ECLI:NL:RBZWB:2026:1948

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
C/02/423887 / HA ZA 24-346 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Scheffers
  • Römers
  • De Vlieger
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:248 BWArt. 2:9 BWArt. 6:162 BWArt. 2:394 BWArt. 2:10 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijke aansprakelijkheid en bestuursverbod wegens onbehoorlijk bestuur MBMO Group B.V.

MBMO Group B.V. werd in oktober 2022 failliet verklaard. De curator vordert hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders en feitelijk leidinggevende wegens onbehoorlijk bestuur, gebaseerd op het niet tijdig deponeren van jaarrekeningen en een bedrijfsvoering die lijkt op een Ponzi-constructie.

De bestuurders en feitelijk leidinggevende hebben niet tijdig de jaarrekeningen gedeponeerd, waardoor een onweerlegbaar vermoeden van onbehoorlijk bestuur geldt. Hun verweer dat het faillissement werd veroorzaakt door de coronapandemie en de blokkade van het Suezkanaal wordt verworpen, mede omdat MBMO Group vanaf de start verlieslatend was en geen reële inkomsten genereerde.

De rechtbank oordeelt dat de bestuurders ernstig tekort zijn geschoten in hun taak en dat zij de belangen van de schuldeisers hebben veronachtzaamd. Daarom worden zij hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor het boedeltekort en wordt een bestuursverbod van vijf jaar opgelegd om toekomstige benadeling van schuldeisers te voorkomen.

Daarnaast worden de bestuurders veroordeeld tot betaling van een voorschot van €1.000.000, de proceskosten en beslagkosten. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Bestuurders en feitelijk leidinggevende worden hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor het boedeltekort en krijgen een bestuursverbod van vijf jaar opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/423887 / HA ZA 24-346
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
MR. [eiser] , handelend in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MBMO Groep B.V.,
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna ook te noemen: de curator,
advocaat: mr. S. Lagidse te Oosterhout,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 1] B.V.,
kantoorhoudende te [plaats 2] ,
niet verschenen,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 2] B.V.,
gevestigd te [plaats 3] ,
niet verschenen,
3.
[gedaagde 3],
wonende te [plaats 2] ,
advocaat: mr. I. Stolting,
4.
[gedaagde 4],
wonende te [plaats 4] ,
advocaat: mr. I. Stolting,
5.
[gedaagde 5],
wonende te [plaats 5] ,
advocaat: mr. I. Stolting te Hoogerheide,
gedaagde partijen,
hierna afzonderlijk te noemen respectievelijk: [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5]

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenvonnis van 26 februari 2025 en de daarin genoemde stukken,
– de akte aanvullende producties 51 tot en met 55 van de curator,
– de mondelinge behandeling van 28 oktober 2025, waarvan door de griffier
aantekeningen zijn gemaakt,
– de spreekaantekeningen van mr. Lagidse, zoals deze zijn overgelegd
en voorgedragen op de mondelinge behandeling.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Bij vonnis van deze rechtbank van 4 oktober 2022 is MBMO Groep B.V. (ook
handelend onder de naam MBMO Group en hierna ook zo genoemd) in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. [eiser] tot curator.
2.2.
MBMO Group werd bestuurd door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . [gedaagde 3] is enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 1] . [gedaagde 4] is bestuurder van [gedaagde 2] . Zijn zoon [gedaagde 5] is enig aandeelhouder van [gedaagde 2] en was feitelijk leidinggevende bij MBMO Group.
2.3.
MBMO Group is opgericht op 27 mei 2016. MBMO Group hield zich bezig met het verwerven van gelden van veelal particulieren, met name door het uitgeven van obligaties of door het aangaan van geldleningen tegen het aanbieden van relatief hoge rentepercentages. Dit gebeurde buiten toezicht van de AFM.
2.4.
