ECLI:NL:RBZWB:2026:2017

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443588 / JE RK 25-2344
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Borm
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens complexe ouderschapsproblematiek

De kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 17 februari 2026 besloten de ondertoezichtstelling van een minderjarige te verlengen tot 22 augustus 2026. De ondertoezichtstelling loopt sinds augustus 2019 en is meerdere malen verlengd vanwege aanhoudende problemen binnen het gezin.

Ondanks diverse vormen van hulpverlening en interventies, waaronder de recente inzet van MST-CAN, is het de ouders nog niet gelukt om tot een gezamenlijk ouderschapsplan te komen. De communicatie tussen de ouders blijft problematisch, wat een negatieve invloed heeft op het welzijn van de minderjarige. De minderjarige ervaart klachten zoals angsten, ontlastingsproblemen en uitingen van wanhoop.

De kinderrechter benadrukt de noodzaak van voortzetting van de hulpverlening en de betrokkenheid van de gecertificeerde instelling. Tevens wordt de verantwoordelijkheid van de ouders onderstreept om in het belang van de minderjarige samen te werken aan een ouderschapsplan. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en het resterende deel van het verzoek wordt aangehouden tot 31 juli 2026, waarna een schriftelijke update van de GI wordt verwacht.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd met zes maanden tot 22 augustus 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/443588 / JE RK 25-2344
Datum uitspraak: 17 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (de GI),
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 31 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De moeder is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 22 augustus 2019 is [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 22 augustus 2019 en tot 22 mei 2020. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, laatstelijk tot 22 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar, waarvan zes maanden restant, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI verwijst naar de onderbouwing in haar verzoek. In aanvulling op die onderbouwing zijn er nog ontwikkelingen te melden. MST-CAN is gestart en over twee weken zullen samen met de vader doelen worden geformuleerd. Bij de moeder is dat reeds gebeurd. De volgende fase betreft de interventiefase, waarbij de ouders aan drie doelen zullen werken, te weten (samengevat): [minderjarige] gaat op een constructieve manier om met haar boosheid, [minderjarige] vertoont geen zelfbeschadigend gedrag en zij heeft een normale ontlasting zowel binnen- als buitenshuis. De afspraken met MST-CAN zullen om de week plaatsvinden zodat het goed met het werk van de vader kan worden gecombineerd. De GI is van mening dat de ondertoezichtstelling al te lang loopt. Gezien de verwachte duur van het traject van MST-CAN verzoekt de GI de ondertoezichtstelling daarom nog voor zes maanden te verlengen, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. De verwachting bestaat dat na die periode vanuit MST-CAN duidelijk wordt wat [minderjarige] en/of de ouders nog nodig hebben en of het noodzakelijk is dat de ondertoezichtstelling nogmaals wordt verlengd. De GI benadrukt dat het de verantwoordelijkheid is van de ouders om te komen tot een goed ouderschapsplan.
4.2.
De vader heeft tijdens de zitting (samengevat) verklaard dat hij begrijpt dat een verlenging van de ondertoezichtstelling onvermijdelijk is. Het loopt nog niet goed. De vader vraagt zich wel af wat de nieuwe hulpverleners kunnen bereiken, aangezien zij de zoveelste zijn. De hulpverleenster van [hulpverlening] had een niet passende manier van begeleiding. De vader vond het erg onprettig om steeds door deze hulpverleenster op zijn handen te worden getrommeld; zijn handen zagen nadien zelfs blauw. Ook de hulpverleners vanuit MST-CAN leken alleen op bezoek te komen om de vader af te kraken. In het plan van de GI heeft de vader zorgen gelezen over het gedrag van [minderjarige] op school. Dat herkende hij niet en ook de juf herkende [minderjarige] niet in de daarover geschetste zorgen. De GI heeft zelfs nooit met de juf van [minderjarige] gesproken. Dat het dan toch wordt opgeschreven in het verslag irriteert de vader. De juf van [minderjarige] merkt inmiddels op vrijdagochtend niet meer dat er een wisselmoment heeft plaatsgevonden. Dat lijkt te komen doordat op vrijdagochtend een leuke activiteit plaatsvindt en dat werkt als afleiding.
4.3.
