ECLI:NL:RBZWB:2026:1995

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
26/1039
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning niet-ontvankelijk wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de omgevingsvergunning van 29 januari 2026 die het bouwen en afwijken van het bestemmingsplan voor het vergroten van de woning van de vergunninghouder toestaat. Verzoekster maakte bezwaar tegen deze vergunning. De vergunninghouder heeft echter toegezegd geen gebruik te maken van de vergunning totdat op het bezwaar is beslist.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het ontbreekt aan een actueel en spoedeisend belang. De toezegging van de vergunninghouder om niet te bouwen totdat het bezwaar is afgehandeld, maakt dat het belang van verzoekster niet meer actueel is. De rechter wijst erop dat aanhouding van de zaak om toekomstige veranderende omstandigheden af te wachten niet mogelijk is; een nieuw verzoek kan dan worden ingediend.

Verder wordt het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen omdat het college van burgemeester en wethouders niet aan het verzoek tegemoet is gekomen, maar de vergunninghouder wel. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar gemaakt op 20 maart 2026.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1039

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [woonplaats] (de vergunninghouder).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de omgevingsvergunning van 29 januari 2026 voor het bouwen en afwijken van de regels voor het bestemmingsplan voor het vergroten van de woning van de vergunninghouder.
1.1.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
De vergunninghouder heeft laten weten geen gebruik te maken van de vergunning totdat op het bezwaar is beslist.
1.3.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Is het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk?
2. Omdat derde-partijen hebben toegezegd geen gebruik te maken van de vergunning totdat op het bezwaar is beslist, heeft verzoekster in beginsel geen procesbelang meer bij de voorlopige voorzieningen-procedure. Naar aanleiding van de mededeling dat de beslissing op bezwaar wordt afgewacht heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht de zaak aan te houden om te voorkomen dat bij een eventuele wijziging van de situatie een nieuw verzoek om voorlopige voorziening moet worden ingediend.
2.1.
Bij een verzoek om voorlopige voorziening moet het gaan om een actueel en spoedeisend belang. Doordat is toegezegd dat er niet gebouwd gaat worden totdat op het bezwaar is beslist is dat er nu niet. De voorzieningenrechter houdt geen zaken aan om bij veranderende omstandigheden alsnog een voorlopige voorziening te kunnen treffen. Mocht er sprake zijn van veranderende omstandigheden, dan kan de voorzieningenrechter alsnog op basis van een nieuw verzoek een voorziening of desnoods een ordemaatregel treffen. De wens om aan te houden in afwachting van eventuele veranderende omstandigheden geeft geen actueel procesbelang.
2.2.
Het verzoek om voorlopige voorziening is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Wordt het college veroordeeld in de proceskosten van verzoekster?
3. De bestuursrechter kan een partij veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening bij de bestuursrechter heeft moeten maken. [2] Dit kan ook als het verzoek niet-ontvankelijk is.
3.1.
Gelet op de gedingstukken en het in de inleiding opgenomen procesverloop is het college niet tegemoet gekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening. Het is de vergunninghouder die aan dat verzoek tegemoet is gekomen. Daarom is er geen aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van verzoekster of teruggave van het griffierecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier op 20 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Dit volgt uit artikel 8:75 van Pro de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Die bepalingen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.