Met betrekking tot de bedrijfsactiviteiten van MBMO Group vermeldde de website van deze vennootschap op 6 oktober 2022 het volgende:
“MBMO Group is een erkende distributeur voor bedrijven die in het buitenland willen uitbreiden.
Internationale expansie is een strategie die veel bedrijven gebruiken om nieuwe markten te betreden.
Het aanboren van een internationale markt is voor veel bedrijven noodzakelijk, maar succesvolle
internationale uitbreiding is alles behalve eenvoudig.
MBMO Group is de aangewezen partij voor bedrijven die willen toetreden tot de Zuidoost-Aziatische
markt. Als betrouwbare en ervaren distributeur garanderen wij een succesvolle toetreding tot de
Zuidoost-Aziatische consumentenmarkt. Wij hebben ons de afgelopen jaren toegelegd op de Thaise
markt en zijn gespecialiseerd in diverse snelgroeiende branches. Wij richten ons met name op
premium voedingsmiddelen en luxegoederen. Wij ondersteunen ondernemers in distributie, logistiek
management, verkoop en e-commerce in de Zuidoost-Aziatische regio en in de Benelux. Dit doen wij
door de distributie volledig in handen te nemen, door constante opzet en uitbreiding van
verkoopkanalen en door vakkundige marketing.
MBMO Group vertegenwoordigt tot op heden diverse gevestigde internationale merken. Zo zijn wij
sinds 2017 de distributeur vanZippo in Thailand.
Ook vertegenwoordigen wij veelbelovende nieuwe toetreders zoals het Noorse horlogemerkVan
Doren in Thailanden inde Benelux.
Wij positioneren ons als de schakel tussen westerse bedrijven en de Thaise consumentenmarkt. Wij
zijn niet alleen een betrouwbare distributiepartner, maar wij beschikken ook over enthousiaste
verkopers en marketeers. Wij zijn het verlengstuk van de bedrijven die wij vertegenwoordigen. Wij
zijn erg trots op de positieve en vruchtbare ontwikkelingen van de MBMO Group en hebben de
ambitie dit succes voort te zetten in Zuidoost-Azië”.
2.5.
MBMO Group heeft via haar website en periodiek via e-mailberichten
(rechts)personen uitgenodigd om obligatiehouder te worden van haar vennootschap.
2.6.
In het faillissement van MBMO Group hebben tot op heden 157 concurrente
crediteuren, waarvan 138 particuliere leninggevers c.q. obligatiehouders (hierna: de leninggevers), vorderingen ingediend ter verificatie voor een bedrag van in totaal € 6.668.339,76. Daarnaast zijn boedelvorderingen en preferente vorderingen ingediend voor een bedrag van in totaal € 554.304,51. Het huidige boedelsaldo is niet toereikend om de vorderingen te voldoen.
2.7.
Na verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, locatie Middelburg, heeft de curator ten laste van gedaagden conservatoire beslagen doen leggen op (on)roerende zaken en onder derden. Dit tot zekerheid van een op deze (rechts)personen gepretendeerde vordering uit hoofde van onbehoorlijk bestuur, door de voorzieningenrechter begroot op € 8.274.908,69, inclusief rente en kosten.

3.Het geschil

3.1.
De curator vordert, samengevat:
I. een verklaring voor recht dat gedaagden tegenover de boedel van MBMO Group
hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het gehele boedeltekort op grond van de artikelen 2:248 BW en/of 2:9 BW en/of 6:162 BW,
II. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het gehele boedeltekort, nader op te maken bij staat,
III. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 1.000.000,00,
IV. gedaagden te veroordelen tot een bestuursverbod zoals bedoeld in artikel 106a Fw voor de duur van vijf jaren vanaf de datum dat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan dan wel een periode te bepalen waarin gedaagden niet kunnen worden benoemd tot bestuurder van een rechtspersoon,
V. de griffier op te dragen dit vonnis, zodra het in kracht van gewijsde is gegaan, toe te sturen naar de Kamer van Koophandel ter uitschrijving uit het handelsregister van gedaagden als bestuurders en ter registratie van het bestuursverbod,
VI. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, waaronder begrepen de
beslagkosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn niet verschenen in deze procedure en hebben geen verweer gevoerd tegen de vorderingen van de curator. De
rechtbank heeft tegen deze gedaagden verstek verleend.
