Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
- mr. Hollants;
- mevrouw [persoon 1] , specialist ouderengeneeskunde;
- mevrouw [persoon 2] , verpleegkundige;
- mevrouw [persoon 3] , namens de mentor.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene, geboren in 1948, verblijft sinds 12 februari 2026 in een accommodatie na een inbewaringstelling door de burgemeester van Tilburg. Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzoekt om voortzetting van deze inbewaringstelling voor zes weken.
De specialist ouderengeneeskunde en verpleegkundige geven aan dat betrokkene lijdt aan Alzheimer dementie en psychiatrische problematiek, met zorgmijdend gedrag, zelfverwaarlozing en valgevaar. Betrokkene heeft recent een gecompliceerde enkelbreuk opgelopen die rust vereist om ernstige complicaties te voorkomen. Betrokkene zelf wil in de accommodatie blijven en geen verhuizing ondergaan.
De rechtbank oordeelt dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, waaronder ernstig lichamelijk letsel en ernstige verwaarlozing. De psychogeriatrische aandoening vormt de grondslag voor toepassing van de Wet zorg en dwang (Wzd). Gezien de ernst van de situatie en de onbetrouwbaarheid van betrokkene's verklaringen, is voortzetting van de inbewaringstelling noodzakelijk en proportioneel. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven.
De machtiging wordt verleend tot en met 31 maart 2026. De beschikking is mondeling gegeven op 17 februari 2026 en schriftelijk vastgelegd op 3 maart 2026. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: De rechtbank verleent de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling voor zes weken wegens dreigend ernstig lichamelijk letsel en verwaarlozing.