ECLI:NL:RBZWB:2026:2013

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444540 / FA RK 26-507
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:16 WvggzArt. 6:2 lid 1 WvggzArt. 6:5 WvggzArt. 6:6 lid 1 WvggzArt. 6:6 lid 2 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking zorgmachtiging voor betrokkene met bipolaire stoornis

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 17 februari 2026 het verzoek van de officier van justitie tot verlenging van een zorgmachtiging voor betrokkene, die lijdt aan een bipolaire stemmingsstoornis. Betrokkene woont in een begeleide woonvorm en heeft ambulante hulpverlening. De zorgmachtiging was eerder verleend tot 11 februari 2026.

De officier van justitie vroeg om verlenging van de machtiging voor twaalf maanden, maar het verzoekschrift werd te laat ingediend, namelijk dertien dagen voor het einde van de lopende machtiging, terwijl de wettelijke termijn vier weken is. Betrokkene stemde in met de zorgmachtiging en erkende het belang van medicatie en adequate interventie bij psychische decompensatie.

De rechtbank stelde vast dat betrokkene een psychische stoornis heeft die ernstig nadeel veroorzaakt, waaronder lichamelijk letsel, psychische schade, verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. Verplichte zorg is noodzakelijk om dit te voorkomen, waaronder medicatietoediening, medische controles, bewegingsvrijheidbeperking en opname in een accommodatie.

Hoewel de zitting aanvankelijk leidde tot een machtiging van twaalf maanden, corrigeerde de rechtbank dit in de schriftelijke beschikking vanwege de te late indiening van het verzoek. De zorgmachtiging werd daarom verleend voor een periode van zes maanden, tot 17 augustus 2026. Het verzoek voor overige vormen van verplichte zorg werd afgewezen wegens gebrek aan noodzaak.

Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: De rechtbank verleent een zorgmachtiging voor zes maanden wegens bipolaire stoornis en ernstig nadeel, ondanks te late indiening van het verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444540 / FA RK 26-507
Datum uitspraak: 17 februari 2026
Beschikking zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1974 in [geboorteplaats] , Suriname,
hierna te noemen: betrokkene,
wonend in [plaats] ,
advocaat: mr. C.L.M. Gommers uit Breda,
De rechtbank merkt in deze zaak als belanghebbende aan:
[de mentor], als mentor over betrokkene,
hierna te noemen: de mentor.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
In het procesdossier zit het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 29 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 februari 2026. Bij die zitting zijn verschenen en gehoord:
  • betrokkene, bijgestaan door mr. Gommers;
  • mevrouw [persoon] , casemanager vanuit het f-act team.

2.Wat vaststaat

2.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 11 augustus 2025 is voor betrokkene een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden, dus tot 11 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank om voor betrokkene een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.