3.3.
[gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] voeren verweer tegen de
vorderingen van de curator en concluderen de curator in zijn vorderingen niet ontvankelijk
te verklaren, althans de vorderingen van de curator af te wijzen en de curator te veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.4.
Op hetgeen [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] ter ondersteuning van hun standpunten hebben aangevoerd, zal hierna bij de beoordeling – voor zover van belang – nader worden ingegaan.

4.De beoordeling

vonnis op tegenspraak
4.1.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend. Op grond van het bepaalde in artikel 140 lid 3 Rv Pro zal tussen alle partijen één vonnis worden gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak tussen alle partijen wordt beschouwd.
onbehoorlijk bestuur?
4.2.
De curator legt aan de door hem gevorderde verklaring voor recht en zijn vordering tot betaling van (een voorschot op de) schadevergoeding ten grondslag, dat [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] als (indirect) bestuurders van MBMO Group en [gedaagde 5] als feitelijk leidinggevende van MBMO Group op grond van artikel 2:248 BW Pro dan wel op grond van de artikelen 2:9 BW en 6:162 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het bedrag gelijk aan het tekort in het faillissement van MBMO Group wegens onbehoorlijk bestuur.
4.3.
Artikel 2:248 lid 1 BW Pro bepaalt kortweg dat als sprake is geweest van een kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur van een vennootschap én aannemelijk is dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van de vennootschap, iedere bestuurder tegenover de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het bedrag van het boedeltekort. Uitgangspunt is dat de stelplicht en de bewijslast op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro op de curator rusten.
4.4.
Op grond van het bepaalde in artikel 2:248 lid 6 BW Pro kan de vordering van de curator op grond van artikel 2:248 BW Pro slechts ingesteld worden op grond van onbehoorlijke taakvervulling in de periode van drie jaren voorafgaand aan het faillissement van de vennootschap.
4.5.
Niet in geschil is dat MBMO Group in de drie jaren voorafgaand aan haar faillissement werd bestuurd door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . [gedaagde 1] werd in die tijd bestuurd door [gedaagde 3] . [gedaagde 2] door [gedaagde 4] In het geval van aansprakelijkheid als hier aan de orde, rust op grond van artikel 2:11 BW Pro de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] ook op [gedaagde 3] en de aansprakelijkheid van [gedaagde 2] op [gedaagde 4] [gedaagde 5] was in die tijd feitelijk leidinggevende van MBMO Group en kan op grond van artikel 2:248 lid 7 BW Pro worden gelijkgesteld met een bestuurder van MBMO Group.
4.6.
Ter onderbouwing van zijn stelling dat gedaagden hun taak als bestuurders van MBMO Group onbehoorlijk hebben vervuld voert de curator allereerst aan, dat niet is voldaan aan de verplichtingen uit de artikelen 2:394 BW en 2:10 BW. De curator meent dat het bewijsvermoeden van artikel 2:248 lid 2 BW Pro moet worden toegepast.
4.7.
Artikel 2:248 lid 2 BW Pro bepaalt – voor zover van belang – dat als het bestuur van een vennootschap niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit de artikelen 2:10 BW (boekhoudplicht) of 2:394 BW (publicatieplicht), onweerlegbaar wordt vermoed dat het bestuur zijn taak over de gehele linie onbehoorlijk heeft vervuld. Ook hier geldt dat de stelplicht en bewijslast op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro in beginsel op de curator rusten.
4.8.
