ECLI:NL:RBZWB:2026:1997

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
C-02-443568 - JE RK 25-2334
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarigen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling om de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen te verlengen. De minderjarigen wonen bij hun moeder, die het ouderlijk gezag uitoefent. De kinderrechter heeft eerder een ondertoezichtstelling opgelegd die liep tot 3 februari 2026.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, waren de ouders, hun advocaten, vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling en de Raad aanwezig. De kinderrechter sprak ook met de oudere minderjarige, die aangaf de verlenging te ondersteunen.

De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkeling van de minderjarigen nog steeds ernstig wordt bedreigd door een emotioneel onveilige en onvoorspelbare opvoedsituatie. Er is sprake van wantrouwen en verstoorde communicatie tussen de ouders, waardoor de doelen van de ondertoezichtstelling nog niet zijn bereikt. Vrijwillige hulpverlening is niet mogelijk vanwege het onderlinge wantrouwen.

De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling voor negen maanden tot 3 november 2026 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Er wordt tevens geadviseerd om hulpverlening in te zetten gericht op het verwerken van de scheiding en het verbeteren van de opvoedrelatie, met aandacht voor een vertrouwenspersoon en psycho-educatie.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarigen voor negen maanden wegens een ernstige bedreiging van hun ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/443568 / JE RK 25-2334
Datum uitspraak: 29 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. I.H.T.J. Anthonise-Gieling in Goes,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. F.C.M. Maat-Oldenhof in ‘s- Heer Arendskerke.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 31 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • twee vertegenwoordigers van de GI;
  • een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 2] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 2] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 februari 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 3 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI verwijst voor de onderbouwing van het verzoek naar het verzoekschrift.
4.2.
De vader heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek.
4.3.
De moeder heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek.
4.4.
[minderjarige 2] heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat ze graag wil dat de ondertoezichtstelling verlengd wordt omdat ze fijn met de jeugdbeschermer kan praten.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat zij nog steeds opgroeien in een opvoedsituatie die nog niet emotioneel veilig en voorspelbaar is. De doelen die gesteld zijn en waaraan gewerkt moet worden binnen de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald. Er is nog steeds sprake van wantrouwen en een verstoorde communicatie tussen de ouders. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zitten nog steeds klem tussen hun ouders en bij met name [minderjarige 2] is nog geen sprake van onbelast contact met ieder van de ouders. [minderjarige 2] lijkt nog steeds hinder te ondervinden van de scheiding en heeft veel meegekregen van de spanningen tussen de ouders. Het lukt de ouders niet om nader tot elkaar te komen en een traject gericht op ouderschapsbemiddeling is niet van de grond gekomen. De kinderrechter is van oordeel dat het van belang is dat de GI de komende periode hulpverlening gaat inzetten voor [minderjarige 2] zodat zij de scheiding tussen haar ouders kan leren verwerken. Het is van belang dat de ouders de komende periode tot concrete en werkbare afspraken komen in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderrechter vindt het daarbij van belang dat wordt gekeken naar de inzet van een vertrouwenspersoon voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zodat zij iemand hebben waarop zij terug kunnen vallen. De kinderrechter geeft de GI mee te kijken naar de inzet van psycho-educatie en te onderzoeken wat nodig is om de opvoedrelatie tussen de moeder en, met name, [minderjarige 2] te verbeteren.
5.5.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat het de ouders vanwege onderling wantrouwen en een verstoorde communicatie niet lukt om een hulpverleningstraject in het vrijwillig kader aan te gaan.
5.6.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van negen maanden.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 3 november 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026 door mr De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga als griffier, en op schrift gesteld op 12 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.