ECLI:NL:RBZWB:2026:2022

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
C/02/437436 / JE RK 25-1235
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging uithuisplaatsing en bevestiging perspectiefbesluit minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2009, die sinds januari 2024 niet meer thuis woont. De kinderrechter heeft eerder op 26 augustus 2025 de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot respectievelijk 30 augustus 2026 en 28 februari 2026. De GI verzoekt nu om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot het einde van de ondertoezichtstelling.

De GI rapporteert dat de minderjarige niet meer terug wil naar de groep vanwege problemen met groepsgenoten en dat zij niet naar school en PMT gaat. De minderjarige zit klem tussen haar eigen behoeften en de thuissituatie, die niet is verbeterd. De GI heeft een perspectiefbesluit genomen dat geen terugplaatsing naar de ouders zal plaatsvinden en dat de minderjarige zal doorstromen naar zelfstandigheidstraining. De ouders geven aan het liefst te willen dat de minderjarige thuis komt, maar respecteren haar keuze.

De kinderrechter overweegt dat de wettelijke criteria voor verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing zijn vervuld en dat de situatie niet is verbeterd. Het perspectiefbesluit wordt als zorgvuldig en voldoende gemotiveerd beoordeeld. De machtiging wordt verlengd tot 30 augustus 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De minderjarige kan regelmatig bij de ouders logeren en de ouders behouden het ouderlijk gezag tot meerderjarigheid.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd tot 30 augustus 2026 en het perspectiefbesluit wordt bevestigd, waarbij de minderjarige zal doorstromen naar zelfstandigheidstraining.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/437436 / JE RK 25-1235
Datum uitspraak: 17 februari 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten -Leur,
hierna: de gecertificeerde instelling (GI),
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 1] .

1.Het verdere procesverloop

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de in deze zaak gegeven beschikking van 26 augustus 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • de brief met bijlagen van de GI van 23 december 2025, ingekomen bij de griffie op 24 december 2025;
  • de brief met bijlagen van de GI van 12 februari 2026, ingekomen bij de griffie op 13 februari 2026.
1.2.
Op 17 februari 2026 heeft de kinderrechter de behandeling van de zaak voortgezet tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
  • de vader;
  • de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 17 februari 2026. Bij het begin van de zitting heeft de kinderrechter, kort samengevat, verteld wat zij van dit gesprek mocht vertellen. De GI en de ouders hebben daarop vervolgens kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Bij de in deze zaak gegeven beschikking van 26 augustus 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 30 augustus 2025 tot 30 augustus 2026. Tevens heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 30 augustus 2025 tot 28 februari 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek, in afwachting van schriftelijk verslag van de GI.
2.2.
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de brief, met bijlage, van de GI van 23 december 2025. De GI concludeert daarin, samengevat, als volgt.
In oktober 2025 heeft [minderjarige] aangegeven niet meer terug te willen naar de groep. Zij heeft last van de onderlinge problemen tussen groepsgenoten. [minderjarige] vindt het lastig om te vertellen wat haar dwarszit. Zij blijft weigeren om terug te gaan naar de groep. Afgesproken wordt dat zij twee nachten op de groep blijft slapen. Hulpverlening maken zich zorgen over het vervallen in oude patronen op het moment dat zij voor een langere periode samen met de ouders woont. Er wordt ondertussen naar een andere plek voor [minderjarige] gezocht. Zij heeft daarna richting de GI benoemd dat zij veel moeite moet doen om richting haar ouders een grens aan te geven. [minderjarige] kreeg het aanbod om naar een andere groep te gaan, maar weigerde dit. In december 2025 is met ouders de afspraak gemaakt dat zij [minderjarige] niet zomaar ophalen van de groep. Zij houden zich niet aan deze afspraak. [minderjarige] gaat ondertussen niet meer naar school en PMT. Hulpverlening blijft zich zorgen maken. Ondertussen is [minderjarige] samen met de groep aan de slag gegaan met de sfeer op de groep. Deze is verbeterd. Door de gedragswetenschapper van [accommodatie] wordt geconcludeerd dat er verder moet worden gegaan met de behandeling van [minderjarige] en het grote loyaliteitsconflict voordat er toegewerkt gaat worden naar zelfstandigheidstraining. Er zou naar verwachting in januari/februari 2026 ruimte zijn bij zelfstandigheidstraining, maar dit komt te vroeg.
De GI handhaaft het resterende deel van het verzoek. [minderjarige] lijkt volledig klem te zitten tussen haar ouders en haar eigen behoeften. Het lukt [minderjarige] niet om zelfstandig keuzes te maken. Voor een plaatsing bij zelfstandigheidstraining is een behandeling nodig.
2.3.
Op grond van voormelde machtiging verblijft [minderjarige] bij [accommodatie] te [woonplaats 2] .