Op grond van artikel 2:394 lid 3 BW Pro moet een jaarrekening uiterlijk twaalf maanden na afloop van het boekjaar worden gedeponeerd. [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] (hierna gezamenlijk aangeduid als gedaagden) hebben niet weersproken dat de jaarrekening van MBMO Group over 2019 bijna acht maanden te laat is gedeponeerd en de jaarrekening over 2020 vijf maanden te laat. Een overschrijding van de termijn van enkele maanden kan niet worden aangemerkt als een onbelangrijk verzuim. Dat, zoals gedaagden aanvoeren, de cijfers tijdig gereed waren, maar dat is vergeten om ze openbaar te maken, is geen aanvaardbare verklaring voor de termijnoverschrijding en leidt niet tot een ander oordeel.
4.9.
Omdat de publicatieplicht uit artikel 2:394 BW Pro niet is nageleefd, heeft op grond van artikel 2:248 lid 2 BW Pro als onweerlegbaar vermoeden te gelden dat de taakvervulling van het bestuur van MBMO Group over de gehele linie onbehoorlijk is geweest. Om die reden behoeft de vraag of er ook schending is van de uit artikel 2:10 BW Pro voortvloeiende verplichtingen en of op grond daarvan sprake is van een onbehoorlijke taakvervulling geen bespreking meer.
4.10.
Op grond van artikel 2:248 lid 2 BW Pro wordt ook vermoed dat voornoemde onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van MBMO Group. Dat vermoeden kan door de bestuurders worden weerlegd door aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden dan de kennelijke onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest.
4.11.
Gedaagden hebben ter weerlegging van het vermoeden aangevoerd dat het faillissement van MBMO Group is veroorzaakt door met name de coronapandemie in 2020, maar ook de blokkade van het Suezkanaal in 2021. Gedaagden hebben dit als volgt toegelicht.
MBMO Group was een cruciale partner voor startups op zoek naar ondersteuning. MBMO Group bood startups de kans om efficiënt te groeien en zich te vestigen in een competitieve markt door aan deze bedrijven op maat gemaakte diensten aan te bieden, zoals marketing-, technische en logistieke ondersteuning. Daarnaast zorgde MBMO Group zo nodig ook voor de huur van een pand, personeel en het aankopen van de winkelinrichting en de winkelvoorraad. Omdat de startups financieel nog niet in staat waren de kosten daarvan te voldoen, betaalde MBMO Group deze kosten. Het aan MBMO Group verschuldigde werd vervolgens in rekening-courant geboekt met het betreffende bedrijf. Op basis van de prognoses was het bestuur ervan overtuigd dat de bedrijven waarin MBMO Group had geïnvesteerd, waaronder MBMO Asia Co ltd. (hierna: MBMO Asia) en Xlens GmbH, na enige tijd zouden renderen. Het was de bedoeling dat MBMO Group dan terugbetaald zou worden, maar zover is het niet gekomen. Zo was MBMO Asia distributeur in Thailand van consumentengoederen van het merk Von Doren, Zippo en Gaya Gold; producten met grote winstmarges. De doelgroep van deze producten waren de vele toeristen die Thailand jaarlijks ontvangt, zo’n 40 miljoen. Net toen de omzet en winst leek te komen, kwam de coronapandemie in 2020. Daardoor mochten toeristen niet meer naar Thailand afreizen. Bovendien werden alle winkels in Thailand gesloten, waardoor deze nieuw in Thailand geïntroduceerde (merk)producten niet (meer) door de plaatselijke bevolking werd gekocht. MBMO Asia moest daardoor haar onlinepositie verbeteren. Het omzetten naar een andere bedrijfsvoering, werkzaamheden die vooral door MBMO Group werden uitgevoerd, heeft veel geld gekost. In 2021 werd het Suezkanaal geblokkeerd. Ook daarvan zijn de gevolgen lang merkbaar geweest. Door de coronamaatregelen, maar ook door de blokkade in het Suezkanaal, bleven alle revenuen die vanuit Thailand werden verwacht, uit. Ook bij de andere bedrijven waarin MBMO Group had geïnvesteerd kwamen de activiteiten door de coronamaatregelen stil te liggen. Doordat geen omzet werd gegenereerd, konden de facturen van MBMO Group door de startups nog niet worden betaald. Bij het uitblijven van omzetten en het twee jaar moeten opschuiven van de prognoses, moest MBMO Group haar obligatiehouders op andere manieren tevredenstellen. Met name door het bijschrijven van de opgebouwde rente bij het oorspronkelijke investeringsbedrag, in plaats van deze rente uit te betalen aan de obligatiehouder. Er was één investeerder die daarmee geen genoegen nam. Deze investeerder heeft het faillissement van MBMO Group aangevraagd. Het bestuur hield geen rekening met een faillissement van MBMO Group. Het bestuur wilde er volledig voor gaan en zag voldoende kansen om zich gedurende de eerste jaren vanuit een aaneenschakeling van een tegenvallende economie en corona er weer bovenop te werken. Door het faillissement werd echter een streep gezet door alle investeringen en de dienstverlening en daarmee verdwenen ook de geprognotiseerde rendementen.
