Op 28 augustus 2025 werd verdachte betrapt terwijl hij samen met een vriend rookwaren uit een auto haalde, die kort daarvoor met geweld waren gestolen. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wist dat de rookwaren van diefstal afkomstig waren en deze voorhanden had.
De verdediging voerde aan dat verdachte geen feitelijke zeggenschap had over de goederen en niet wist dat deze gestolen waren, maar deze verweren werden verworpen. Verdachte heeft een verleden van vermogensdelicten en liep op het moment van het delict een proeftijd.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 10 weken op, waarvan 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, gekoppeld aan bijzondere voorwaarden zoals behandeling bij forensische verslavingszorg, begeleiding en middelencontrole. Een taakstraf werd niet opgelegd vanwege de lichamelijke gesteldheid van verdachte.
De straf is mede bedoeld om recidive te voorkomen en verdachte te behandelen voor zijn problematiek. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht op de straf.