ECLI:NL:RBZWB:2026:2026

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443395 / FA RK 25-6674
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Hopmans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 824 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen: toevertrouwing minderjarigen aan moeder en exclusief gebruik woning aan vader

Partijen, gehuwd in Syrië en met de Syrische nationaliteit, zijn recentelijk naar Nederland gekomen. De vrouw verblijft sinds eind september/begin oktober 2025 met de minderjarige kinderen bij haar broer in een andere plaats, terwijl de man in de echtelijke woning blijft wonen. De vrouw verzoekt de kinderen aan haar toe te vertrouwen en het exclusieve gebruik van de woning toe te wijzen aan haar. De man verzet zich hiertegen en verzoekt zelf om toewijzing van de kinderen aan hem en het exclusieve gebruik van de woning aan hem toe te wijzen.

De rechtbank oordeelt dat de vrouw de afgelopen jaren de volledige zorg voor de kinderen heeft gedragen en dat het in het belang van de kinderen is dat deze situatie niet verandert. Daarom worden de kinderen aan de vrouw toevertrouwd. De man krijgt een zorgregeling waarbij de kinderen één weekend per veertien dagen bij hem verblijven.

Ten aanzien van de woning weegt de rechtbank het belang van partijen af. De man woont al sinds juli 2024 in de woning en heeft geen alternatieve woonruimte, terwijl de vrouw met de kinderen bij haar broer verblijft. De rechtbank wijst het exclusieve gebruik van de woning toe aan de man en beveelt de vrouw deze te verlaten. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat zij de woning noodgedwongen heeft verlaten vanwege huiselijk geweld. De beschikking is direct uitvoerbaar en hoger beroep is niet mogelijk.

Uitkomst: De minderjarigen worden aan de vrouw toevertrouwd en het exclusieve gebruik van de echtelijke woning wordt aan de man toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/443395 / FA RK 25-6674
datum uitspraak: 17 februari 2026
beschikking betreffende voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de vrouw],
wonend in [plaats 1] , maar feitelijk verblijvend in [plaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. F. Ergec, kantoorhoudend in Bergen op Zoom,
en
[de man],
wonend in [plaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. I. Lamou, kantoorhoudend in Breda.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 22 december 2025 ontvangen verzoekschrift voorlopige voorzieningen met bijlagen;
- het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken van 28 januari 2026 met bijlagen.
1.2. De zaak is behandeld op de zitting van 3 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat en een tolk in de Arabische taal. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3. Na te noemen minderjarige [minderjarige 1] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Hij heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
1.4. De vrouw heeft op 22 december 2025 een echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt (bekend onder zaaknummer C/02/443846 / FA RK 26-151).

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn in Syrië met elkaar gehuwd.
2.2.
Partijen hebben de volgende nu nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats 1] , Libanon;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2021 in [geboorteplaats 2] , Syrië.
2.3.
Partijen en de minderjarigen hebben de Syrische nationaliteit.
2.4.
De vrouw heeft de echtelijke woning in [plaats 1] eind september/begin oktober 2025 verlaten en verblijft sindsdien met de minderjarigen bij haar broer in [plaats 2] . De man verblijft tot op heden in de echtelijke woning.

