ECLI:NL:RBZWB:2026:1946

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
BRE 25/4945
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:15 AwbArt. 6:12 AwbArt. 6:20 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens tijdig besluit UWV herbeoordeling WIA-uitkering

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het volgens haar niet tijdig had beslist op haar aanvraag om herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van een (ex-)werkneemster op grond van de WIA. De rechtbank beoordeelt dat het UWV met één besluit van 25 april 2025, hersteld op 22 mei 2025, op beide aanvragen heeft beslist.

Hoewel het UWV stelt dat dit besluit ook aan eiseres is verzonden, blijkt uit de stukken niet dat dit duidelijk is gecommuniceerd. Hierdoor heeft eiseres het beroep niet ten onrechte ingesteld. Omdat het besluit inmiddels is genomen, heeft eiseres geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het niet tijdig beslissen, waardoor het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

De rechtbank verwijst het beroep tegen het besluit van 22 mei 2025 naar het UWV ter behandeling als bezwaar en bepaalt dat het UWV het griffierecht en proceskosten aan eiseres moet vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 18 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit wordt doorverwezen als bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4945

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: P. Borghs),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag om herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-uitkering) van [persoon] , een (ex-)werkneemster van eiseres.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk?
3. De (ex-)werkneemster van eiseres heeft op 7 december 2023 om een herbeoordeling gezocht. Kort hierna heeft eiseres op 14 december 2023 ook om een herbeoordeling van de (ex-)werkneemster verzocht. Uit het verweerschrift is gebleken dat het UWV de bedoeling heeft gehad om met één besluit, het besluit van 25 april 2025 dat is hersteld op 22 mei 2025, te beslissen op beide aanvragen om een herbeoordeling.
3.1.
Het UWV stelt in het verweerschrift dat op 5 januari 2024 eiseres op de hoogte is gebracht van de aanvraag van de (ex-)werkneemster en dat het besluit van 25 april 2025 ook naar eiseres is verzonden. De rechtbank is echter van oordeel dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat ooit duidelijk aan eiseres kenbaar is gemaakt dat met het besluit van 25 april 2025 ook is besloten op de aanvraag van eiseres van 14 december 2023. Dat blijkt in ieder geval niet uit dat besluit, noch uit de brief waarbij een kopie van het besluit aan eiseres is gezonden. Omdat pas na het indienen van het beroepschrift niet tijdig beslissen uit het verweerschrift is gebleken dat het UWV al een besluit heeft genomen op de aanvraag van eiseres, heeft eiseres het beroep niet ten onrechte ingesteld.
3.2.
Niet is gebleken dat eiseres nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het niet tijdig nemen van een besluit door het UWV. Het besluit is immers genomen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Doorzending
4. Bij brief van 31 oktober 2025 heeft de rechtbank aan eiseres de vraag voorgelegd of zij het al dan niet eens is met de beslissing van het UWV. Eiseres heeft wel gereageerd op de brief, maar uit deze reactie blijkt niet of eiseres het eens is met de beslissing.
4.1.
Nu eiseres nog geen inhoudelijke standpunten over het (herstelde) besluit heeft ingediend, ziet de rechtbank aanleiding het beroep voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit van 22 mei 2025 te verwijzen naar het UWV ter behandeling als bezwaar. [2] Het is dan ook aan het UWV om over de ontvankelijkheid van dit bezwaarschrift te oordelen.
4.2.
Dit betekent dat de rechtbank het beroepschrift ingevolge artikel 6:15 van Pro de Awb als bezwaarschrift moet doorzenden aan het bestuursorgaan onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. Nu dit beroepschrift reeds in bezit is van het UWV zal de rechtbank dit niet opnieuw toezenden en volstaan met deze mededeling.
Proceskosten
5. Omdat eiseres het beroep niet ten onrechte heeft ingesteld moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
  • verwijst het beroep tegen het besluit van 22 mei 2025 naar het UWV ter behandeling als bezwaar;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 18 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel 6:20, vierde lid, van de Awb.