ECLI:NL:RBZWB:2026:2027

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443519 / FA RK 25-6752
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Hopmans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 824 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorzieningen: exclusief gebruik woning en toevertrouwing minderjarigen aan vrouw

Partijen zijn gehuwd sinds 18 juni 2021 en hebben drie minderjarige kinderen. De man heeft de echtelijke woning op 2 november 2025 verlaten en verblijft sindsdien bij zijn ouders. De vrouw en kinderen wonen nog in de woning. De vrouw verzoekt om het exclusieve gebruik van de woning en toevertrouwing van de kinderen aan haar toe te wijzen.

De rechtbank constateert dat de vrouw de hoofdopvoeder is en dat de kinderen gewend zijn aan haar zorg. De man heeft alternatieve woonruimte en ziet de kinderen één weekend per twee weken. Er zijn spanningen tussen partijen die een hernieuwde samenwoning onwenselijk maken. Birdnesting wordt als onhaalbaar beoordeeld vanwege gebrek aan communicatie.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseert persoonlijke hulpverlening en bevestigt het belang van rust voor de kinderen. De rechtbank volgt dit advies en wijst de verzoeken van de vrouw toe. De man wordt bevolen de woning te verlaten. De beschikking heeft directe werking en is niet vatbaar voor hoger beroep.

Uitkomst: De vrouw krijgt het exclusieve gebruik van de woning en de toevertrouwing van de minderjarige kinderen toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/443519 / FA RK 25-6752
datum uitspraak: 17 februari 2026
beschikking betreffende voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de vrouw],
wonend in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. W. van der Sande, kantoorhoudend in Goes,
en
[de man],
wonend in [woonplaats 1] , aan de [adres 1] , maar feitelijk verblijvende in [woonplaats 2] , aan het [adres 2] ,
hierna te noemen de man.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit het volgende stuk:
- het op 30 december 2025 ontvangen verzoekschrift tot het verkrijgen van voorlopige voorzieningen met bijlage.
1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 3 februari 2026. Bij die gelegenheid is verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3. Na te noemen minderjarige [minderjarige 1] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Zij heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en een kindgesprek gehad met de kinderrechter op 29 januari 2026.
1.4. Op 21 november 2025 heeft de vrouw een echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt (bekend onder zaaknummer C/02/442296 / FA RK 25-6057).

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op 18 juni 2021 te Goes met elkaar gehuwd.
2.2.
Partijen hebben de volgende nu nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2017 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2018 te [geboorteplaats] .
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 2] 2018 te [geboorteplaats] .
2.3.
De man heeft de echtelijke woning op 2 november 2025 verlaten en sindsdien zijn intrek genomen bij zijn ouders in [woonplaats 2] . De vrouw en de minderjarigen verblijven tot op heden in de echtelijke woning in [woonplaats 1] .

