ECLI:NL:RBZWB:2026:1940

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
C/02/437549 / HA ZA 25-400 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van Noort
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:37 BWArt. 6:162 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot verwijdering kippenhok wegens verjaring en onvoldoende onderbouwing onrechtmatige hinder

Eiseres vordert dat gedaagde haar kippenhok, kippenren en schuur verwijdert vanwege vermeende inbreuk op eigendomsrecht en onrechtmatige hinder door ongedierte. Gedaagde voert verjaring aan en betwist de hinder.

De rechtbank oordeelt dat de vermeende inbreuk door een rubberoidslab meer dan 20 jaar geleden is aangebracht en daarmee verjaard is. De stelling dat de verjaringstermijn later is begonnen wordt verworpen. Er is geen toereikende grondslag voor de vordering op dit punt.

Ten aanzien van onrechtmatige hinder is onvoldoende objectief bewijs geleverd dat het kippenhok daadwerkelijk ongedierteoverlast veroorzaakt in de garage van eiseres. Het rapport van EcoPest vermeldt sporen van ongedierte, maar niet de omvang of locatie, noch de directe oorzaak. Gedaagde heeft bovendien maatregelen getroffen om ongedierte te voorkomen.

De rechtbank wijst daarom de vorderingen af en veroordeelt eiseres in de proceskosten.