3.De verzoeken

3.1.
De vrouw verzoekt om bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening:
I. de kinderen voorlopig toe te vertrouwen aan de vrouw;
II. het gebruik van de echtelijke woning gelegen aan [adres] te [plaats 1] toe te wijzen aan de vrouw met uitsluiting van de man.
3.2.
De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw en vraagt de rechtbank deze verzoeken af te wijzen.
Bij wege van zelfstandige verzoeken verzoekt de man om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij beschikking:
1. primair: te bepalen dat de minderjarige kinderen voorlopig, voor de duur van het geding, aan de man worden toevertrouwd;
subsidiair: te bepalen dat de minderjarigen één weekend per veertien dagen bij de man zullen verblijven, dan wel een zorgregeling te bepalen welke de rechtbank in het belang van de minderjarigen acht;
2. te bepalen dat de man bij uitsluiting van de vrouw gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning gelegen aan [adres] te [plaats 1] .
3.3.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
Omdat partijen de Syrische nationaliteit hebben en in Syrië met elkaar zijn gehuwd heeft de zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten. De rechtbank heeft die ambtshalve beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat haar rechtsmacht toekomt en dat zij naar Nederlands recht dient te beslissen op de verzoeken.
Toevertrouwing van de minderjarigen
3.2.
Ter onderbouwing van haar verzoek om de minderjarigen aan haar toe te vertrouwen heeft de vrouw het volgende aangevoerd. De vrouw is nog maar kort geleden (augustus 2025) met de kinderen vanuit Syrië naar Nederland gekomen. In de jaren dat de vrouw nog met de kinderen in Syrië woonde en de man al in Nederland verbleef heeft zij alleen zorg gedragen voor de minderjarigen. Ook vanaf het vertrek van de vrouw met de kinderen uit de echtelijke woning eind september/begin oktober 2025 draagt de vrouw de volledige zorg voor de minderjarigen. De minderjarigen zijn er aan gewend dat de vrouw bij hen is en dat zij voor hen zorgt. Gezien de feitelijke situatie is het niet in het belang van de minderjarigen dat zij aan de man worden toevertrouwd.
3.3.
Ter onderbouwing van zijn zelfstandig verzoek om de minderjarigen aan hem toe te vertrouwen heeft de man het volgende aangevoerd. De man wil er voor de minderjarigen zijn en voor hen zorgen. De vrouw en de minderjarigen hebben na het vertrek van de man naar Nederland nog circa 4,5 jaar lang in Syrië gewoond. Al die jaren heeft de man de minderjarigen niet kunnen zien en niet voor hen kunnen zorgen. Het was de bedoeling van partijen om in Nederland als gezin te gaan samenleven en samen voor de minderjarigen te zorgen. De vrouw besloot echter al na een maand nadat zij in het kader van gezinshereniging met de minderjarigen vanuit Syrië naar Nederland was verhuisd om uit vrije wil met de minderjarigen de echtelijke woning te verlaten en niet meer terug te keren. Ook vanaf dat moment heeft de man niet voor de minderjarigen kunnen zorgen. Na het vertrek van de vrouw uit de echtelijke woning hebben partijen in onderling overleg wel afspraken gemaakt over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, maar de vrouw heeft deze afspraken maar één week nageleefd. De man verzoekt nu met name de toevertrouwing van de kinderen aan hem om daarmee het signaal af te geven dat hij bereid en in staat is om voor de minderjarigen te zorgen en een actieve rol wil vervullen in het leven van de kinderen. De vrouw geeft aan dat het te druk is in de woning van haar broer waar zij nu met de minderjarigen verblijft. De kinderen zouden daarom ook bij de man kunnen wonen. Er zou in dat geval een zorgregeling afgesproken kunnen worden tussen de vrouw en de minderjarigen.
3.4.
De vertegenwoordigster van de Raad heeft tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. Gelet op het feit dat de vrouw en de minderjarigen nog lange tijd in Syrië zijn achtergebleven, heeft de vrouw altijd de verzorging en opvoeding van de minderjarigen voor haar rekening moeten nemen en genomen. Ook sinds het vertrek van de vrouw uit de echtelijke woning neemt zij de volledige verzorging en opvoeding van de minderjarigen voor haar rekening. Daarom is het in het belang van de minderjarigen dat zij aan de vrouw worden toevertrouwd en er een zorgregeling wordt vastgesteld tussen de man en de minderjarigen.
3.5.
Naar het oordeel van de rechtbank dienen de minderjarigen te worden toevertrouwd aan de vrouw. Als onweersproken staat vast dat de vrouw de afgelopen jaren alleen voor de minderjarigen heeft gezorgd c.q. heeft moeten zorgen. De vrouw en de minderjarigen zijn in het kader van gezinshereniging pas in augustus 2025 naar Nederland gekomen en woonden voor die tijd nog in Syrië, terwijl de man al enkele jaren in Nederland verbleef. Ook sinds het vertrek van de vrouw met de minderjarigen uit de echtelijke woning eind september/begin oktober 2025 draagt de vrouw alleen zorg voor de opvoeding en verzorging van de minderjarigen. Dit betekent dat, zoals ook door de Raad aangegeven, de minderjarigen er aan gewend zijn dat zij bij hun moeder zijn en dat hun moeder voor hen zorgt. Het is in het belang van de minderjarigen dat in deze situatie geen verandering teweeg wordt gebracht. Dit geldt temeer nu de minderjarigen in korte tijd al veel hebben meegemaakt. De minderjarigen zijn nog maar betrekkelijk kort geleden vanuit Syrië naar Nederland verhuisd en zijn kort na hun aankomst in Nederland geconfronteerd met het feitelijk uiteengaan en de op handen zijnde echtscheiding van hun ouders. Na een maand als gezin in de echtelijke woning in [plaats 1] te hebben gewoond en daar naar school te zijn gegaan, wonen zij sinds eind september/ begin oktober 2025 opeens met alleen hun moeder in de woning van hun oom (de broer van de vrouw) in [plaats 2] en gaan zij sinds die tijd niet meer naar school. Ook dit heeft een grote verandering teweeg gebracht voor de minderjarigen. De minderjarigen hebben gezien al deze omstandigheden behoefte aan stabiliteit en continuïteit. