ECLI:NL:RBZWB:2026:1973

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
25/2543
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 220 GemeentewetArt. 220b GemeentewetArt. 117 GemeentewetArt. 1 Verordening OZBArt. 2 Verordening OZB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen aanslagen onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing na eigendomsoverdracht woning

Belanghebbende en zijn voormalig partner waren gezamenlijk eigenaar van een woning op 1 januari 2025. Bij vonnis van 20 november 2024 werd bepaald dat de woning aan de voormalig partner wordt toebedeeld, met overdracht op 29 januari 2025. Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanslagen onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing die aan hem waren opgelegd voor het jaar 2025.

De rechtbank oordeelt dat belanghebbende op 1 januari 2025 mede-eigenaar was en als zodanig in het Kadaster stond vermeld. Ook stond hij op dat moment ingeschreven op het adres van de woning in de Basisregistratie Personen en had hij het gebruik van de woning. De aanslagen zijn daarom terecht aan hem opgelegd. De civiele uitspraak van november 2024 doet hieraan niet af, omdat de eigendomsoverdracht pas in januari 2025 plaatsvond.

De heffingsambtenaar heeft de aanslagen opgelegd aan belanghebbende als oudste eigenaar bij gelijke genotsrechten, conform de Beleidsregels. De rechtbank stelt dat de heffingsambtenaar binnen zijn bevoegdheid handelde en niet onrechtmatig was door niet af te wijken van deze beleidsregels. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt het griffierecht vergoed.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de aanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2543

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 maart in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

en
de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant,de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 11 april 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende ter zake van de onroerende zaak [adres] (de woning) voor het jaar 2025 (voor zover van belang) een aanslag onroerendezaakbelastingen eigenaar, een aanslag watersysteemheffing gebouwd en een aanslag watersysteemheffing ingezetenen opgelegd (hierna tezamen aangeduid als: de aanslagen).
1.2.
Belanghebbende heeft op 24 februari 2025 bezwaar gemaakt tegen de aanslagen. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en, namens de heffingsambtenaar, [gemachtigde] .

