In deze uitspraak op het verzet van de opposante, die zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. I.M. van den Heuvel, oordeelt de Rechtbank Zeeland-West-Brabant dat het verzet gegrond is. De zaak betreft een eerdere uitspraak van 11 augustus 2025, waarin het beroep van de opposante niet-ontvankelijk werd verklaard. De opposante had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het UWV, dat haar arbeidsongeschiktheid had vastgesteld en haar uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 23 december 2024 had beëindigd. De rechtbank heeft het verzet behandeld op 10 december 2025, waarbij de gemachtigde van de opposante en een vertegenwoordiger van het UWV aanwezig waren.
De rechtbank concludeert dat de eerdere uitspraak onterecht was, omdat de ingebrekestelling van de opposante niet prematuur was. De rechtbank stelt vast dat het UWV de beslistermijn niet had mogen verlengen zoals gedaan, en dat de opposante tijdig het bezwaarschrift had ingediend. De rechtbank bepaalt dat het UWV binnen vier maanden na de uitspraak alsnog een besluit moet nemen en legt een dwangsom op van € 100,- per dag bij overschrijding van de termijn, met een maximum van € 15.000,-. Tevens moet het UWV het griffierecht van € 53,- en proceskosten van € 934,- aan de opposante vergoeden. De uitspraak is openbaar gemaakt op 12 januari 2025.