4.De standpunten

4.1.
De casemanager heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Betrokkene lijdt aan een bipolaire stemmingsstoornis. Het is belangrijk dat betrokkene voldoende slaapt en dat zij haar medicatie trouw blijft innemen. Als zij één of twee keer haar medicatie niet inneemt, dan is zij direct minder goed in contact. In het verleden is op zo’n moment het crisissignaleringsplan niet (goed) uitgevoerd. Als betrokkene psychisch decompenseert, dan ontstaat er bij betrokkene ernstig nadeel, onder meer met betrekking tot suïcidaliteit. Het is dan ook van belang om voormeld plan goed te blijven toepassen.
4.2.
Betrokkene heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Betrokkene stelt dat het momenteel goed met haar gaat. Zij heeft goed contact met haar zus en zoon. Ook heeft zij een aantal wandelmaatjes. Betrokkene moet dagelijks medicatie innemen. Soms slaat zij haar medicatie over, bijvoorbeeld als zij laat thuis komt. Als het minder goed met haar gaat, dan denkt betrokkene juist dat het beter met haar gaat. Als de behandelaren signaleren dat het minder goed met haar gaat, dan is het dus belangrijk dat zij adequaat kunnen ingrijpen. Betrokkene stemt daarom in met de verzochte zorgmachtiging.
4.3.
De advocaat heeft, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De advocaat merkt allereerst op dat het verzoekschrift te laat, namelijk korter dan vier weken voor de aflooptermijn van de huidige zorgmachtiging, is ingediend (5:16 lid Wvggz). Daarnaast betwist de advocaat dat er bij betrokkene, wanneer zij psychisch decompenseert, ernstig nadeel vertoont met betrekking tot een risico op suïcidaliteit, althans niet in het recente verleden. Echter verzet betrokkene zich niet tegen verplichte zorg, met dien verstande dat dit enkel wordt ingezet wanneer het minder goed met haar gaat.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van twaalf maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Betrokkene heeft namelijk een bipolaire stemmingsstoornis. Dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis in de vorm van een bipolaire stemmingsstoornis is door en namens betrokkene ook niet betwist.
5.3.
Deze stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
  • ernstige verwaarlozing;
  • maatschappelijke teloorgang.
5.4.
De rechtbank overweegt in dat verband als volgt. Wanneer betrokkene psychisch decompenseert, al dan niet ten gevolge van te weinig slaap en/of het niet (trouw) innemen van haar medicatie, dan is zij direct minder goed in contact met de betrokken hulpverlening. Betrokkene onttrekt zich in dat geval aan de noodzakelijk geachte zorg, zoals de medische controles voor haar somatische klachten (Diabetes). Als gevolg hiervan kan er ernstige gezondheidsschade bij betrokkene ontstaan. Wanneer betrokkene psychisch decompenseert, dan trekt zij zich bovendien terug met als gevolg dat er verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang dreigt te ontstaan.
5.5.
Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid en de door de stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen, heeft betrokkene zorg nodig. Betrokkene woont momenteel in een [begeleide woonvorm] , met ambulante hulpverlening vanuit het f-act team. Daarnaast dient zij dagelijks haar medicatie (trouw) in te nemen.
5.6.
Zo lang betrokkene goed slaapt en zij haar medicatie trouw inneemt, dan functioneert betrokkene goed. Maar als het minder goed met haar gaat, bijvoorbeeld doordat zij minder goed slaapt en/of zij haar medicatie niet (trouw) inneemt, dan dreigt een psychische decompensatie. In dat geval herkent betrokkene niet dat het minder goed met haar gaat, zo heeft zij tijdens de zitting zelf aangegeven. Op die momenten is het van belang dat de behandelaren adequaat kunnen ingrijpen, om een verdere decompensatie en (verergering van) het ernstig nadeel voor betrokkene te voorkomen. Daarom is verplichte zorg nodig.
5.7.
De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, het advies van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten;
- opnemen in een accommodatie.
5.8.
De rechtbank benadrukt hierbij dat een opname (en de daarbij behorende vorm van verplichte zorg die ziet op het beperken van de bewegingsvrijheid) alleen kan worden ingezet als er geen andere (minder ingrijpende) ambulante mogelijkheden zijn om het ernstig nadeel weg te nemen dan wel (verergering daarvan) te voorkomen.
5.9.
De rechtbank zal het verzoek voor zover dat ziet op het opnemen van de overige vormen van verplichte zorg in de zorgmachtiging afwijzen, omdat daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, geen noodzaak bestaat en het onvoldoende voorzienbaar is dat deze vormen van verplichte zorg in de komende periode noodzakelijk zullen zijn.
5.10.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en haar omgeving.