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de vrouw tot toevertrouwing van de minderjarigen aan haar toewijzen en het (primaire) zelfstandig verzoek van de man tot toevertrouwing van de minderjarigen aan hem afwijzen.
Voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
3.6.
Omdat het primaire verzoek van de man om de minderjarigen aan hem toe te vertrouwen wordt afgewezen, komt de rechtbank toe aan het subsidiaire verzoek van de man tot het vaststellen van een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling).
3.7.
De man verzoekt een voorlopige zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen één weekend per veertien dagen bij hem verblijven.
3.8.
De vrouw heeft tijdens de zitting ingestemd met de door de man verzochte zorgregeling en voorgesteld dat de minderjarigen gedurende één weekend per veertien dagen op zaterdag en zondag (inclusief overnachting) bij de man verblijven. Zij heeft daarbij uitdrukkelijk verklaard geen zorgen te hebben over de veiligheid van de kinderen bij de man. De man heeft aangegeven zich te kunnen vinden in het voorstel van de vrouw.
3.9.
Gelet op het voorgaande en nu niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet, zal de rechtbank het verzoek van de man aldus toewijzen dat een voorlopige zorgregeling zal worden vastgesteld waarbij de minderjarigen één weekend per veertien dagen van zaterdag tot en met zondag (dus inclusief overnachting) bij de man verblijven, nader in onderling overleg door partijen te regelen.
Het gebruik van de echtelijke woning
3.10.
Ter onderbouwing van haar verzoek tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning heeft de vrouw het volgende aangevoerd. De vrouw heeft na huiselijk geweld door de man de echtelijke woning in [plaats 1] eind september/begin oktober 2025 verlaten. Dit aspect dient te worden meegewogen bij de te maken belangenafweging. Sinds die tijd verblijven de vrouw en de minderjarigen in de woning van haar broer in [plaats 2] . De minderjarigen gaan sindsdien niet meer naar school, omdat de vrouw vanwege de reisafstand van [plaats 2] naar [plaats 1] niet meer in de gelegenheid is om de kinderen naar school te brengen en van school op te halen. De minderjarigen kunnen niet in [plaats 2] naar school, omdat zij nog staan ingeschreven op het adres van de echtelijke woning in [plaats 1] . Het is in het belang van de minderjarigen dat de vrouw het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toegewezen krijgt, zodat de minderjarigen weer in [plaats 1] naar school kunnen gaan en mede daardoor zo snel mogelijk aarden en integreren in de Nederlandse samenleving. De woning van de broer van de vrouw is ook erg vol, omdat daar ook de ouders en de schoonzus van de vrouw verblijven. De vrouw moet daarom met de kinderen in de woonkamer slapen. De man woont al jaren in Nederland, zodat hij meer mogelijkheden heeft om een andere woning te krijgen dan de vrouw.
3.11.
De man heeft ter onderbouwing van zijn zelfstandig verzoek tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning het volgende aangevoerd. Hij woont al sinds juli 2024 in de echtelijke woning en is het huurcontract aangegaan. De vrouw heeft zich pas op 12 augustus 2025 ingeschreven op het adres van de echtelijke woning en is op 22 september 2025 alweer vertrokken uit die woning. De vrouw heeft de echtelijke woning uit eigen beweging en zonder daartoe te zijn gedwongen verlaten. Zij verblijft inmiddels bij haar familie en beschikt dus over passende alternatieve huisvesting. Niet is gebleken dat zij haar verblijf daar niet zou kunnen voortzetten. De man heeft geen alternatieve woonruimte. Als hij de echtelijke woning moet verlaten, wordt hij dakloos. De kans dat de man in aanmerking komt voor een andere woning is klein. De man is als vluchteling naar Nederland gekomen en heeft deze woning nog maar vrij recent toegewezen gekregen.
3.12
De vertegenwoordigster van de Raad heeft tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. De Raad maakt zich zorgen over het feit dat de minderjarigen sinds het vertrek van de vrouw met de kinderen naar [plaats 2] niet meer naar school gaan. Het is in het belang van de minderjarigen dat de schoolgang wordt hervat, nu de minderjarigen nog maar korte tijd in Nederland zijn. Het volgen van onderwijs is belangrijk voor de minderjarigen om te integreren in de Nederlandse samenleving en de Nederlandse taal te leren. Als de vrouw het uitsluitend gebruik van de woning toegewezen krijgt, kunnen de kinderen weer in [plaats 1] naar school. Het zou echter ook een optie zijn om de kinderen in [plaats 2] naar school te laten gaan. De Raad kan zich niet voorstellen dat de omstandigheid dat de kinderen in de Basisregistratie personen (BRP) nog ingeschreven staan op het adres van de echtelijke woning in [plaats 1] hieraan in weg staat.