4.12.
De rechtbank is van oordeel dat gedaagden niet aannemelijk hebben gemaakt dat de coronamaatregelen en de blokkade van het Suezkanaal daadwerkelijk van invloed zijn geweest op het faillissement van MBMO Group.
Niet ter discussie staat dat MBMO Group vanaf de startdatum van haar onderneming verlieslatend is geweest en (eind 2021) een negatief eigen vermogen heeft opgebouwd van ruim € 4.200.000,00. Ook staat niet ter discussie dat MBMO Group met haar bedrijfsvoering geen reële inkomsten en omzet heeft gegenereerd, ook niet in de vier jaar voorafgaand aan de coronapandemie, en dat het werkkapitaal van MBMO Group bestond uit de gelden die MBMO Group van haar leninggevers had ontvangen. Van dat werkkapitaal werden de bedrijfskosten voldaan, waaronder de managementvergoedingen, en de kosten van de bedrijven waarin MBMO Group zou hebben geïnvesteerd. Niet weersproken is dat MBMO Group in de periode 2017 tot en met 2022 aanzienlijke bedragen aan haar bestuurders heeft overgemaakt. In totaal ruim € 2.200.000,00. De kosten die MBMO Group ten behoeve van de startups zou hebben betaald, heeft MBMO Group volgens gedaagden niet terugbetaald gekregen, maar zijn in rekening-courant geboekt. Dan rijst de vraag op welke wijze MBMO Group uit haar bedrijfsvoering haar leninggevers hun inleg en de aan hen beloofde rendementen (tijdig) kon (terug)betalen bij het aflopen van de obligatie. De curator heeft gedaagden meerdere malen verzocht hierover opheldering te verschaffen. In deze procedure volstaan gedaagden met de stelling dat zij er op basis van de prognoses van overtuigd waren dat de bedrijven waarin MBMO Group had geïnvesteerd na enige tijd zouden renderen en dat MBMO Group dan aan haar financieringsverplichtingen tegenover haar investeerders had kunnen voldoen. Die enkele stelling is niet voldoende. Stukken waaruit blijkt dat de prognoses deugdelijk zijn gemaakt en zijn gebaseerd op een reële en gegronde marktverwachting, hebben gedaagden niet overgelegd. Daardoor is ook onduidelijk gebleven in welke mate en op welke termijn de betreffende bedrijven zouden kunnen renderen. Ook andere stukken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat MBMO Group daadwerkelijk heeft geïnvesteerd in (potentieel succesvolle) bedrijven en dat deze bedrijven zich tegenover MBMO Group hadden verbonden tot terugbetaling, zoals rekening-courantovereenkomsten, hebben gedaagden niet overgelegd. Gedaagden hebben ter zitting aangeboden om deze stukken alsnog in het geding te brengen, maar dat aanbod moet als tardief worden gepasseerd. De curator heeft immers voorafgaand aan de procedure gedaagden al meerdere malen tevergeefs gevraagd naar (het bestaan van) die stukken. Omdat de schulden ieder jaar stegen, moest het bestuur gelet op het voorgaande weten, althans behoorde het te