Feiten

2. Belanghebbende en zijn voormalig partner zijn op 1 januari 2025 gezamenlijk eigenaar van de woning. Bij vonnis van de civiele kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 november 2024 is bepaald dat de woning aan de voormalig partner van belanghebbende wordt toebedeeld. De toedeling dient binnen drie maanden na de datum van genoemd vonnis te zijn afgerond. De eigendomsoverdracht heeft op 29 januari 2025 plaatsgevonden. De akte van verdeling is op 29 januari 2025 opgesteld en ingeschreven in het Kadaster. Belanghebbende heeft tot 29 januari 2025 het gebruik van de woning gehad.
2.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het belastingjaar 2025 (onder meer) een aanslag onroerendezaakbelastingen eigenaar voor een bedrag van € 525,97, een aanslag watersysteemheffing gebouwd voor een bedrag van € 213,48 en een aanslag watersysteemheffing ingezetenen voor een bedrag van € 82,24 opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslagen terecht aan belanghebbende opgelegd
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Standpunten van partijen
3.2.
Belanghebbende voert aan dat de aanslagen ten onrechte aan hem en niet aan zijn voormalig partner zijn opgelegd. Belanghebbende voert hiertoe aan dat hij, hoewel hij op 1 januari 2025 nog tezamen met zijn voormalig partner eigenaar was van de woning, per 20 november 2024 geen feitelijke beschikkingsmacht meer had over zijn eigenarendeel als gevolg van het vonnis van 20 november 2024 van de civiele kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Dit vonnis leidt er volgens belanghebbende toe dat de voormalig partner van belanghebbende per 20 november 2024 het volledige genotsrecht van de woning heeft verkregen. Ook de overdracht op 29 januari 2025, waarbij de voormalig partner van belanghebbende het volledige eigendom van de woning heeft verkregen, heeft plaatsgevonden voordat de aanslagen zijn opgelegd. De heffingsambtenaar was gegeven deze omstandigheden op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het verbod van willekeur gehouden om op grond van de Beleidsregels aanwijzing belastingplichtige en/of WOZ-belanghebbende in keuzesituaties Belastingsamenwerking West-Brabant 2025 (de Beleidsregels) de aanslagen aan de voormalig partner van belanghebbende op te leggen. Zij had namelijk op 1 januari 2025 het grootste aandeel in het genotsrecht en was ten tijde van het opleggen van de aanslagen volledig eigenaar van de woning. De heffingsambtenaar heeft onzorgvuldig gehandeld door de aanslagen aan belanghebbende als zijnde de oudste in leeftijd op te leggen, aldus belanghebbende.
3.3.
De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de aanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Ten aanzien van de aanslag onroerendezaakbelastingen en de aanslag watersysteemheffing gebouwd merkt de heffingsambtenaar op dat beide heffingen eigenarenheffingen en tijdstipbelastingen betreffen. Belastingplichtig is degene die op 1 januari van het belastingjaar volgens de gegevens van het Kadaster eigenaar is. Omdat belanghebbende op 1 januari 2025 mede-eigenaar was van de woning kan hij worden aangemerkt als belastingplichtige. Het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 november 2024 doet niet aan af het eigendom, het genotsrecht of de belastingplicht van belanghebbende. Het eigenarendeel van belanghebbende is pas per 29 januari 2025 aan zijn voormalig partner overgedragen. Nu op 1 januari 2025 zowel belanghebbende als zijn voormalig partner belastingplichtig zijn en gelijke aandelen in het genotsrecht hadden, heeft de heffingsambtenaar voor de tenaamstelling van de aanslagen toepassing gegeven aan artikel 2.1 van de Beleidsregels, waarbij de aanslagen aan belanghebbende als zijnde de oudste eigenaar in leeftijd zijn opgelegd. De heffingsambtenaar merkt daarbij op dat de aanslagen onroerendezaakbelastingen en watersysteemheffing gebouwd over eerdere jaren conform dezelfde regelgeving aan belanghebbende zijn opgelegd. Hiertegen is geen bezwaar gemaakt. De eigendomssituatie was destijds niet anders dan op 1 januari 2025, aldus de heffingsambtenaar
3.4.
Ten aanzien van de aanslag watersysteemheffing ingezetenen merkt de heffingsambtenaar op dat dit een gebruikersheffing en tijdstipbelasting betreft. Nu belanghebbende op 1 januari 2025 volgens de Basisregistratie Personen (BRP) stond ingeschreven op het adres van de woning kan belanghebbende worden aangemerkt als gebruiker en belastingplichtige. Dat belanghebbende in de loop van het jaar is verhuisd, doet hier niet aan af.
Juridisch kader
3.5.
Onder de naam onroerendezaakbelastingen wordt ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken een eigenarenbelasting geheven van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. [1] Voor de eigenarenbelasting wordt als genot hebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genot hebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. [2]
3.6.
Onder de naam watersysteemheffing gebouwd wordt een heffing geheven van hen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken, natuurterreinen en/of gebouwde onroerende zaken. [3] Heffingsplichtig zijn degenen die bij het begin van het kalenderjaar als rechthebbende in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen rechthebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. [4]
3.7.
Onder de naam watersysteemheffing ingezetenen wordt een heffing geheven van hen die blijkens de basisregistratie personen bij het begin van het kalenderjaar woonplaats heeft in het gebied van het waterschap en die aldaar gebruik heeft van woonruimte. [5]
