ECLI:NL:RBZWB:2026:1915

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
02-231460-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 57 SrArt. 241 SrArt. 240 SrArt. 300 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor vier keer opzetaanranding met gevangenisstraf en schadevergoeding

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 18 maart 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van vijf feiten, waaronder vier keer opzetaanranding en één keer mishandeling. De feiten vonden plaats tussen 31 juli en 2 september 2025 in de gemeenten Leudal en een andere plaats.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan vier keer opzetaanranding door onverhoeds naar de borsten van de aangeefsters te grijpen en één keer een klap op de billen te geven. De mishandeling op 16 augustus 2025 werd niet bewezen verklaard vanwege gebrek aan opzet. Verdachte werd vrijgesproken van deze mishandeling.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 150 dagen op, met aftrek van voorarrest, welke straf reeds was uitgezeten. Daarnaast werd een schadevergoeding van €775 toegewezen aan een benadeelde partij voor materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 2 augustus 2025. De overige schadevordering werd niet-ontvankelijk verklaard en kan bij de burgerlijke rechter worden ingediend.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 150 dagen gevangenisstraf voor vier keer opzetaanranding en vrijgesproken van mishandeling, met toekenning van een schadevergoeding van €775 aan een benadeelde partij.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-231460-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 18 maart 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Irak) op [geboortedag] 1986,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsman: mr. R.S. Vriend, advocaat te Middelburg.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 maart 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.C. Fimerius en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenkingen komen er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: op 31 juli 2025 [aangeefster 1] heeft aangerand;
feit 2: op 1 augustus 2025 een (nog onbekend gebleven) persoon heeft aangerand;
feit 3: op 2 augustus 2025 [aangeefster 2] heeft aangerand;
feit 4: op 16 augustus 2025 [aangeefster 3] heeft mishandeld;
feit 5: op 2 september 2025 [aangeefster 4] heeft aangerand.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vier keer opzetaanranding en daarnaast aan een mishandeling. De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangiftes en overige bewijsmiddelen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring van de aanrandingen aan het oordeel van de rechtbank. Voor wat betreft de mishandeling is de verdediging van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Verdachte heeft aangeefster [aangeefster 3] niet ten val gebracht. Indien [aangeefster 3] wel is gevallen door toedoen van verdachte, dan ontbreekt het opzet op de mishandeling van [aangeefster 3] .
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten 1, 2, 3 en 5
Gelet op de bekennende verklaring van verdachte en omdat er geen verweer is gevoerd ten aanzien van de bewezenverklaring van alle ten laste gelegde aanrandingen, zal de rechtbank zich beperken tot de vraag hoe deze aanrandingen strafrechtelijk dienen te worden gekwalificeerd.
Van opzetaanranding als bedoeld in artikel 241 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is sprake als degene die met een persoon seksuele handelingen verricht, weet dat bij die persoon daartoe de wil ontbreekt. Dit omvat ook gevallen van onverhoeds handelen. Het onverwachts en gericht op seksuele wijze betasten van iemand, getuigt van opzettelijk handelen. Diegene is zich bewust van de aantasting van de seksuele integriteit en wil de ander geen ruimte geven om zich hiertegen uit te spreken.
De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak, in alle gevallen, sprake is van opzetaanranding. Verdachte heeft telkens onverhoeds naar een borst van de aangeefsters gegrepen en heeft daarnaast één keer een klap op de billen van een tot op heden onbekend gebleven vrouw gegeven. Door zo te handelen heeft verdachte de slachtoffers geen ruimte gelaten om daarover hun wil te uiten. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat zij geen enkel aanknopingspunt heeft gevonden voor een setting waarin de slachtoffers dit soort handelen zouden hebben gewild.
Feit 4
Uit de aangifte van [aangeefster 3] volgt dat zij op 16 augustus 2025 op een bankje zat toen verdachte naar haar toe kwam. Verdachte pakte haar bij haar linker bovenbeen, waardoor zij uit balans raakte en achterover van het bankje viel. Hierdoor heeft zij pijn aan haar hoofd bekomen. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier niet is vast te stellen dat verdachte opzet had op het toebrengen van pijn of letsel aan [aangeefster 3] , ook niet in voorwaardelijke zin. Het vastpakken van een been leidt immers niet zonder meer tot een val. Dat dit in het onderhavige geval anders is, blijkt niet uit de bewijsmiddelen. Gelet hierop zal verdachte worden vrijgesproken van de mishandeling van [aangeefster 3] .
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
feit 1
op 31 juli 2025 te [plaats 1], gemeente Leudal, met een persoon, te weten [aangeefster 1] , een seksuele handeling heeft verricht, te weten
- het betasten van of aanraken van een beklede borst van die [aangeefster 1] , terwijl hij, verdachte, wist, dat bij die [aangeefster 1] daartoe de wil ontbrak;
feit2
op 1 augustus 2025 te [plaats 1], gemeente Leudal, met een nog onbekend van naam gebleven persoon, een seksuele handeling heeft verricht, te weten
- het betasten van of aanraken van de beklede billen van die nog onbekend gebleven persoon, terwijl hij, verdachte, wist, dat bij die nog onbekend van naam gebleven persoon daartoe de wil ontbrak;
feit3
op 2 augustus 2025 te [plaats 1], gemeente Leudal, met een persoon, te weten [aangeefster 2] een seksuele handeling heeft verricht, te weten
- het betasten van of aanraken van een beklede borst van die [aangeefster 2] , terwijl hij, verdachte, wist, dat bij die [aangeefster 2] daartoe de wil ontbrak;
feit5
op 2 september 2025 te [plaats 2] met een persoon, te weten [aangeefster 4]
een seksuele handeling heeft verricht, te weten
- het betasten van of aanraken van de beklede borsten van die [aangeefster 4] , terwijl hij, verdachte, wist, dat bij die [aangeefster 4] daartoe de wil ontbrak;
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 3 jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in een periode van een maand schuldig gemaakt aan vier opzetaanrandingen door onverhoeds naar de borsten van de aangeefsters te grijpen en door een klap op de billen van een vrouw te geven. Verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers. Dit soort feiten zijn naar en indringend en dragen bovendien bij aan algemene gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. Het kan er daarnaast voor zorgen dat het gevoel van veiligheid, waar de slachtoffers recht op hebben, voor langere tijd wordt weggenomen. Dat het voorval veel met een van de slachtoffers heeft gedaan, blijkt ook uit haar schriftelijke slachtofferverklaring.
De persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 27 oktober 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het voorgeleidingsconsult van 25 september 2025, opgemaakt door [psycholoog] . Hieruit volgt dat er geen aanwijzingen zijn voor psychiatrische problematiek in de zin van een psychose, manie of depressie. Ook lijkt geen sprake te zijn van contactuele beperkingen of forse intellectuele beperkingen. De stemmen die verdachte zou hebben gehoord, lijken niet zozeer het gevolg te zijn geweest dan wel de aard te hebben gehad van auditieve hallucinaties.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 27 februari 2026, waarin wordt aangegeven dat zij niet kan adviseren of interventies en/of toezicht noodzakelijk zijn en kunnen leiden tot daadwerkelijke gedragsverandering. Enerzijds ziet zij noodzaak voor begeleiding en een (ambulante) behandelverplichting, ondanks dat een stoornis in het NIFP-consult niet werd geconstateerd. Anderzijds wordt opgemerkt dat de uitvoerbaarheid en haalbaarheid sterk beperkt worden door de onzekere verblijfsstatus van verdachte. Het recidiverisico wordt als gemiddeld ingeschat. Indien de rechtbank het noodzakelijk acht, adviseert de reclassering een meldplicht en ambulante behandeling met mogelijkheid tot kortdurende opname als bijzondere voorwaarden op te leggen.
Strafoplegging
Gelet op al het voorgaande en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen met aftrek van voorarrest passend en geboden. De rechtbank verstaat dat verdachte deze straf reeds heeft uitgezeten.