3.De verzoeken

3.1.
De vrouw verzoekt bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en voor de duur van het geding:
I. te bepalen dat de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning staande en gelegen te [woonplaats 1] , gemeente Goes, aan [adres 1] , alsmede de zich daarin bevindende inboedel, met - voor zover nodig - bevel aan de man deze woning te verlaten en niet meer te betreden;
II. te bepalen dat voormelde minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aan de vrouw worden toevertrouwd.
3.2.
De man heeft tijdens de zitting mondeling gereageerd op de verzoeken van de vrouw.
3.3.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Ter onderbouwing van haar verzoeken heeft de vrouw het volgende aangevoerd. De vrouw heeft recht op en belang bij het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. De man beschikt aantoonbaar over reële alternatieve woonruimte bij zijn ouders in [woonplaats 2] . Er is geen sprake van dakloosheid, noodopvang of andere schrijnende woonsituatie aan zijn zijde. De minderjarigen verblijven bij de vrouw in de echtelijke woning en hebben daar hun verblijf, school, sociale omgeving en dagelijkse structuur. Een terugkeer van de man in de woning zal onvermijdelijk leiden tot spanningen, onrust en gevoelens van onveiligheid. Dit is niet in het belang van de kinderen. Samenwoning tussen partijen is aantoonbaar niet langer werkbaar gebleken. De spanningen binnen de relatie zijn zodanig opgelopen dat voortgezet samenleven heeft geleid tot conflicten en escalaties. De vrouw heeft recht op rust en veiligheid voor zichzelf en de kinderen. Gelet op het vrijwillige vertrek van de man, de bestendige feitelijke situatie, de belangen van de minderjarigen en het reële risico op escalatie kan van de vrouw dan ook niet worden gevergd dat zij opnieuw samenwoont met de man. De door de man voorgestelde regeling van birdnesting is voor de vrouw geen optie, omdat zij de hoofdopvoeder is van de kinderen. Bovendien vergt een dergelijke regeling veel afstemming tussen partijen. Dit is niet mogelijk en zal tot veel conflicten en escalaties leiden. De vrouw acht het wenselijk en noodzakelijk dat de minderjarigen aan haar worden toevertrouwd, omdat zij tijdens de samenleving van partijen met merendeel van de tijd voor de minderjarigen heeft gezorgd en ook sinds het vertrek van de man uit de echtelijke woning de hoofdopvoeder van de kinderen is. De minderjarigen zijn nog jong en gewend aan deze situatie.
4.2.
De man heeft als reactie op de verzoeken van de vrouw tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. Het belang van de minderjarigen staat bij de man voorop. De man ziet de minderjarigen op dit moment één weekend per veertien dagen van vrijdag 14.00 uur tot zondag 17.00 uur in [woonplaats 2] . Deze zorgregeling verloopt goed. De man is blij om de kinderen te zien. De man vindt dat (ook) de vrouw bij haar moeder kan inwonen. De moeder van de vrouw heeft meer ruimte dan de ouders van de man. De man is op zoek naar een andere woning in (de omgeving van) [woonplaats 1] . Hij wil dicht(er) bij de kinderen zijn. Zolang de echtelijke woning niet is verdeeld, heeft de man beperkte financiële mogelijkheden om een andere woning te vinden. De vrouw wil echter niet meewerken aan een taxatie van de woning. De man heeft de vrouw eerder voorgesteld om ieder om beurten steeds een week in de echtelijke woning verblijven om voor de minderjarigen te zorgen, maar dit wil de vrouw niet.
4.3.
De vertegenwoordigster van de Raad heeft tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. De Raad maakt zich zorgen over de situatie van partijen en daarmee die van de kinderen. De Raad vreest ervoor dat als partijen op deze manier doorgaan de situatie tussen hen escaleert waardoor het moeilijk wordt de scheiding en daarmee een stabiele situatie voor de kinderen te realiseren. De Raad adviseert de ouders, en met name de man, persoonlijke hulpverlening in te schakelen om te leren omgaan met de scheidingsproblematiek zonder de kinderen daarmee te belasten. De Raad vindt het lastig een passend advies uit te brengen over de verzoeken van de vrouw en betwijfelt zeer of een regeling van birdnesting waarbij de man de conform de door partijen overeengekomen zorgregeling een weekend per twee weken en de vrouw de overige tijd zorg draagt voor de kinderen in de echtelijke woning, haalbaar is voor partijen. Als dat niet het geval is adviseert de Raad om voorlopig de huidige situatie te bekrachtigen in die zin dat de kinderen worden toevertrouwd aan de vrouw en het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning wordt toegewezen aan de vrouw. De Raad volgt de rechtbank in haar advies aan de man om een advocaat te zoeken, zodat partijen de scheiding kunnen regelen. In opvolging daarvan adviseert de Raad partijen zich, als de tijd daar rijp voor is, in verband met hulpverlening in de vorm van ouderschapsbemiddeling te wenden tot de gemeente, zodat zij onder begeleiding van een hulpverleningsinstantie leren om samen ouder te zijn en hun partnerrelatie af te hechten.
Toevertrouwing van de minderjarigen