3.Het (resterende) verzoek

Thans ligt het volgende resterende verzoek nog ter beoordeling voor.
3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor resterende duur van de ondertoezichtstelling, zijnde tot 30 augustus 2026.
3.2.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het (nadere) standpunt van de GI

4.1.
In aanvulling op het schriftelijke verslag (zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.2. is weergegeven) voert de GI, samengevat, het volgende aan. Er is recent een perspectiefbesluit over [minderjarige] genomen. Geconcludeerd is dat het voor [minderjarige] het beste is om door te groeien naar een zelfstandigheidstraject en uiteindelijk zelfstandig te wonen. Het belang van [minderjarige] brengt met zich dat zij zich op haar eigen ontwikkeling en toekomst kan focussen. Het is tijdens de ondertoezichtstelling niet gelukt om verbetering aan te brengen in de thuissituatie en de ouders hun eigen aandeel in te laten zien. Het lukt hen niet om aan te sluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft. Behandeling is voor [minderjarige] essentieel om haar trauma’s te verwerken. Ook kan zij dan leren om haar eigen grenzen aan te geven en op een gezonde manier aan relaties te werken. Als de druk van een thuisplaatsing komt te vervallen, zal er ruimte komen voor een fijn contact tussen de ouders en [minderjarige] .
4.2.
De GI benadrukt dat [minderjarige] de keuze om niet meer naar huis te komen om hier weer te gaan wonen zelf heeft gemaakt. Anders dan de ouders denken, is zij door de jeugdbeschermer niet onder druk gezet om die keuze te maken. [minderjarige] wil de ruimte om zich te ontwikkelen en zij wil een fijn contact met haar ouders. Nu [minderjarige] deze keuze heeft gemaakt, valt er een last van haar schouders. De GI verzoekt de kinderrechter om het perspectiefbesluit positief te beoordelen. [minderjarige] is aangemeld voor zelfstandigheidstraining en staat hoog op de wachtlijst.

5.Het (nadere) standpunt van belanghebbenden

5.1.
De vader brengt, samengevat, naar voren dat hij het liefste wil dat [minderjarige] naar huis komt. De vader heeft de indruk dat de GI [minderjarige] onder druk heeft gezet om een keuze te maken. Hijzelf zal geen druk op haar uitoefenen en haar zeggen dat zij mag doen wat zij wil en dat zij thuis altijd welkom is. Dit betekent dus dat als [minderjarige] ervoor kiest om niet meer thuis te komen wonen, hij die keuze zal accepteren. Voorop staat dat de verstandhouding met elkaar goed is.
5.2.
De moeder brengt, samengevat, naar voren dat ook zij het liefste heeft dat [minderjarige] thuis komt wonen. Dit heeft de moeder ook zo richting [minderjarige] gezegd. Als [minderjarige] voor zelfstandigheidstraining wil gaan, dan zal de moeder haar daarin steunen hoe moeilijk zij dat ook vindt.

