ECLI:NL:RBZWB:2026:195
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling WOZ-waarde recreatiewoning ongegrond verklaard
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande recreatiewoning uit 1986 met een gebruiksoppervlakte van 79 m², gelegen op een perceel van 295 m². De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van deze woning per 1 januari 2022 vast op € 258.000 en legde op basis daarvan de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2023 op. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze vaststelling, stellende dat de waarde te hoog was vastgesteld, mede vanwege een vermeende te sterke waardestijging ten opzichte van het voorgaande jaar en landelijke trends.
De rechtbank beoordeelde het beroep aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij de waarde is bepaald door vergelijking met referentiewoningen die qua ligging, bouwjaar en type voldoende vergelijkbaar zijn. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatierapport van 9 maart 2025, waarin drie referentiewoningen werden gebruikt. De rechtbank oordeelde dat de gebruikte referentiewoningen passend waren en dat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met verschillen tussen de woningen, zoals grondprijs en voorzieningen.
De rechtbank verwierp het argument van belanghebbende dat de WOZ-waarde niet in verhouding stond tot de waarde van het voorgaande jaar of de gemiddelde waardestijgingen. De Wet WOZ vereist een waardebepaling per waardepeildatum, los van eerdere waarderingen. Ook het bezwaar tegen het gebruik van een referentieobject dat tweemaal binnen een jaar was verkocht, werd ongegrond verklaard. De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de aanslag OZB gehandhaafd blijft.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van € 258.000 is ongegrond verklaard en de aanslag OZB blijft gehandhaafd.