ECLI:NL:RBZWB:2026:1945

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
BRE 25/2499
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank vernietigt niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen invordering dwangsom recreatiewoning

Eisers, eigenaren van een recreatiewoning, kregen meerdere last onder dwangsom opgelegd wegens het permanent bewonen van de woning in strijd met het bestemmingsplan en het Omgevingsplan. Na een dwangsombesluit van € 50.000,- volgde een invorderingsbesluit dat eisers betwistten. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van bezwaargronden.

De rechtbank beoordeelde dat het bezwaar wel degelijk concrete gronden bevatte, mede gelet op een brief van eisers met een bijgevoegde zienswijze waarin zij bezwaar maakten tegen de invordering en de hoogte van de dwangsom. Het college had nagelaten om nadere toelichting te vragen en ging te snel over tot niet-ontvankelijkverklaring.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het griffierecht aan eisers vergoed. De inhoudelijke beoordeling van het invorderingsbesluit blijft buiten beschouwing in deze procedure.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar en draagt het college op een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2499

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaak tussen

[eisers] , uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland, het college.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers waarbij hun bezwaarschrift door het college niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet indienen van bezwaargronden. Eisers zijn het niet eens met dit besluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college ten onrechte het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk heeft verklaard
.Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 25 maart 2025 (bestreden besluit) waarbij hun bezwaarschrift door het college niet-ontvankelijk is verklaard.
2.1.
Het beroep heeft op 21 augustus 2025 op zitting gestaan om afspraken te maken over het verdere verloop van deze procedure. Aan eisers is een nadere termijn geboden voor het indienen van gronden.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 inhoudelijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] namens het college. Eisers en hun gemachtigde waren niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. Eisers waren ten tijde van belang eigenaren van de recreatiewoning op het perceel [perceel] in [woonplaats] .
3.1.
Het college heeft met een besluit van 27 januari 2022 een last onder dwangsom opgelegd aan eisers van € 25.000,- in verband met het in strijd met het toenmalige bestemmingsplan gemeente Schouwen-Duivenland ‘Recreatieterreinen’ permanent bewonen van de recreatiewoning. Na afloop van de begunstigingstermijn ging het college met het besluit van 6 juni 2023 over tot invordering. Deze besluiten zijn onherroepelijk geworden.
3.2.
Het college heeft met een besluit van 9 januari 2024 opnieuw een last onder dwangsom aan eisers opgelegd wegens het in strijd met het Omgevingsplan bewonen van de recreatiewoning als hoofdverblijf. De hoogte van de tweede dwangsom is vastgesteld op een bedrag van € 50.000,- in één keer, met een begunstigingstermijn tot 22 april 2024. Dit dwangsombesluit is ook onherroepelijk geworden.
Het invorderingsbesluit
4. Het college heeft op 17 juli 2024 het voornemen kenbaar gemaakt om de dwangsom van 9 januari 2024 in te vorderen. Na afloop van de begunstigingstermijn constateerde het college dat eisers de recreatiewoning nog steeds permanent bewoonden.
4.1.
Op 30 juli 2024 hebben eisers een pro-forma bezwaarschrift ingediend.
4.2.
Het college heeft met een e-mail van 2 augustus 2024 eisers meegedeeld dat het bezwaar als prematuur wordt aangemerkt, omdat het voor aanvang van de bezwaartermijn is ingediend. De brief waartegen het bezwaar is gericht, betreft slechts een voornemen. Daarbij is aangegeven dat eisers, zodra een besluit is genomen, nog zes weken de tijd hebben om de gronden in te dienen.
4.3.
Met het besluit van 16 augustus 2024 (primaire besluit) heeft het college besloten de dwangsom van € 50.000,- die was verbeurd op grond van de beslissing van 9 januari 2024, in te vorderen.
4.4.
Op diezelfde datum heeft het college aan eisers een derde last onder dwangsom opgelegd van € 100.000 wegens het in strijd met het Omgevingsplan bewonen van de recreatiewoning als hoofdverblijf. Dat besluit ligt in deze procedure niet ter beoordeling voor.
4.5.
Op 19 september 2024 hebben eisers een brief naar het college verstuurd. Hierin is onder meer vermeld: “
Betreft: Bezwaar besluit [nummer] LOD familie [eisers] ”.
4.6.
De commissie bezwaarschriften van de gemeente Schouwen-Duiveland (hierna: de commissie) heeft op 10 februari 2025 haar advies kenbaar gemaakt aan het college. Geadviseerd wordt om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. De commissie overwoog daarbij dat het college eisers op 2 augustus 2024 heeft laten weten dat het pro-forma bezwaar van 30 juli 2024 als prematuur wordt beschouwd en dat zij tot zes weken de tijd hebben gronden in te dienen nadat het besluit is verstuurd. Daarbij is aangegeven dat als zij niet, of niet op tijd, het bezwaar aanvullen, het niet-ontvankelijk wordt verklaard. Aan eisers is de mogelijkheid geboden het verzuim te herstellen, maar dat hebben zij niet gedaan. Het bezwaar tegen de derde last onder dwangsom van € 100.000 is doorgezet, maar de procedure tegen het invorderingsbesluit van de tweede last onder dwangsom van € 50.000 niet. De commissie heeft hieruit afgeleid dat eisers berusten in dat invorderingsbesluit.
4.7.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eisers tegen het invorderingsbesluit niet-ontvankelijk verklaard. Het college heeft daarbij het advies van de commissie overgenomen.
