4.3.2De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
02-151057-24:
Ten aanzien van het tenlastegelegde feit heeft verdachte een bekennende verklaring
afgelegd en ter zake daarvan is geen vrijspraak bepleit. Daarom zal worden volstaan met een
opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van
Strafrecht (Sr) en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 5 maart 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] d.d. 2 mei 2024, pagina's 10-12
van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2024109713.
Op basis van de camerabeelden kan de rechtbank echter niet vaststellen dat bij de bewegingen die door de politie in het proces-verbaal van bevindingen worden benoemd als stekende bewegingen, een mes in de hand aanwezig was. Ook kan de rechtbank op basis van de camerabeelden niet vaststellen dat [benadeelde 1] tegen zijn hoofd is geschopt en dat er meerdere kopstoten zijn uitgedeeld. De rechtbank zal verdachte dan ook partieel vrijspreken van deze onderdelen van de tenlastelegging.
02-155745-24:
Verdachte wordt ervan verdacht dat hij op 25 januari 2024 [benadeelde 2] heeft bespuugd. De rechtbank heeft, mede op basis van de beelden waarop te zien is dat verdachte spuugt richting [benadeelde 2] , toen werkzaam als conductrice, geen enkele aanleiding om te twijfelen aan haar verklaring. Op de van het incident gemaakte bodycam-opname geeft zij ook meermalen aan dat verdachte haar in het gezicht heeft gespuugd. Zij heeft dit als zeer beledigend en vies ervaren en daarvan ook klacht gedaan. De rechtbank acht het feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
02-324166-24:
Feit 1: De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte samen met anderen op 19 juni 2024 openlijk geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde 3] . Verdachte erkent ook dat hij geweld heeft gebruikt. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte [benadeelde 3] een karatetrap geeft, waarna hij door drie jongens, waaronder verdachte, wordt geslagen en geschopt, onder meer met een helm. Ook als [benadeelde 3] op de grond terechtkomt gaan de geweldshandelingen door. De rechtbank acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen. Op basis van het dossier is naar het oordeel van de rechtbank niet vast te stellen dat bij de geweldshandelingen een koevoet is gebruikt en dat betekent dat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging partieel zal worden vrijgesproken.
Feit 2 Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat het verdachte is geweest die met een helm de ruit van de Fiat Punto heeft vernield. Zo geven [getuige] en [medeverdachte] beiden aan dat het verdachte is geweest die de ruit van de auto heeft ingeslagen met een helm. De rechtbank acht daarom de ten laste gelegde vernieling wettig en overtuigend bewezen.
03-372487-24:
Ten aanzien van het tenlastegelegde feit heeft verdachte een bekennende verklaring
afgelegd en ter zake daarvan is geen vrijspraak bepleit. Daarom zal worden volstaan met een
opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sr en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 5 maart 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 5] d.d. 27 augustus 2024, pagina's 5-7 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2300-2024139465.
De rechtbank dient ambtshalve te beoordelen of er in dit geval sprake is geweest van een diefstal of van verduistering. De rechtbank stelt voorop dat van verduistering sprake is als de verdachte het goed anders dan door misdrijf onder zich heeft en dit goed zich wederrechtelijk toe-eigent. Van diefstal is sprake als de verdachte een goed met het oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening wegneemt. Dat oogmerk dient hij (reeds) ten tijde van het wegnemen te hebben. Voor de beoordeling van de betekenis die aan de handelingen van de verdachten moeten worden gegeven – met het oog op de strafrechtelijke waardering van die handelingen – zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang.
Verdachte heeft een afspraak gemaakt met de verkoper van de fatbike. Bij deze ontmoeting heeft verdachte een bankpas als onderpand aan de verkoper gegeven. Dit betrof een bankpas die niet op naam stond van verdachte maar was uitgegeven op naam van [persoon 1] . Verdachte heeft vervolgens een proefrit gemaakt op de fatbike maar heeft deze vervolgens meegenomen naar huis. Gelet op de omstandigheden, namelijk het overhandigen van een valse bankpas als onderpand, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte op voorhand al het plan had opgevat om een proefrit met de fatbike te maken met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, waarbij hij die fatbike nooit rechtmatig onder zich heeft gehad. De rechtbank acht daarom de ten laste gelegde diefstal wettig en overtuigend bewezen.
09-328879-24:
Ten aanzien van het tenlastegelegde feit heeft verdachte een bekennende verklaring
afgelegd en ter zake daarvan is geen vrijspraak bepleit. Daarom zal worden volstaan met een
opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sr en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 5 maart 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 6] d.d. 11 juli 2024, pagina's 5-7 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL1500-2024223206;
01-255940-24:
Ten aanzien van het tenlastegelegde feit heeft verdachte een bekennende verklaring
afgelegd en ter zake daarvan is geen vrijspraak bepleit. Daarom zal worden volstaan met een
opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sr en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 5 maart 2026;
- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , pagina's 5-6
van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2100-2024173638;
- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , pagina's 21-22 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2100-2024173638.
01-120903-25:
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat aangever [benadeelde 7] worden belaagd door een groep jongens. Een van hen heeft een tak in zijn hand en slaat de aangever daarmee in zijn gezicht waardoor [benadeelde 7] letsel heeft. [benadeelde 7] kent de jongen die met de tak heeft geslagen als [persoon 2] . Hij heeft ook een foto van hem en zijn telefoonnummer aan de politie doorgegeven. De politie herkent verdachte op die foto als zijnde verdachte en ook het telefoonnummer dat [benadeelde 7] heeft doorgegeven komt in de politiesystemen voor als een telefoonnummer dat aan verdachte toebehoort. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte is geweest die de aangever met een tak in zijn gezicht heeft geslagen.