6.De (nadere) beoordeling

Wettelijk kader
6.1.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:265c tweede lid BW de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar, als aan de grond van de uithuisplaatsing (zoals beschreven in artikel 1:265b eerste lid BW) is voldaan.
Als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid kan de kinderrechter op grond van artikel 1:265b eerste lid BW de gecertificeerde instelling (belast met de ondertoezichtstelling) op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.
Inhoudelijke beoordeling
6.2.
De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding. De kinderrechter neemt daarbij in aanmerking dat de situatie ten opzichte van de in deze zaak gegeven beschikking van 26 augustus 2025 niet positief is gewijzigd; [minderjarige] zit nog steeds klem tussen haar ouders en haar eigen behoefte. De thuissituatie is ook niet verbeterd en het is, tot voor kort, niet gelukt om een duidelijke keuze te maken over het toekomstperspectief. Dit maakt dat de GI inmiddels een perspectiefbesluit heeft genomen en ter toetsing aan de kinderrechter heeft voorgelegd.
6.3.
Nu de situatie ongewijzigd is gebleven, en er daarmee nog steeds aan de wettelijke criteria wordt voldaan, zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek toewijzen. Dat betekent dat het huidige verblijf van [minderjarige] bij [accommodatie] gecontinueerd zal worden en [minderjarige] zo snel mogelijk met zelfstandigheidstraining zal starten.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.4.
De kinderrechter zal de toewijzende beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Toetsing perspectiefbesluit
6.5.
Dan heeft de GI de kinderrechter nog verzocht het door haar genomen
perspectiefbesluit, waarin zij zich op het standpunt stelt dat [minderjarige] niet bij de ouders kan opgroeien en dat er daarom niet meer aan thuisplaatsing zal worden gewerkt, te toetsen.
6.6.
De kinderrechter overweegt dat uit het arrest van de Hoge Raad van 1 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1148) volgt dat de wet niet voorziet in een zelfstandige rechtsgang waarin een perspectiefbesluit als zodanig aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. In dat arrest heeft de Hoge Raad echter ook overwogen dat de rechter een perspectiefbesluit wel zal moeten beoordelen als dit noodzakelijk is in verband met beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de gecertificeerde instelling over het opgroeiperspectief van de minderjarige. In dit geval speelt dit bij de beoordeling van het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen.
6.7.
Uit de overgelegde stukken is gebleken dat [minderjarige] behoefte heeft aan duidelijkheid. Omdat zij klem zit tussen haar ouders en haar eigen behoefte, kan zij niet toekomen aan het maken van een keuze rondom haar toekomst. Ook kan zij niet toekomen aan het verwerken van trauma (emotionele en fysieke mishandeling) en het aangaan van behandeling. De ouders bagatelliseren de zorgen en sluiten niet aan bij wat [minderjarige] nodig heeft. Daarbij komt dat [minderjarige] wil werken aan haar zelfstandigheid en zij in dat kader zelfstandigheidstraining zal gaan volgen. [minderjarige] woont sinds 22 januari 2024 niet meer thuis.
6.8.
Gelet op het voorgaande onderschrijft de kinderrechter het perspectiefbesluit, in die zin dat het opgroeiperspectief van [minderjarige] niet langer bij de ouders ligt. De kinderrechter acht het door de GI genomen perspectiefbesluit in het licht van al het voorgaande zorgvuldig en voldoende gemotiveerd en onderbouwd. Er bestaat dan ook geen aanleiding om nader onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden van een terugplaatsing in de thuissituatie bij de ouders. Met het positief beoordelen van het perspectiefbesluit komt er voor [minderjarige] en de ouders rust, zal [minderjarige] naar verwachting zo snel mogelijk met zelfstandigheidstraining kunnen starten. Hiermee komt een wens van [minderjarige] in vervulling. De kinderrechter maakt beide ouders een compliment, omdat zij beiden hebben aangegeven de wens van [minderjarige] te respecteren. Aldus zal er ruimte komen voor een fijn contact tussen [minderjarige] en de ouders. Voor de komende periode, [minderjarige] is nu zeventien jaar, acht de kinderrechter het van belang dat zij verder opgroeit bij [accommodatie] en zij daarin rust en duidelijkheid ervaart. Dit doet niets af aan de band die zij met haar ouders heeft en de liefde die zij vanuit de ouders voelt. Het voorgaande laat onverlet dat [minderjarige] regelmatig bij de ouders kan zijn om te logeren. Daarnaast behouden de ouders het ouderlijk gezag over [minderjarige] tot haar meerderjarigheid.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 28 februari 2026 tot 30 augustus 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 4 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.