weten, dat de financiële situatie van MBMO Group zodanig was dat de bedrijfsvoering alleen kon worden voortgezet als nieuwe leninggevers zouden worden gevonden om de rente- en aflossingsverplichtingen van bestaande leninggevers te dekken. Gedaagden hebben namelijk niet onderbouwd dat het bestuur van MBMO Group er daadwerkelijk van uit kon gaan dat MBMO Group (tijdig) aan haar betalingsverplichtingen tegenover leninggevers kon voldoen met toekomstige inkomsten uit de startups. Zoals de curator terecht aanvoert vertoont de bedrijfsvoering van MBMO Group overeenkomsten met een zogeheten Ponzi-zwendel, waarbij rendementen aan eerdere investeerders worden uitbetaald met inleggelden van nieuwe investeerders. Dit vindt bevestiging in de overgelegde brief van ING Bank N.V. van 4 mei 2022, waarin ING Bank N.V. tot een soortgelijke conclusie komt. Gelet op deze (onhoudbare) bedrijfsvoering van MBMO Group, is de rechtbank van oordeel dat het bestuur er ernstig rekening mee had moeten houden dat MBMO Group niet in staat zou zijn om haar leninggevers (terug) te betalen en dat zij zouden worden benadeeld. Gedaagden hebben niet aannemelijk kunnen maken dat dit zonder de coronapandemie of de blokkade van het Suezkanaal anders was geweest.
gevolgen vaststelling onbehoorlijk bestuur
4.13.
Gedaagden zijn er niet in zijn geslaagd het bewijsvermoeden van artikel 2:248 lid 2 BW Pro te weerleggen. Daarmee staat vast dat hun onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van MBMO Group. Dit betekent dat gedaagden op grond van artikel 2:248 lid 1 BW Pro in samenhang gelezen met lid 7 van dat artikel en artikel 2:11 BW Pro hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het tekort in het faillissement van MBMO Group. Dit tekort moet nog worden vastgesteld. De rechtbank zal daarom voor recht verklaren dat gedaagden tegenover de boedel van MBMO Group hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het gehele boedeltekort op grond van artikel 2:248 BW Pro en gedaagden hoofdelijk veroordelen tot betaling van het tekort, nader op te maken bij staat. Gelet op deze veroordeling, heeft de curator geen belang bij een onderzoek naar de vraag of gedaagden ook aansprakelijk zijn op grond van het bepaalde in artikel 2:9 BW Pro en/of artikel 6:162 BW Pro.
4.14.
De curator vordert vooruitlopend op de vaststelling van het boedeltekort betaling van een voorschot van € 1.000.000,00. Het totaal van de per datum van indiening van de dagvaarding ingediende schuldvorderingen bedraagt € 7.222.644,27. Dit staat tussen partijen niet ter discussie. Ook is niet weersproken dat het huidige boedelsaldo € 13.000,00 bedraagt, zodat voldoende aannemelijk is dat het tekort een grotere omvang heeft dan het gevorderde voorschot. Het gevorderde bedrag is daarom toewijsbaar.
bestuursverbod
4.15.
