Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaak tussen
[eisers] , uit [woonplaats] , eisers
Samenvatting
.Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
Betreft: Bezwaar besluit [nummer] LOD familie [eisers] ”.
Dit bezwaar richt zich tegen het besluit om familie [eisers] een hernieuwde herhaalde dwangsom op te leggen omdat het college meent dat er heus genoeg woningen zijn in Nederland en het College niet wil dat de familie [eisers] in de enige woning wonen die zij tot hun beschikking hebben”.Daaruit leidt het college af dat eisers alleen bezwaargronden hebben ingediend tegen het opleggen van de derde last onder dwangsom van € 100.000.
Betreft: bezwaar besluit [nummer] LOD familie [eisers]”. Uit de stukken blijkt dat zowel het invorderingsbesluit dat in deze procedure voorligt als het besluit tot opleggen van de derde last onder dwangsom hetzelfde kenmerknummer gebruiken. Hieruit kan daarom niet zonder meer worden afgeleid tegen welk besluit eisers hun bezwaargronden indienden. Hoewel het, zoals het college stelt, juist is dat in de brief van 19 september 2024 wordt gesproken over het opleggen van een last onder dwangsom en niet over het invorderen daarvan, wordt in diezelfde brief ook verwezen naar een zienswijze die als bijlage is gevoegd. Tijdens de zitting heeft de rechtbank de volgende passages uit deze zienswijze aan de vertegenwoordigers van het college voorgehouden:
- “En u wil toch dat ze ergens anders gaan wonen, en wel snel want anders komt er een boete aan van € 50.000!!”
- “En jullie beboeten deze 2 mensen (voor de 2de keer!!!) […].”
- “Ik vind € 50.000 omdat je in je enige woning woont best een fors bedrag voor ons normale mensen […].”