Uitkomst: Vordering tot verwijdering kippenhok en schuur afgewezen wegens verjaring en onvoldoende bewijs onrechtmatige hinder.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: C/02/437549 / HA ZA 25-400
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. B.W.P.R. van den Bemt,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. N. van Dijke.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 24 september 2025 en de daarin genoemde stukken,
- de akte eiswijziging,
- de mondelinge behandeling van 3 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waaraan de spreekaantekeningen van mr. Van Dijke zijn gehecht.
1.2.
Ter zitting is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is eigenaresse van het perceel aan [adres 1] te [plaats] . [gedaagde] is eigenaresse van het daar tegenaan gelegen perceel aan [adres 2] .
2.2.
Tegen de erfgrens van beide percelen is op het perceel van [eiser] een garage gebouwd en op het perceel van [gedaagde] een schuur met kippenren en kippenhok.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat – uitvoerbaar bij voorraad:
[gedaagde] te veroordelen om binnen 4 weken na heden het kippenhok dan wel schuur, kippenren en kippenhok te (laten) verwijderen, met een dwangsom van € 250,= per dag dat [gedaagde] niet aan de veroordeling voldoet;
met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure, inclusief nakosten en vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, inclusief nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Kern van het geschil
4.1.
[eiser] stelt dat [gedaagde] inbreuk maakt op haar eigendom door zonder toestemming haar kippenhok aan de garage van [eiser] vast te maken. Voorts stelt [eiser] dat het kippenhok voor onrechtmatige hinder zorgt doordat ratten en muizen worden aangetrokken die zich vervolgens in haar garage nestelen.
4.2.
[gedaagde] voert aan dat alleen een rubberoidslab (die voorkomt dat vocht/regen en tuimateriaal/bladeren tussen de schuur en de garage komt) vanaf haar schuur aan de garagemuur van [eiser] is bevestigd. Het kippenhok en de kippenren bevinden zich aan de zijde van de schuur en zijn niet verbonden aan de garage van [eiser] . De huidige situatie bestaat al sinds omstreeks 1970, zodat de vordering is verjaard. Voor wat betreft de gestelde onrechtmatige hinder voert [gedaagde] aan dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat daadwerkelijk sprake is van hinder. In het kippenhok verblijven bovendien slechts twee kippen en [gedaagde] heeft maatregelen genomen om het aantrekken van ongedierte tegen te gaan.
Inbreuk eigendomsrecht
4.3.
Uit de stellingen van partijen maakt de rechtbank op dat de gestelde eigendoms-inbreuk bestaat uit een rubberoidslab tussen de schuur van [gedaagde] en de garage van [eiser] die reeds meer dan 20 jaar geleden is aangebracht. De vordering van [eiser] tot opheffing van deze inbreuk is daarom verjaard. De stelling van [eiser] dat de verjaringstermijn minder dan 20 jaar geleden is gaan lopen, passeert de rechtbank. De aanwezigheid van de schuur en de rubberoidslab was na de bouw van de schuur en het aanbrengen van de slab niet meer van toestemming van de echtgenoot van [eiser] afhankelijk. Overigens is gesteld noch gebleken dat de toestemming (mede) zag op de rubberoidslab. Voor zover het aanbrengen van de rubberoidslab een inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser] inhield, is de verjaringstermijn de dag na het aanbrengen gaan lopen.
4.4.
Voor zover de vorderingen van [eiser] rusten op de stelling dat [gedaagde] inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [eiser] , bestaat dus geen toereikende grondslag voor deze vorderingen.
Onrechtmatige hinder
4.5.
Onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW Pro houdt in dat de eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 BW Pro onrechtmatig is aan eigenaars van andere erven hinder mag toebrengen. De beantwoording van de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is in de zin van artikel 5:37 BW Pro, hangt af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid, mede gelet op de daaraan verbonden kosten, en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te nemen. Voor een geslaagd beroep op onrechtmatige hinder is vereist dat sprake is van hinder die als onrechtmatig gekwalificeerd kan worden. Bij de vaststelling daarvan gaat het om objectieve gegevens en niet om wat in de subjectieve beleving van de betrokkenen als hinder kan worden ervaren.
4.6.
[eiser] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat – door de aanwezigheid van het kippenhok – zodanig veel ongedierte zich in haar garage heeft genesteld dat zij daarvan geen gebruik meer kan maken. Ter onderbouwing van haar stelling heeft [eiser] een rapport van EcoPest d.d. 20 september 2024 overgelegd. EcoPest maakt in de rapportage melding van knaagsporen en uitwerpselen van muizen en ratten. Ook maakt EcoPest melding van de aanwezigheid van kippen en een composthoop bij [gedaagde] in de tuin. Bij e-mail van 6 november 2024 schrijft Ecopest aanvullend dat kippen die de hele dag voedsel en water ter beschikking hebben voor ratten en muizen een vijfsterren restaurant zijn.
4.7.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] haar vorderingen uit onrechtmatige hinder onvoldoende heeft onderbouwd. Allereerst heeft [eiser] onvoldoende (objectief) aangegeven op welke wijze en in welke mate zij last heeft van ongedierte in haar garage. Dit volgt ook niet uit het rapport van EcoPest. Daarin valt immers alleen te lezen dat sporen van ongedierte zijn aangetroffen, maar niet in welke omvang. Ook is niet bekend waar in de garage [eiser] dan wel EcoPest de (sporen van) ratten en muizen heeft aangetroffen en wat [eiser] heeft gedaan om de ratten en muizen uit haar garage te houden. Evenmin is toegelicht waarom [eiser] haar garage vanwege ratten en muizen niet meer zou kunnen gebruiken. Een gedegen onderbouwing op deze punten mocht van haar wel verwacht worden, omdat [gedaagde] de overlast nadrukkelijk heeft betwist.
Daarnaast heeft [eiser] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de kippen van [gedaagde] de oorzaak zijn van ongedierte in haar garage. Dat EcoPest aangeeft dat het voedsel en water van de kippen aantrekkelijk is voor ratten en/of muizen, wil nog niet zeggen dat dit ook daadwerkelijk de (enige) oorzaak is. Een gedegen onderbouwing mocht ook op dit punt van [eiser] worden verwacht, mede omdat [gedaagde] heeft toegelicht dat zij al vanaf 2020 een trapbak hanteert voor het voer van de kippen, juist om de aanwezigheid van ongedierte te voorkomen. Ook heeft [gedaagde] gesteld dat zij het kippenvoer in de schuur afgesloten bewaart, dat ze heeft getest of ongedierte in haar schuur komt om te eten (hetgeen niet het geval is) en heeft gewezen op de bosrijke omgeving waarin partijen wonen.
4.8.
Gelet op het voorgaande en omdat door [eiser] geen andere onderbouwing aan haar vorderingen is gegeven, zullen de vorderingen worden afgewezen.
Proceskosten
4.9.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.826,00
4.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.826,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr Van Noort en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.