ECLI:NL:RBZWB:2026:1908

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
12012900 CV EXPL 25-6442 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Jansen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:265 BWArtikel 2 Besluit Gemeentelijke SchuldhulpverleningArtikel 3 Verdrag inzake de rechten van het kind
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens langdurige huurachterstand

Custodian Vesteda Fund I B.V. vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning vanwege een huurachterstand van negen maanden. De huurder erkent de achterstand en geeft aan dat deze is ontstaan door bedrijfsproblemen, maar wil de achterstand inlossen en heeft zich aangemeld bij het ondernemersloket.

De kantonrechter stelt vast dat de huurachterstand ernstig is en dat ondanks pogingen tot betalingsregeling de achterstand is toegenomen. De belangen van de minderjarige dochter van de huurder wegen niet zwaar genoeg om ontbinding te voorkomen, mede omdat het kind slechts een omgangsregeling heeft en niet hoofdverblijf bij de huurder heeft.

De kantonrechter wijst de vorderingen van Custodian toe, waaronder betaling van de huurachterstand, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en een gebruiksvergoeding vanaf december 2025 tot ontruiming. De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen na betekening van het vonnis en tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de huurder veroordeeld tot ontruiming en betaling van huurachterstand, rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 12012900 \ CV EXPL 25-6442
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van
CUSTODIAN VESTEDA FUND I B.V.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Custodian,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[huurder],
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder],
procederend in persoon.

1.De zaak in het kort

In deze procedure gaat het over de vraag of de huurovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden en de huurwoning moet worden ontruimd vanwege een huurachterstand.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het extract audiëntieblad rolzitting van 17 december 2025
- de brief met bijlage van 4 februari 2026 van Custodian
- de mondelinge behandeling van 10 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en het bij die gelegenheid overgelegde overzicht van de actuele huurachterstand door Custodian.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Custodian verhuurt met ingang van 9 september 2021 aan [huurder] de woning aan het [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt op dit moment € 1.082,72 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
3.2.
[huurder] heeft (een deel van) de huur niet betaald. Custodian heeft [huurder] aangemaand op 15 mei 2025 en 12 juni 2025 om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.
3.3.
Custodian heeft [huurder] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. [huurder] heeft daarop niet afwijzend gereageerd. Custodian heeft [huurder] daarna bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering.

4.Het geschil

4.1.
Custodian vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van € 7.493,76 aan huurachterstand met nevenvorderingen.
4.2.
Custodian legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [huurder] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Sinds de dagvaarding is de huurachterstand verder toegenomen. Hoewel de huur over de maand februari 2026 in eerste instantie was betaald is dit bedrag later gestorneerd, zodat de huurachterstand tot en met februari 2026 negen maanden bedraagt. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens Custodian de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
4.3.
[huurder] erkent de huurachterstand, maar voert aan dat de achterstand is ontstaan omdat het een tijdje niet goed is gegaan met zijn eigen bedrijf. Het is geen onwil. Sinds december 2025 is hij weer aan het werk. Hij zou graag een kans willen krijgen om de achterstand te kunnen inlossen. Hij heeft zichzelf aangemeld bij het ondernemersloket van de gemeente. [huurder] heeft geen alternatieve woonruimte. Hij heeft een dochter van elf jaar oud met wie hij een omgangsregeling heeft.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

De huurachterstand
5.1.
[huurder] heeft erkend dat er een huurachterstand is die tot en met november 2025 berekend is op een bedrag van € 7.493,76. De kantonrechter zal deze vordering daarom toewijzen.
5.2.
Het is partijen niet gelukt om tijdens de procedure een betalingsregeling af te spreken. Als [huurder] toch nog een betalingsregeling wil afspreken, moet [huurder] contact opnemen met de gemachtigde van Custodian.
Wettelijke rente
5.3.
[huurder] is te laat met het betalen van de verschillende huurtermijnen en dus zal de gevorderde wettelijke rente over de huurachterstand worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.4.
Custodian vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [huurder] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Custodian heeft aan [huurder] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Daarom zal een bedrag van € 377,54 worden toegewezen.
Ontbinding huurovereenkomst
5.5.
De kantonrechter heeft vastgesteld dat Custodian heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
5.6.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [1] De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. [2]
5.7.
Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand zeven maanden.
Daarna is de huurachterstand verder opgelopen en de huurachterstand bedraagt inmiddels negen maanden. De huurachterstand is daarom ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden.
5.8.
[huurder] heeft aangevoerd dat hij binnenkort waarschijnlijk wel kan gaan betalen. Dit heeft hij echter ook bij conclusie van antwoord gesteld en sinds die tijd is de achterstand alleen maar verder opgelopen. Hoewel de kantonrechter begrip heeft voor de financiële problemen waarin [huurder] verkeert, is de achterstand inmiddels negen maanden waarbij er vooralsnog onvoldoende uitzicht is op betaling/aflossing van de huur(achterstanden).
5.9.
[huurder] heeft nog aangevoerd dat hij een minderjarige dochter heeft met wie hij een omgangsregeling heeft.
5.10.
De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind, de belangen van kinderen een eerste overweging moeten vormen. Dat betekent niet dat een huurovereenkomst met een huurder met een minderjarig kind niet mag worden ontbonden. De ouders van een minderjarig kind zijn in principe verantwoordelijk voor tekortkomingen die tot een ontbinding en daaropvolgende ontruiming kunnen leiden. Het ligt dan ook in de eerste plaats op de weg van de ouders zelf om de nadelige effecten van de ontbinding en ontruiming voor hun kind zoveel mogelijk te beperken. Er bestaat de mogelijkheid om, indien daarbij hulp nodig is, hulpverlenende instanties in te schakelen. Als er toch een noodsituatie dreigt, bijvoorbeeld omdat het kind letterlijk op straat komt te staan, dan kan dat – mede afhankelijk van de overige omstandigheden – een belemmering voor ontruiming zijn. Gebleken is echter dat het minderjarige kind niet haar hoofdverblijf heeft bij [huurder] en dat zij in het kader van een omgangsregeling alleen om de week gedurende het weekend en de helft van de vakanties bij [huurder] verblijft. Gelet op deze informatie ziet de kantonrechter geen belemmering in het kader van artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind voor een ontbinding en ontruiming.
5.11.
Verder neemt de kantonrechter in haar overweging mee dat Custodian reeds eerder vanwege huurachterstanden een incassoprocedure heeft moeten starten waaruit volgt dat het niet de eerste keer is dat [huurder] toerekenbaar tekort schiet.
5.12.
Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat een ontbinding in deze gerechtvaardigd is.
5.13.
De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen. [huurder] zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.
Betaling tot ontruiming
5.14.
Custodian wil ook dat [huurder] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 1.082,72, te rekenen vanaf de maand december 2025 tot het moment dat [huurder] het gehuurde ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [huurder] nog in het gehuurde verblijft. Deze vordering zal ook worden toegewezen.
Proceskosten
5.15.
[huurder] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Custodian worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.553,14

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het [adres],
6.2.
veroordeelt [huurder] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Custodian zijn, en de sleutels af te geven aan Custodian,
6.3.
veroordeelt [huurder] om te betalen aan Custodian:
- € 7.493,76 aan achterstallige huur tot en met november 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
- € 1.082,72 per maand vanaf december 2025 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
6.4.
veroordeelt [huurder] om aan Custodian te betalen een bedrag van € 377,54 aan buitengerechtelijke kosten,
6.5.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.553,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:265 BW Pro.
2.HR 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1810)