ten onrechte of onvoldoende gemotiveerd geweigerd. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met nieuwe beslissingen op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van de nu bestreden besluiten.
11.1.
Om de gebreken te herstellen, moet het college in zaak 24/6425 een nieuwe beslissing op bezwaar nemen, waarbij het rekening houdt met de overwegingen in deze uitspraak. Daarbij moeten derde belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om een zienswijze in te dienen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college de gebreken kan herstellen op twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak.
11.2.
Bij de zaken 24/7149 en 24/7248 moet het college om de gebreken te herstellen nog een volledige inventarisatie en inhoudelijke beoordeling maken van de aangetroffen documenten. Ook hier moeten derde belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om een zienswijze in te dienen. Het college moet daarbij gelijk rekening houden met de inhoudelijke overwegingen bij zaak 24/6425 die in deze uitspraak zijn gegeven. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college de gebreken kan herstellen op zestien weken na verzending van deze tussenuitspraak.
11.3.
De rechtbank geeft op voorhand mee dat de gestelde termijnen in 11.1 en 11.2 in beginsel (behoudens overmacht) niet worden verlengd. Zij is zich ervan bewust dat dit veel werk met zich brengt, maar is van oordeel dat eiser een voortvarende behandeling van zijn verzoeken verdient, die het college tot dusverre niet heeft opgepakt met de zorgvuldigheid die van hem had mogen worden verwacht. De rechtbank gaat er ook vanuit dat het college zich hier al op heeft voorbereid. Ter zitting is immers aangegeven dat de eerste zoekslag al was gedaan bij de zaken waarbij het verzoek buiten behandeling is gesteld.
12. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of het gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op de beroepen.
13. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).
14. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten, het griffierecht en een eventuele schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen twaalf weken (24/6425) dan wel zestien weken (24/7149 en 24/7248 ) na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, voorzitter, en mr. T. Peters en mr. M.G.J. Maas-Cooymans, leden, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 17 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet open overheid
Artikel 5.1. Uitzonderingen
1. Het openbaar maken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:
a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen;
b. de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden;
c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;
d. persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de betrokkene uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven voor de openbaarmaking van deze persoonsgegevens of deze persoonsgegevens kennelijk door de betrokkene openbaar zijn gemaakt;
e. nummers betreft die dienen ter identificatie van personen die bij wet of algemene maatregel van bestuur zijn voorgeschreven als bedoeld in artikel 46 van Pro de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de levenssfeer maakt.
2. Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
a. de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties;
b. de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen, in geval van milieu-informatie slechts voor zover de informatie betrekking heeft op handelingen met een vertrouwelijk karakter;
c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
d. de inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
f. de bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens;
g. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft;
h. de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage;
i. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.
3. Indien een verzoek tot openbaarmaking op een van de in het tweede lid genoemde gronden wordt afgewezen, bevat het besluit hiervoor een uitdrukkelijke motivering.
4. Openbaarmaking kan tijdelijk achterwege blijven, indien het belang van de geadresseerde van de informatie om als eerste kennis te nemen van de informatie dit kennelijk vereist. Het bestuursorgaan doet mededeling aan de verzoeker van de termijn waarbinnen de openbaarmaking alsnog zal geschieden.
5. In uitzonderlijke gevallen kan openbaarmaking van andere informatie dan milieu-informatie voorts achterwege blijven indien openbaarmaking onevenredige benadeling toebrengt aan een ander belang dan genoemd in het eerste of tweede lid en het algemeen belang van openbaarheid niet tegen deze benadeling opweegt. Het bestuursorgaan baseert een beslissing tot achterwege laten van de openbaarmaking van enige informatie op deze grond ten aanzien van dezelfde informatie niet tevens op een van de in het eerste of tweede lid genoemde gronden.
6. Het openbaar maken van informatie blijft in afwijking van het eerste lid, onderdeel c, in geval van milieu-informatie eveneens achterwege voor zover daardoor het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde belang ernstig geschaad wordt en het algemeen belang van openbaarheid van informatie niet opweegt tegen deze schade.
7. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op milieu-informatie die betrekking heeft op emissies in het milieu.
Artikel 5.3. Informatie ouder dan vijf jaar
Bij een verzoek om informatie die ouder is dan vijf jaar motiveert het bestuursorgaan bij een weigering van die informatie waarom de in artikel 5.1, tweede of vijfde lid, of artikel 5.2 bedoelde belangen ondanks het tijdsverloop zwaarder wegen dan het algemeen belang van openbaarheid.

Voetnoten

1.Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
2.ABRvS, 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1513
3.Artikel 5.1, vijfde en zesde lid van de Woo.