ECLI:NL:RBZWB:2026:193
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde woning in gemeente Sluis
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande recreatiewoning in de gemeente Sluis. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2022 vast op €600.000, welke na bezwaar werd verlaagd naar €574.000. Belanghebbende stelde dat de waarde te hoog was en verzocht om een correctie met terugwerkende kracht tot 2021, hetgeen de rechtbank niet in behandeling kon nemen omdat het beroep alleen betrekking had op het belastingjaar 2023.
De rechtbank beoordeelde de waarde aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen in de omgeving werden gebruikt. De heffingsambtenaar had een taxatierapport overgelegd waarin de waarde was vastgesteld op €646.000, maar na correcties was de waarde vastgesteld op €574.000. Belanghebbende betwistte onder meer de oppervlaktebepaling en het gelijkheidsbeginsel, maar slaagde hier niet in omdat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de objectkenmerken correct waren toegepast en dat een verschil in waarde met een vergelijkbaar object was veroorzaakt door een incidentele fout die was hersteld.
De rechtbank concludeerde dat de gebruikte referentiewoningen voldoende vergelijkbaar waren en dat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met verschillen tussen de woningen. De stellingen van belanghebbende over grote waardeverschillen in de omgeving werden niet met stukken onderbouwd en konden daarom niet worden gevolgd. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd blijven.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €574.000 wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB gehandhaafd.