3.13.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van de stukken en dat wat is besproken tijdens de zitting, is de rechtbank van oordeel dat het niet wenselijk is dat partijen opnieuw samen in de echtelijke woning verblijven. Dit blijkt ook uit het feit dat zij beiden het
uitsluitend gebruik van de echtelijke woning verzoeken. Daarbij komt dat de vrouw tijdens de zitting heeft verklaard dat zij niet meer met de man in één woning mag wonen, omdat de man naar Islamitisch recht al van haar is gescheiden.
De rechtbank stelt vast dat beide partijen een belang hebben bij het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. Voor de toewijzing van het uitsluitend gebruik van de woning dient daarom een belangenafweging tussen partijen te worden gemaakt.
3.14.
De rechtbank is van oordeel dat de man op dit moment een groter belang heeft bij het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning dan de vrouw. De man heeft voldoende onderbouwd dakloos te worden als hij de echtelijke woning moet verlaten. Hij heeft daartoe onweersproken gesteld nergens anders naar toe te kunnen, omdat hij geen familie of vrienden in de buurt heeft. Dit terwijl de vrouw wèl alternatieve woonruimte tot haar beschikking heeft. Zij verblijft immers al vanaf eind september/begin oktober 2025 met de minderjarigen in de woning van haar broer in [plaats 2] . Gesteld noch gebleken is dat zij daar voorlopig niet kan blijven. De rechtbank begrijpt dat deze situatie niet ideaal is voor de vrouw (en de kinderen), omdat er nog meer familieleden van de vrouw in die woning wonen en zij met de kinderen in de woonkamer moet slapen. Dit neemt echter niet weg dat zij, anders dan de man op het moment dat hij de echtelijke woning zou moeten verlaten, wel (tijdelijk) onderdak heeft. Ook heeft de man voldoende aannemelijk gemaakt dat de kans dat hij in aanmerking komt voor een andere woning klein is, omdat hij als vluchteling naar Nederland is gekomen en vrij recent (in juli 2024) een woning toegewezen heeft gekregen. Overigens valt niet in te zien dat, zoals de vrouw stelt, de man meer mogelijkheden zou hebben om een andere woning te krijgen dan de vrouw, vanwege het enkele feit dat hij langere tijd in Nederland woont. De rechtbank neemt in de belangenafweging ook in aanmerking dat de man al geruime tijd, namelijk sinds juli 2024, in de echtelijke woning woonachtig, terwijl de vrouw daar maar een aantal weken (van begin augustus 2025 tot eind september/begin oktober 2025) heeft gewoond. Naar het oordeel van de rechtbank is bovendien niet is komen vast te staan dat de vrouw de echtelijke woning noodgedwongen heeft moeten verlaten vanwege huiselijk geweld door de man. De vrouw heeft nagelaten deze, door de man uitdrukkelijk betwiste, stelling uit te werken -onduidelijk is gebleven waaruit de gestelde mishandeling dan uit zou hebben bestaan - en met stukken te onderbouwen, hetgeen wel op haar weg had gelegen. Omdat deze procedure zich niet leent voor een nader onderzoek naar de feiten zal de rechtbank deze beschuldiging van de vrouw daarom niet betrekken bij de belangenafweging. Daarnaast heeft te gelden dat onvoldoende is gebleken dat, zoals de vrouw stelt, de minderjarigen niet in [plaats 2] naar school kunnen zouden kunnen gaan, omdat zij in de BRP nog staan ingeschreven op het adres van de echtelijke woning in [plaats 1] . Ook deze omstandigheid kan dus geen rol spelen bij de belangenafweging. Ten slotte heeft de rechtbank meegenomen in haar beslissing dat de echtelijke woning (en daarmee de school) in [plaats 1] geen dusdanig vertrouwde plek is voor de minderjarigen dat om die reden zou moeten worden geoordeeld dat het in het belang van de minderjarigen is dat zij daarnaar terugkeren. De minderjarigen wonen inmiddels immers al veel langere tijd in [plaats 2] dan dat zij in [plaats 1] hebben gewoond.
3.15.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het belang van de man bij het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning op dit moment groter is dan het belang van de vrouw. Dat brengt mee dat het zelfstandig verzoek van de man wordt toegewezen. Het verzoek van de vrouw wijst de rechtbank daarmee af.
Directe werking
3.16.
Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 824 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, gelegen te [plaats 1] , aan [adres] , en beveelt de vrouw die woning te verlaten en deze verder niet te betreden;
4.2.
bepaalt dat aan de vrouw worden toevertrouwd de minderjarigen:
1. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2016 te [geboorteplaats 1] , Libanon, en
2. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2021 te [geboorteplaats 2] , Syrië.
4.3.
bepaalt dat de man en genoemde minderjarigen in het kader van de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar gedurende één weekend per veertien dagen van zaterdag tot en met zondag, nader in onderling overleg door partijen te regelen;
4.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, rechter tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 in tegenwoordigheid van mr. Van ’t Veer-Bax, griffier,