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van de minderjarigen is dat zij worden toevertrouwd aan de vrouw. Als onweersproken staat vast dat de vrouw tijdens de samenleving van partijen de hoofdopvoeder van de minderjarigen was. Ook sinds het vertrek van de man uit de echtelijke woning neemt zij het overgrote deel van de tijd de verzorging en opvoeding van de kinderen voor haar rekening. Dit betekent dat, zoals ook door de Raad aangegeven, de minderjarigen er aan gewend zijn dat hun moeder het merendeel van de tijd voor hen zorgt. Het is in het belang van de minderjarigen dat dit in ieder geval voorlopig zo blijft. Dit geldt temeer nu het feitelijk uiteengaan van partijen en de daarmee gepaard gaande spanningen en escalaties tussen partijen veel onrust en ingrijpende veranderingen voor de minderjarigen met zich hebben gebracht. Het is in het belang van de minderjarigen dat de rust die er nu is, behouden blijft. De man heeft overigens geen (nadrukkelijk) verweer gevoerd tegen toevertrouwing van de kinderen aan de vrouw en ook niet verzocht de kinderen aan hem toe te vertrouwen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen en de kinderen aan haar toevertrouwen.
Uitsluitend gebruik woning
4.5.
Op grond van de inhoud van het verzoekschrift en dat wat tijdens de zitting naar voren is gebracht is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat er tussen partijen zodanige spanningen bestaan, dat niet van hen kan worden gevergd dat zij (tijdelijk) opnieuw met elkaar gaan samenwonen in de echtelijke woning. Tijdens de zitting heeft de rechtbank namelijk de aanwezigheid van deze spanningen en daarmee gepaard gaande emoties geconstateerd. Beide partijen hebben desgevraagd tijdens de zitting ook verklaard een hernieuwde samenwoning in de echtelijke woning niet te zien zitten, aangezien dit onvermijdelijk zal leiden tot nieuwe conflicten en escalaties, hetgeen niet in het belang van de minderjarigen is. Zoals hiervoor al overwogen is het in het belang van de minderjarigen dat de rust die er sinds het feitelijk uiteengaan van partijen is, behouden blijft. De rechtbank is van oordeel dat een regeling van birdnesting, in die zin dat de man een weekend per twee weken en de vrouw de overige tijd in de echtelijke woning voor de minderjarigen zorgt, evenmin tot de mogelijkheden behoort. Een dergelijk regeling vergt een goede afstemming en communicatie tussen partijen. Hiervan is op dit moment geen sprake. De echtscheidingsproblematiek en de daarbij behorende emoties zitten beide partijen, en met name de man, op dit moment - begrijpelijkerwijs - nog erg hoog. Gelet op het voorgaande, daarbij in ogenschouw nemend dat de minderjarigen worden toevertrouwd aan de vrouw en de man beschikt over alternatieve woonruimte, is de rechtbank van oordeel dat de huidige situatie in het belang van de minderjarigen op dit moment moet worden gecontinueerd in die zin dat de vrouw voorlopig met de minderjarigen in de echtelijke woning woont en de man omgang met de kinderen heeft in [woonplaats 2] . Het verzoek van de vrouw tot het uitsluitend gebruik van de woning zal dan ook worden toegewezen. De rechtbank begrijpt dat deze situatie voor de man vanwege de reisafstand verre van ideaal is en hoopt dat het de man snel lukt om een woning in (de omgeving van) [woonplaats 1] te vinden, zodat hij dicht(er) bij de kinderen is en (weer) een grotere rol in het leven van de kinderen kan vervullen.
4.6.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij, zoals op de zitting al aan de orde gekomen, de man dringend in overweging geeft om ten behoeve van de bodemprocedure een advocaat te zoeken, zodat de echtscheiding tussen partijen in onderling overleg en door tussenkomst van beide advocaten goed kan worden geregeld en daarmee een stabiele situatie voor de kinderen wordt gecreëerd. Dit om te voorkomen dat de situatie tussen partijen (verder) escaleert. Evenals de Raad acht de rechtbank het daarnaast raadzaam dat partijen te gelegener tijd een traject van ouderschapsbemiddeling volgen om te leren samen ouder te zijn en hun partnerrelatie af te hechten. Partijen moeten immers, gelet op de jonge leeftijd van hun kinderen, als ouders nog lange tijd met elkaar communiceren en gezamenlijk beslissingen nemen over de kinderen, daarbij steeds het belang van de kinderen voorop stellend.
Directe werking
4.7.
Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 824 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning en de zich daarin bevindende inboedel, gelegen te [woonplaats 1] , gemeente Goes, aan [adres 1] , en beveelt de man die woning te verlaten en deze verder niet te betreden;
5.2.
bepaalt dat aan de vrouw worden toevertrouwd de minderjarigen:
1. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2017 te [geboorteplaats] ,
2. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2018 te [geboorteplaats] , en
3. [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 2] 2018 te [geboorteplaats] .
Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, rechter tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 in tegenwoordigheid van mr. Van ’t Veer-Bax, griffier.