Tijdens de mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft de rechtbank het volgende (mondeling) overwogen onder verwijzing naar 6:6 lid 2 Wvggz en de uitspraak van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:HR:2025:86: Als de officier van justitie de vierwekentermijn niet in acht heeft genomen, maar het verzoek is ingediend tijdens de loopduur en de beslistermijn loopt nog, dan mag er toch een opvolgende zorgmachtiging worden verleend voor de duur van twaalf maanden”
Echter na de mondelinge uitspraak, is de rechtbank bij de uitwerking van deze beschikking gestuit op de onderdelen 3.3 en 3.4 van bovengenoemd arrest (zie hieronder)
‘3.3 Een zorgmachtiging vervalt indien de geldigheidsduur is verstreken (art. 6:6 lid Pro 1, aanhef en onder a, Wvggz). Indien de officier van justitie een nieuw verzoek voor een zorgmachtiging heeft ingediend voordat de geldigheidsduur, bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz is verstreken, dan wel uiterlijk vier weken voordat de geldigheidsduur, bedoeld in art. 6:5, onderdeel b, Wvggz is verstreken, vervalt de eerdere zorgmachtiging in afwijking van art. 6:6 lid Pro 1, aanhef en onder a, Wvggz echter als de rechter op het verzoekschrift heeft beslist of, voor zover hier van belang, door het verstrijken van de termijn van drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (art. 6:6 lid 2 Wvggz Pro in verbinding met art. 6:2 lid Pro 1, aanhef en onder e, Wvggz). Bij inachtneming van deze termijnen is sprake van aansluiting van de vervolgmachtiging op de lopende machtiging als bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz, en kan de vervolgmachtiging voor de duur van maximaal twaalf maanden worden verleend.
3.4
Van aansluiting in de in art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz bedoelde zin kan ook sprake zijn indien de officier van justitie het verzoekschrift tot het verlenen van een vervolgmachtiging die aansluit op een zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz, heeft ingediend op een later tijdstip dan de in art. 6:6 lid 2 Wvggz Pro bedoelde vier weken voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de bestaande machtiging. De rechtbank kan in zo’n geval op de voet van art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz een vervolgmachtiging voor de duur van twaalf maanden verlenen door de vervolgmachtiging te verlenen vóór het tijdstip waarop de geldigheidsduur van de bestaande machtiging verstrijkt. De rechtbank dient wel te onderzoeken of de betrokkene, gelet op het tijdstip waarop de officier van justitie het verzoekschrift heeft ingediend, voldoende gelegenheid heeft gehad om zich te verweren’.
In de onderhavige zaak is het verzoekschrift binnengekomen op 29 januari 2026. De huidige machtiging liep tot 11 februari 2026. Daarmee is het verzoekschrift 13 dagen voor het einde van de lopende machtiging ingediend. Dat is later dan de termijn die artikel 6:6, tweede lid Wvggz stelt, namelijk uiterlijk vier weken voor het einde van de lopende machtiging. De zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2026,
dus na afloop van de huidige zorgmachtiging. Nu de rechtbank niet in staat was voor de expiratiedatum van de lopende machtiging te beslissen, is door artikel 6:6, eerste lid, aanhef en onder a, de geldigheid van de lopende machtiging verstreken. Er kan dan geen opvolgende machtiging worden verleend. Dat het verzoekschrift wel voorafgaand aan de aflooptermijn van de huidige machtiging is ingediend, doet hieraan niet af. Kortom de rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling het verzoek ten onrechte beschouwd als een verzoek tot een aansluitende machtiging voor de duur van 12 maanden.
Omdat deze verkeerde interpretatie van het arrest heeft geleid tot een voor betrokkene onjuiste,
langereduur van de zorgmachtiging voelt de rechtbank de juridische vrijheid om deze kennelijke misslag alsnog te herstellen in de schriftelijke beschikking. Zij zal de zorgmachtiging dan ook afgeven voor de kortere duur van 6 maanden.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verleent een zorgmachtiging voor [betrokkene] , geboren op [geboortedag] 1974 in [geboorteplaats] , Suriname, wat inhoudt dat de maatregelen die in rechtsoverweging 5.7 staan kunnen worden toegepast;
6.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 17 augustus 2026;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
De beschikking is op 17 februari 2026 mondeling en in het openbaar uitgesproken, door mr. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos, griffier, hierbij is de duur van de zorgmachtiging gesteld op 12 maanden. Deze uitspraak is hierna op 3 maart 2026 op schrift gesteld en v.w.b. de duur van de zorgmachtiging naar 6 maanden aangepast.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.