De curator vordert gedaagden een civiel bestuursverbod op te leggen. Op grond van artikel 106a Fw kan de rechtbank op vordering van de curator een bestuursverbod opleggen aan de bestuurder van een rechtspersoon, de gewezen bestuurder daaronder begrepen, als tijdens of in de drie jaren voorafgaand aan het uitspreken van het faillissement van die rechtspersoon door de rechter bij onherroepelijke uitspraak is geoordeeld dat hij voor zijn handelen of nalaten bij die rechtspersoon aansprakelijk is, als bedoeld in artikel 2:248 BW Pro. Op grond van het bepaalde in artikel 106a lid 2 Fw kan een bestuursverbod ook worden uitgesproken tegenover de bestuurder van een rechtspersoon die bestuurder is als bedoeld in het lid 1 van dat artikel. Voor de toepassing van artikel 106a Fw wordt als bestuurder ook aangemerkt degene die het beleid van de rechtspersoon (mede) heeft bepaald als ware hij bestuurder (artikel 106d lid 1 Fw).
4.16.
Vast is komen staan dat het bestuur van MBMO Group hun taak in de drie jaar voorafgaand aan het faillissement van MBMO Group onbehoorlijk heeft vervuld en daarvoor aansprakelijk is. Dit geldt ook voor [gedaagde 5] als feitelijk beleidsbepaler van MBMO Group. De rechtbank volgt de curator in zijn standpunt dat het bestuur en [gedaagde 5] de belangen van de schuldeisers van MBMO Group in ernstige mate hebben veronachtzaamd. De curator heeft e-mails en schermafdrukken van de website van MBMO Group overgelegd. Hieruit is gebleken van de volgende werkwijze van MBMO Group: leninggevers werden overgehaald om te investeren in een onderneming die er veel slechter voorstond dan werd gepresenteerd. Hoewel er nimmer sprake is geweest van enige (stabiele) winstgevendheid in de onderneming, heeft MBMO Group zich in de jaren voorafgaand aan het faillissement – en zelfs kort daarvoor nog – telkenmale gepresenteerd als een succesvolle en groeiende onderneming met een exclusieve distributieportefeuille van luxe goederen en premium voedingsmiddelen in Azië. Er werden op basis van deze informatie bedrijfsobligaties met beloofde forse rendementen uitgegeven, waarin de veelal particuliere beleggers konden ‘
meeprofiteren van de groei van de MBMO Group’.
Gedaagden hebben, zoals hiervoor ook al is overwogen, op geen enkele wijze kunnen aantonen dat de informatie, op basis waarvan de leninggevers hun obligaties kochten, juist was. Gebleken is verder dat rente- en aflossingsverplichtingen van bestaande leninggevers werden betaald met de inleg van nieuwe leninggevers. Daarmee heeft MBMO Group een tijd kunnen pretenderen dat de voorgestelde rendementen ook daadwerkelijk gehaald konden worden, rendementen die in werkelijkheid dus niet werden gehaald en waarvan nimmer (richting de curator of in deze procedure) is aangetoond dat die op enige wijze reëel waren. De slotsom is dat de leninggevers door deze gang van zaken op een kwalijke wijze zijn misleid. De curator heeft schriftelijke verklaringen van enkele leninggevers in het geding gebracht. Uit deze verklaringen blijkt dat dit handelen van (de bestuurders van) failliet tot veel financieel en daarmee persoonlijk leed heeft geleid.
Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat een bestuursverbod, gelet op de verantwoordelijkheid van het bestuur en [gedaagde 5] voor de gang van zaken bij MBMO Group, passend en nodig is om te voorkomen dat in de nabije toekomst opnieuw schuldeisers worden benadeeld. Zwaarwegende redenen die aan het opleggen van het gevorderde bestuursverbod voor de duur van vijf jaren in de weg staan, zijn niet gesteld en daarvan is ook niet gebleken. Het gevorderde bestuursverbod zal daarom worden toegewezen. Dit betekent dat gedaagden gedurende de periode van vijf jaren niet kunnen worden benoemd tot bestuurder of commissaris van een rechtspersoon.
4.17.
De curator heeft ook gevorderd om de gevolgen van het bestuursverbod te regelen als bedoeld in artikel 106b lid 3 Fw. Ook deze vordering zal de rechtbank toewijzen.
Proceskosten en beslagkosten
4.18.
Gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- kosten dagvaarding € 115,22
- griffierecht € 2.626,00
- salaris advocaat € 7.446,00 (2 punten x €3.723,00)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 10.376,22
4.19.
De curator vordert gedaagden ook hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is op grond van artikel 706 Rv Pro toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 3.337,51 voor verschotten en € 3.502,00 voor salaris advocaat, in totaal € 6.839,51.
4.20.
De gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten en de beslagkosten wordt als niet weersproken toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.21.
De veroordelingen tot betaling worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
uitvoerbaar bij voorraadverklaring
4.22.
Gedaagden verzetten zich tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring van dit vonnis.
4.23.
Vooropgesteld wordt dat de rechtbank ingevolge artikel 233 Rv Pro dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad kan verklaren, indien dat wordt gevorderd. Bij beantwoording van de vraag of van die bevoegdheid gebruik moet worden gemaakt, spelen de wederzijdse belangen van partijen, bezien in het licht van de omstandigheden van het geval, een bepalende rol. Dat de curator het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft, is een gegeven. Gedaagden wijzen op het grote restitutierisico dat zij lopen als zij het voorschotbedrag direct moeten betalen en als de curator de gelegde beslagen op de woningen kan uitwinnen. Dit, terwijl de curator volgens gedaagden het geld nu nog niet nodig heeft, omdat hij het faillissement zal moeten handhaven zolang er een hoger beroep procedure loopt.
4.24.
Bij het incasseren van een vordering voordat de uitspraak definitief is, is er altijd een zeker restitutierisico. Hoewel er enerzijds sprake is van een restitutierisico, heeft de curator anderzijds belang bij uitvoerbaarheid van dit vonnis. Hij heeft onbetwist gesteld dat de boedel belang heeft bij financiële middelen om mogelijke aansprakelijkheid van derde partijen te onderzoeken en zo nodig daartegen rechtsmaatregelen te treffen. De rechtbank is van oordeel dat dit belang van de curator bij uitvoerbaarheid zwaarder weegt dan het belang van gedaagden om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vanwege een restitutierisico. Deze vordering zal daarom worden toegewezen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde 1] BV, [gedaagde 2] BV, [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] tegenover de boedel van MBMO Group hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het gehele boedeltekort op grond van de artikelen 2:248 BW,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] BV, [gedaagde 2] BV, [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] hoofdelijk (als de één betaalt, dan is de ander in zoverre bevrijd) tot betaling aan de boedel van MBMO Group van het gehele boedeltekort, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 1] BV, [gedaagde 2] BV, [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] hoofdelijk tot betaling aan de curator van een bedrag van € 1.000.000,00 als voorschot op het te betalen boedeltekort,
5.4.
legt aan [gedaagde 1] BV, [gedaagde 2] BV, [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] een bestuursverbod op als bedoeld in artikel 106a Fw voor de duur van vijf jaren vanaf het moment dat dit vonnis in kracht van gewijsde gaat,
5.5.
draagt de griffier op grond van artikel 106b lid 3 Fw op om deze uitspraak zodra deze onherroepelijk is geworden, met bekwame spoed aan de Kamer van Koophandel te sturen, zodat die kan overgaan tot uitschrijving van [gedaagde 1] BV, [gedaagde 2] BV, [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] als bestuurders uit het handelsregister en tot registratie van het opgelegde bestuursverbod in het handelsregister,
5.6.
veroordeelt [gedaagde 1] BV, [gedaagde 2] BV, [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] hoofdelijk in de proceskosten van
€ 10.376,22, te betalen aan de curator binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] BV, [gedaagde 2] BV, [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
veroordeelt [gedaagde 1] BV, [gedaagde 2] BV, [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] hoofdelijk in de beslagkosten van
€ 6.839,51,
5.8.
veroordeelt [gedaagde 1] BV, [gedaagde 2] BV, [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten en de beslagkosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.9.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Scheffers, mr. Römers en mr. De Vlieger en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.