Wat is de omvang van het geding?
5. Ter beoordeling ligt aan de rechtbank voor of het college het bezwaar van eisers terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De inhoudelijke gronden die eisers in hun beroepschrift hebben aangevoerd over het invorderen van de dwangsom, vallen daarom buiten de omvang van dit geding.
Welke gronden hebben eisers aangevoerd tegen de niet-ontvankelijk verklaring?
6. Eisers stellen dat zij op 19 september 2024 bezwaargronden hebben ingediend tegen het besluit tot invordering van de last onder dwangsom van € 50.000. Volgens eisers hebben zij op 19 september 2024 “in enen” bezwaar ingediend tegen het opleggen van een derde last onder dwangsom van € 100.000 en tegen het invorderingsbesluit van de tweede last onder dwangsom van € 50.000. Eisers zijn het dan ook niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaar.
Heeft het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?
7. Het college is primair van mening dat eisers geen bezwaargronden hebben ingediend tegen het invorderingsbesluit. Daarbij wijst het college expliciet op de volgende zinsnede uit de brief van 19 september 2024: “
Dit bezwaar richt zich tegen het besluit om familie [eisers] een hernieuwde herhaalde dwangsom op te leggen omdat het college meent dat er heus genoeg woningen zijn in Nederland en het College niet wil dat de familie [eisers] in de enige woning wonen die zij tot hun beschikking hebben”.Daaruit leidt het college af dat eisers alleen bezwaargronden hebben ingediend tegen het opleggen van de derde last onder dwangsom van € 100.000.
7.1.
In artikel 6:5, eerste lid onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat dat het bezwaarschrift ten minste de gronden van het bezwaar bevat. Indien niet wordt voldaan aan dit vereiste, kan op grond van artikel 6:6, onder a, van de Awb een bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard.
7.2.
Met de gronden worden de redenen bedoeld die de indiener heeft om het besluit vernietigd, herroepen of gewijzigd te krijgen. In het algemeen worden geen hoge eisen gesteld aan de motivering van een bezwaar- of beroepschrift. Ook met een minimale motivering van het bezwaar kan daarom al worden aangenomen dat is voldaan aan het vereisten van artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Awb. Dit neemt niet weg dat er wel een concrete bezwaargrond moet bestaan.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarbij betrekt de rechtbank allereerst dat brief van 19 september het volgende onderwerp vermeldt: “
Betreft: bezwaar besluit [nummer] LOD familie [eisers]”. Uit de stukken blijkt dat zowel het invorderingsbesluit dat in deze procedure voorligt als het besluit tot opleggen van de derde last onder dwangsom hetzelfde kenmerknummer gebruiken. Hieruit kan daarom niet zonder meer worden afgeleid tegen welk besluit eisers hun bezwaargronden indienden. Hoewel het, zoals het college stelt, juist is dat in de brief van 19 september 2024 wordt gesproken over het opleggen van een last onder dwangsom en niet over het invorderen daarvan, wordt in diezelfde brief ook verwezen naar een zienswijze die als bijlage is gevoegd. Tijdens de zitting heeft de rechtbank de volgende passages uit deze zienswijze aan de vertegenwoordigers van het college voorgehouden:
  • “En u wil toch dat ze ergens anders gaan wonen, en wel snel want anders komt er een boete aan van € 50.000!!”
  • “En jullie beboeten deze 2 mensen (voor de 2de keer!!!) […].”
  • “Ik vind € 50.000 omdat je in je enige woning woont best een fors bedrag voor ons normale mensen […].”
7.4.
Uit de brief van 19 september 2024 en de daarbij gevoegde zienswijze kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat eisers in elk geval bezwaren hebben tegen onder meer de evenredigheid van het invorderen van een dwangsom van € 50.000 en de financiële consequenties daarvan. Ook hebben eisers gewezen op het (intimiderend) handelen van toezichthouders tijdens uitgevoerde controles. Deze opmerkingen hebben daarmee niet uitsluitend betrekking op het opleggen van een last onder dwangsom, maar zien naar het oordeel van de rechtbank (mede) op het invorderen van de tweede last onder dwangsom. Daarmee bevatten de brief en de bijlage concrete bezwaargronden tegen het invorderingsbesluit als bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Awb.
7.5.
Dat het college ter zitting subsidiair heeft gesteld dat het niet goed wist hoe deze opmerkingen inhoudelijk moesten worden geduid, maakt dit oordeel niet anders. Indien het college meende dat de gronden onduidelijk of onvoldoende uitgewerkt waren, had het college eisers in de gelegenheid kunnen stellen hun bezwaar nader toe te lichten. Het ontbreken van een uitgebreide motivering rechtvaardigt echter niet zonder meer een niet-ontvankelijkverklaring. Des temeer omdat een niet-ontvankelijkverklaring een verstrekkende beslissing is.
7.6.
Daarbij acht de rechtbank van belang dat het college eerder, bij het prematuur ingediende pro-forma bezwaarschrift van 30 juli 2024, wel contact met eisers heeft opgenomen om nadere informatie te verkrijgen. Het had daarom ook hier in de rede gelegen om eerst nadere toelichting te vragen voordat tot niet-ontvankelijkverklaring werd overgegaan.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond omdat het college ten onrechte het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over het invorderingsbesluit te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan het college op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat deze zaak tot nu toe alleen ging over de ontvankelijkheid van het bezwaar.
8.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 25 maart 2025;
- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Wilbrink, griffier, op 17 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.