[minderjarige] heeft tijdens het kindgesprek (kort samengevat) verteld dat zij het fijn heeft bij beide ouders. [minderjarige] vindt het wel jammer dat als zij bij haar moeder is, zij de duiven bij de vader niet kan zien en als zij bij de vader is, dat zij dan haar moeder niet kan zien. [minderjarige] vindt het niet fijn dat het wisselmoment op school plaatsvindt en niet meer in het weekend. Als [minderjarige] verdrietig is op dat moment is ze op school en dan moet ze toch gelijk aan haar werk beginnen en kan niemand haar troosten. [minderjarige] vindt het erg fijn om met [naam] te praten. Het naar het toilet gaan loopt nog niet zo goed, maar daar wil [minderjarige] verder liever niet over praten.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom. Vastgesteld wordt dat de ondertoezichtstelling reeds sinds augustus 2019 loopt. Ondanks dat in de afgelopen jaren diverse vormen van hulpverlening is ingezet, lukt het de ouders nog altijd niet om op één lijn te komen, wantrouwen zij elkaar en is de communicatie niet verbeterd. Ook hebben de ouders nog geen overeenstemming bereikt over het ouderschapsplan. Het lukt de ouders niet om concessies te doen richting de andere ouder en te denken in het belang van [minderjarige] . Ook is het voor ouders lastig om hun eigen aandeel te zien en te erkennen en ervaart [minderjarige] geen onbelast contact met beide ouders. [minderjarige] wordt al jarenlang blootgesteld aan de gevolgen van de complexe echtscheiding tussen de ouders en zij zit klem tussen hen. [minderjarige] is blootgesteld geweest aan traumatische ervaringen die zij nog niet goed heeft verwerkt. De complexe situatie tussen de ouders zorgt er ook voor dat [minderjarige] niet kan vertrouwen dat die gebeurtenissen zich niet nogmaals voordoen. [minderjarige] ervaart op dit moment klachten, zoals een gespannen buik, ontlastingsproblemen, angsten en een open huid door het krabben. Daarnaast zou [minderjarige] uitlatingen doen dat zij niet meer wil leven. De vader lijkt deze klachten niet te herkennen. De kinderrechter maakt zich ernstig zorgen over de situatie van [minderjarige] en het effect van de langdurige strijd tussen de ouders op haar. De kinderrechter ziet daarnaast ook twee betrokken ouders die allebei veel van [minderjarige] houden, maar waarbij zij – mogelijk onbewust en onbedoeld – hun eigen behoeften boven die van [minderjarige] lijken te stellen. Het lukt de ouders niet goed om kritisch naar hun eigen handelen te kijken en verantwoording te nemen over het veilig, onbelast en onbezorgd verder opgroeien van [minderjarige] . Hier moet dringend verandering in komen. In oktober 2025 is MST-CAN gestart. De kinderrechter spreekt in dit verband haar hoop uit dat de ouders met behulp van deze hulpverlening kunnen komen tot verandering voor [minderjarige] . De kinderrechter dringt er daarom bij de ouders op aan dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij hun medewerking blijven verlenen aan deze hulpverlening, ook op momenten dat de situatie lastig, confronterend of uitdagend blijkt. Om te zorgen dat deze hulpverlening volgehouden wordt en zo nodig kan worden bijgestuurd, acht de kinderrechter de betrokkenheid van de GI in elk geval nog noodzakelijk. Ook is noodzakelijk dat de ouders zich gaan inspannen om – in het belang van [minderjarige] – te komen tot een ouderschapsplan. Hoewel het de verantwoordelijkheid is van de ouders om te komen tot een ouderschapsplan, belemmert de problematiek tussen hen dit proces. Nu het uitblijven van het ouderschapsplan de belangen van [minderjarige] raakt, verwacht de kinderrechter dat de GI aandacht blijft houden voor de mogelijkheden om de ouders hierin te (laten) begeleiden. Daarnaast acht de kinderrechter van belang dat verder wordt gewerkt aan de doelen, zoals verwoord in het standpunt en het verzoek van de GI. Gelet op de ontwikkelingen vindt de kinderrechter het belangrijk om vinger aan de pols te houden, waarbij zij het [minderjarige] gunt dat de situatie over een aantal maanden zodanig is verbeterd dat kan worden toegewerkt naar het afsluiten van de ondertoezichtstelling. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek toewijzen voor de duur van zes maanden, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek tot de pro forma datum van 31 juli 2026. De kinderrechter verzoekt de GI om haar uiterlijk op die datum schriftelijk te informeren over de ontwikkelingen en haar standpunt te geven over het resterende deel van het verzoek. Vervolgens zal naar aanleiding van de schriftelijke update van de GI worden beoordeeld of, en zo ja op welke datum, een nieuwe zitting zal plaatsvinden waarop het resterende deel van het verzoek zal worden besproken.
5.2.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 22 februari 2026 en tot 22 augustus 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt het resterende deel van het verzoek aan tot de pro forma datum van 31 juli 2026 voor het geven van schriftelijke inlichtingen aan de zijde van de GI, zoals overwogen in r.o. 5.1.;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Borm, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026, in aanwezigheid van Casant als griffier en op schrift gesteld op 3 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.