ECLI:NL:RBZWB:2026:1995
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning niet-ontvankelijk wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de omgevingsvergunning van 29 januari 2026 die het bouwen en afwijken van het bestemmingsplan voor het vergroten van de woning van de vergunninghouder toestaat. Verzoekster maakte bezwaar tegen deze vergunning. De vergunninghouder heeft echter toegezegd geen gebruik te maken van de vergunning totdat op het bezwaar is beslist.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het ontbreekt aan een actueel en spoedeisend belang. De toezegging van de vergunninghouder om niet te bouwen totdat het bezwaar is afgehandeld, maakt dat het belang van verzoekster niet meer actueel is. De rechter wijst erop dat aanhouding van de zaak om toekomstige veranderende omstandigheden af te wachten niet mogelijk is; een nieuw verzoek kan dan worden ingediend.
Verder wordt het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen omdat het college van burgemeester en wethouders niet aan het verzoek tegemoet is gekomen, maar de vergunninghouder wel. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar gemaakt op 20 maart 2026.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.