ECLI:NL:RBZWB:2026:20

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
BRE 25/2986
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijk verklaring van beroep inzake arbeidsongeschiktheid en uitkering beëindiging

In deze uitspraak op het verzet van de opposante, die zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. I.M. van den Heuvel, oordeelt de Rechtbank Zeeland-West-Brabant dat het verzet gegrond is. De zaak betreft een eerdere uitspraak van 11 augustus 2025, waarin het beroep van de opposante niet-ontvankelijk werd verklaard. De opposante had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het UWV, dat haar arbeidsongeschiktheid had vastgesteld en haar uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 23 december 2024 had beëindigd. De rechtbank heeft het verzet behandeld op 10 december 2025, waarbij de gemachtigde van de opposante en een vertegenwoordiger van het UWV aanwezig waren.

De rechtbank concludeert dat de eerdere uitspraak onterecht was, omdat de ingebrekestelling van de opposante niet prematuur was. De rechtbank stelt vast dat het UWV de beslistermijn niet had mogen verlengen zoals gedaan, en dat de opposante tijdig het bezwaarschrift had ingediend. De rechtbank bepaalt dat het UWV binnen vier maanden na de uitspraak alsnog een besluit moet nemen en legt een dwangsom op van € 100,- per dag bij overschrijding van de termijn, met een maximum van € 15.000,-. Tevens moet het UWV het griffierecht van € 53,- en proceskosten van € 934,- aan de opposante vergoeden. De uitspraak is openbaar gemaakt op 12 januari 2025.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2986 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2025 op het verzet van

[opposante] , uit [woonplaats] , opposante

(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),

en uitspraak in de beroepszaak tussen

opposante, tevens eiseres
(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel)
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 11 augustus 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposante niet-ontvankelijk heeft verklaard. De uitspraak gaat in dit geval ook over het beroep dat opposante heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 22 oktober 2024 waarbij opposante haar arbeidsongeschiktheid is vastgesteld en haar uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 23 december 2024 is beëindigd.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 10 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van opposante en het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door [woordvoerder] .

Beoordeling door de rechtbank van het verzet

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak eerst of in de uitspraak van 11 augustus 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 11 augustus 2025
4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposante het UWV te vroeg in gebreke heeft gesteld. Dit betekent dat de rechtbank had geoordeeld dat het UWV rechtmatig de beslistermijn heeft verlengd met de periode die opposante nodig heeft gehad voor het aanleveren van informatie (aanvullende bezwaargronden).
5. Opposante voert tegen de uitspraak aan dat de ingebrekestelling niet prematuur is, aangezien opposante niet akkoord is gegaan met een opschorting van de beslistermijn langer dan drie weken.
6. Het UWV heeft niet schriftelijk op het verzetschrift van opposante gereageerd, maar heeft eerder in het verweerschrift en later op zitting aangegeven dat opposante naar aanleiding van het bezwaarschrift een termijn van vier weken heeft gekregen om de bezwaargronden aan te vullen. De gemachtigde van opposante heeft op 9 januari 2025 telefonisch contact gezocht met het UWV om te vragen of de termijn om de bezwaargronden in te dienen kan worden verlengd. Op verzoek en in overleg is er overeengekomen om de beslistermijn van het bezwaar op te schorten met de periode die gemachtigde nodig heeft om de bezwaargronden aan te vullen. Dit is met de brief van 13 januari 2025 aan gemachtigde van opposante bevestigd. Tijdens de zitting heeft het UWV uitgelegd dat de beslistermijn is verlengd op grond van artikel 7:10, vierde lid, van de Awb. Omdat er op 9 mei 2025 door de gemachtigde is verteld dat er geen aanvullende bezwaargronden zullen worden ingediend, is er op die dag door het UWV bevestigd aan de gemachtigde van opposante dat het bezwaar zal worden voortgezet en de afhandeltermijn van het bezwaarschrift wordt verlengd met de termijn dat het UWV het bezwaar niet verder heeft kunnen behandelen. Het UWV heeft de einddatum daarmee bepaald op 23 juli 2025 en de ingebrekestelling prematuur bevonden.
Is de ingebrekestelling van 19 mei 2025 prematuur?
7. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [2]
8. Voordat de verzetrechter kan oordelen of de ingebrekestelling van 19 mei 2025 prematuur is, moet de verzetrechter vaststellen wanneer de beslistermijn is afgelopen. De verzetrechter stelt vast dat het UWV binnen zeventien weken, gerekend vanaf het moment dat de bezwaartermijn voorbij is, op het bezwaar diende te beslissen, zijnde 1 april 2025. [3]
9. Uit de telefoonnotitie van het UWV blijkt dat er op 9 januari 2025 contact is geweest tussen de gemachtigde van opposante en het UWV. In de telefoonnotitie staat dat opposante graag drie weken uitstel zou willen om de aanvullende gronden in te dienen. Daar gaat het UWV mee akkoord. Het UWV heeft aan de gemachtigde van opposante gevraagd of het dan ook mogelijk is om de termijn op te schorten. Daar gaat de gemachtigde van opposante ook mee akkoord. Het UWV gaat de opschorting nog schriftelijk bevestigen.
10. Het UWV heeft vervolgens op 13 januari 2025 een brief gestuurd dat er is afgesproken dat het UWV de beslistermijn van het bezwaarschrift verlengt met de periode die opposante nodig heeft voor het aanleveren van de informatie (aanvullende bezwaargronden). Het UWV schrijft dat opposante heeft aangegeven de informatie binnen vier weken te kunnen indienen. Uit de stukken blijkt dat opposante stelt de brief van 13 januari 2025 niet te hebben ontvangen en later na het indienen van de ingebrekestelling vraagt opposante om een kopie van deze brief.
11. De verzetrechter is van oordeel dat het UWV niet op grond van artikel 7:10, vierde lid, van de Awb de beslistermijn heeft mogen verlengen met de tijd dat het UWV het bezwaar niet verder heeft behandeld. Uit de telefoonnotitie van het UWV blijkt dat de gemachtigde van opposante alleen instemt om de beslistermijn uit te stellen met drie weken. Het UWV had de beslistermijn dus niet mogen verlengen zoals hij heeft gedaan met de brief van 13 januari 2025. De beslistermijn is wel verlengd met drie weken, dat betekent dat de beslistermijn is afgelopen op 22 april 2025 en dat de ingebrekestelling van 19 mei 2025 niet prematuur is. De verzetsgrond slaagt.
Conclusie over het verzet
12. Uit de beoordeling van de grond van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 11 augustus 2025 ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.

Beoordeling door de rechtbank van het beroep

13. Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting over het verzet. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek na de zitting niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep. [4]
Is het beroep gegrond?
14. Het beroep is gegrond. Eiseres heeft tijdig het bezwaarschrift ingediend. Het UWV moet binnen zeventien weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is. De beslistermijn is met drie weken uitgesteld. [5] Het UWV had dus uiterlijk op 22 april 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen het UWV moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft het UWV op 19 mei 2025 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.
Welke beslistermijn wordt aan het UWV opgelegd?
15. Omdat het UWV nog steeds geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.
15.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
15.2.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op het bezwaar te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige heroverweging. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt de beslissing te nemen.
Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?
16. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het UWV de onder 16.2. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 17. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
18. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een verzetschrift, 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzet gegrond;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 12 januari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Voor zover deze uitspraak ziet op het verzet

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voor zover deze uitspraak ziet op het beroep

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:12 van de Awb.
3.Artikel 112, eerste lid, van de Wet WIA.
4.Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.
5.Artikel 7:10, vierde lid, onder a, van de Awb.