Zijn de aanslagen terecht aan belanghebbende opgelegd?
3.8.
Niet in geschil is dat belanghebbende tezamen met zijn voormalig partner op 1 januari 2025 eigenaar was van de woning en als zodanig in het Kadaster stonden vermeld. Ook is niet in geschil dat belanghebbende (als enige) op 1 januari 2025 in de BRP op het adres van de woning stond ingeschreven en tot 29 januari 2025 het gebruik van de woning had.
3.9.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende op 1 januari 2025 het genot krachtens eigendom van de woning heeft en als zodanig in het Kadaster is vermeld. Ook heeft belanghebbende op 1 januari 2025 gebruik van de woning en staat hij op het adres van de woning in de BRP ingeschreven. Op grond van de geldende wettelijke bepalingen kan belanghebbende daarom worden aangemerkt als belastingplichtige voor de onroerendezaakbelastingen eigenaar, de watersysteemheffing gebouwd en de watersysteemheffing ingezetenen. Het vonnis van de civiele kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 november 2024 doet niet af aan het genot krachtens eigendom en/of het gebruik van de woning op 1 januari 2025. Zowel belanghebbende als zijn voormalig partner beschikte op 1 januari 2025 over gelijke delen in eigendom en genot van de woning.
3.10.
De wettelijke regels brengen met zich mee dat zowel belanghebbende als zijn voormalig partner voor de onroerendezaakbelastingen eigenaar en watersysteemheffing gebouwd belastingplichtig zijn voor hetzelfde object. Omdat de aanslagen slechts te naam van één persoon gesteld worden, heeft de heffingsambtenaar toepassing gegeven aan hetgeen is bepaald in de Beleidsregels. Ten aanzien van de watersysteemheffing ingezetenen is slechts sprake van één belastingplichtige, nu alleen belanghebbende op 1 januari 2025 in de BRP op het adres van de woning stond ingeschreven.
3.11.
Met betrekking tot de belastingen die worden geheven van genothebbenden krachtens eigendom, bezit of beperkt recht – in dit geval de onroerendezaakbelasting en de watersysteemheffing gebouwd – is in artikel 2.1 van de Beleidsregels bepaald dat in het geval van gelijke aandelen in het genotsrecht van de woning de aanslagen worden opgelegd op naam van de oudste in leeftijd. Niet in geschil is dat belanghebbende de oudste in leeftijd is. Uit het algemene deel van de Beleidsregels en de bewoordingen hiervan is af te leiden dat de beleidsregels slechts een voorkeursvolgorde bevatten en dat het gaat om kan-bepalingen. De heffingsambtenaar kan dus van hetgeen in de beleidsregels is bepaald afwijken. Ook artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft de heffingsambtenaar de mogelijkheid om van een beleidsregel af te wijken als toepassing daarvan voor de betrokkene gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met die beleidsregel te dienen doelen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar in dit geval, door toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 2.1 van de Beleidsregels, gehandeld binnen zijn bevoegdheidskader. Dat het voor de heffingsambtenaar mogelijk was om af te wijken van de Beleidsregels maar dit niet heeft gedaan, maakt niet dat het handelen van de heffingsambtenaar in dit geval onrechtmatig was. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar in zijn standpunt dat de door belanghebbende aangedragen omstandigheden niet maken dat de heffingsambtenaar in dit geval gehouden was om af te wijken van de voorkeursvolgorde zoals neergelegd in de Beleidsregels. De rechtbank merkt op dat de situatie waarbij een mede-eigenaar gedurende het belastingjaar het eigendom aan een ander overdraagt, geregeld voorkomt. Ook het vonnis van de civiele kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 november 2024 kan geen reden zijn om te oordelen dat de heffingsambtenaar gehouden was om af te wijken van de Beleidsregels. In het geval belanghebbende wenste om de gemeentelijke belastingen voor het belastingjaar 2025 met zijn voormalig partner te verdelen, welke belastingen voorzienbaar waren, lag het op de weg van belanghebbende om hier in de civiele procedure om te verzoeken. Dat is wel gedaan voor het belastingjaar 2024.
3.12.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft de heffingsambtenaar de aanslagen terecht aan belanghebbende opgelegd.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen gehandhaafd blijven.
4.1.
De rechtbank ziet gelet op de bijzonderheden van dit specifieke geval aanleiding om de heffingsambtenaar het griffierecht van belanghebbende te laten vergoeden. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53,- aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F. de Jong, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze
uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 220, aanhef en onder b, van de Gemeentewet en artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening op de heffing en invordering van onroerendezaakbelastingen 2025 (Verordening OZB).
2.Artikel 220b, tweede lid, van de Gemeentewet en artikel 1, derde lid, van de Verordening OZB.
3.Artikel 117, aanhef en onder d, van de Gemeentewet en artikel 2, tweede lid, van de Verordening. Watersysteemheffing waterschap Brabantse Delta 2025 (Verordening Watersysteemheffing).
4.Artikel 119, eerste lid, van de Waterschapswet en artikel 2, derde lid, van de Verordening Watersysteemheffing.
5.Artikel 117, aanhef en onder a, van de Gemeentewet en artikel 1, onder a, en artikel 2, tweede lid, onder a, van de Verordening Watersysteemheffing.