7.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [aangeefster 2] vordert een schadevergoeding van € 1.275,00 voor feit 3.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 775,00, waarvan € 25,00 materiële schade en 750,00 immateriële schade. Een vergoeding van € 750,00 oordeelt de rechtbank billijk gelet op de aard en ernst van de aantasting en de gestelde en niet weersproken gevolgen daarvan. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezen verklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Voor zover de vordering ter vergoeding van schade als gevolg van het immateriële nadeel een bedrag van € 750,00 te boven gaat, is die onvoldoende onderbouwd. Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 2 augustus 2025.
De rechtbank zal daarnaast de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.(vul naam in van de benaddelde partij met alleen voorletters)

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 57 en 241 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het onder 4 ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feiten 1, 2, 3 en 5:telkens opzetaanranding
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 150 (honderdvijftig) dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster 2] van € 775,00, waarvan € 25,00 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 2 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [aangeefster 2] , € 775,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 2 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 7 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Louwerse voorzitter, en mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. B. Akdikan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis, griffier,
en is uitgesproken ter de openbare zitting op 18 maart 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 31 juli 2025 te [plaats 1], gemeente Leudal, althans in Nederland,
met een persoon, te weten [aangeefster 1] ,
een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het betasten van en/of aanraken van de/een beklede borst(en) van die [aangeefster 1]
,
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die
daartoe de wil ontbrak;
(art 240 Wetboek Pro van Strafrecht, art 241 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
2
hij op of omstreeks 1 augustus 2025 te [plaats 1], gemeente Leudal, althans in
Nederland,
met een (nog onbekend van naam gebleven) persoon,
een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het betasten van en/of aanraken van de/een beklede bil(len) van die (nog
onbekend gebleven) persoon,
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die
(nog onbekend van naam gebleven) persoon daartoe de wil ontbrak;
(art 240 Wetboek Pro van Strafrecht, art 241 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
3
hij op of omstreeks 2 augustus 2025 te [plaats 1], gemeente Leudal, althans in
Nederland,
met een persoon, te weten [aangeefster 2]
een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het betasten van en/of aanraken van de/een beklede borst(en) van die [aangeefster 2] ,
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die
[aangeefster 2] daartoe de wil ontbrak;
(art 240 Wetboek Pro van Strafrecht, art 241 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
4
hij op of omstreeks 16 augustus 2025 te [plaats 1], gemeente Leudal, althans in
Nederland,
[aangeefster 3] heeft mishandeld, door die [aangeefster 3] ten val te brengen;
(art 300 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
5
hij op of omstreeks 2 september 2025 te [plaats 2]
met een persoon, te weten [aangeefster 4]
een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het betasten van en/of aanraken van de/een beklede borst(en) van die [aangeefster 4] ,
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die
[aangeefster 4] daartoe de wil ontbrak;
(art 240 Wetboek Pro van Strafrecht, art 241 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)