ECLI:NL:RBZWB:2026:2028

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
C/02/437762 FA RK 25-3669
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Bollen
  • Maas-Klink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 lid 1 BWArt. 1:401 lid 4 BWArt. 22 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot nihilstelling of verlaging kinderalimentatie wegens onvoldoende bewijs financiële draagkracht

De man verzocht de rechtbank om de kinderalimentatie voor zijn minderjarige kinderen met ingang van 5 juli 2022 nihil of aanzienlijk lager vast te stellen. Hij stelde dat de oorspronkelijke bijdrage niet aan de wettelijke maatstaven voldeed omdat deze was gebaseerd op onjuiste of onvolledige gegevens, mede doordat hij destijds geen verweer voerde vanwege gezondheidsproblemen en financiële problemen. Tevens voerde hij gewijzigde omstandigheden aan, zoals het feit dat een kind sinds medio 2024 bij hem woont en dat hij nieuwe kinderen heeft.

De bewindvoerder betwistte deze stellingen en stelde dat de man onvoldoende financiële gegevens heeft verstrekt om zijn draagkracht te onderbouwen. De rechtbank oordeelde dat de man onvoldoende bewijs heeft geleverd van zijn financiële situatie, mede doordat hij slechts beperkte belastingaangiften en facturen overlegde zonder toelichting of volledige jaarstukken. Ook ontbraken gegevens over 2023 en prognoses voor latere jaren. De rechtbank stelde dat de man zijn stelplicht niet heeft vervuld en daarmee ook artikel 22 Rv Pro heeft geschonden.

De rechtbank concludeerde dat de oorspronkelijke beschikking mogelijk op onvolledige gegevens was gebaseerd, maar dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële draagkracht om een wijziging te rechtvaardigen. Ook het beroep op gewijzigde omstandigheden faalde door het gebrek aan bewijs. Het verzoek tot wijziging van de alimentatie werd daarom afgewezen.

De uitspraak werd gedaan door mr. Bollen en mr. Maas-Klink op 17 februari 2026. Tegen deze beschikking kan binnen drie maanden hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: Het verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van gewijzigde omstandigheden en onvoldoende onderbouwing van financiële draagkracht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/437762 FA RK 25-3669
datum uitspraak: 17 februari 2026
beschikking betreffende levensonderhoud
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J.A.N. Lap,
en
[de bewindvoerder] B.V.,
in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 2] , hierna te noemen de vrouw,
gevestigd te [plaats] ,
verder te noemen de bewindvoerder;
advocaat mr. N.P. Scholte.

1.Het procesverloop

1.1.
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van de rechtbank Gelderland van 10 juli 2025, waarbij de zaak is verwezen naar deze rechtbank;
- het op 23 mei 2025 ingediende verzoekschrift met bijlagen;
- de op 27 juni 2025 ingediende akte wijzigen verzoek;
- het op 11 juni 2025 ingediende verweerschrift met bijlagen;
- de brief van mr. Scholte van 18 december 2025 met bijlagen;
- de akte overlegging producties van mr. Lap van 31 december 2025 met bijlagen;
- de beschikking van de rechtbank van 2 mei 2023.
1.2.
De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 13 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat, en de vrouw.
2. De feiten
2.1.
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat het volgende vast:
- de man en de vrouw hebben een relatie met elkaar gehad;
- uit hun relatie zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2011,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2013;
- deze kinderen zijn door de man erkend.
- de man en de vrouw zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over die minderjarigen;
- [minderjarige 2] verblijft bij de vrouw en [minderjarige 1] verblijft sinds medio 2024 bij de man;
- de man heeft een relatie met mw. [persoon 1] en uit deze relatie zijn de volgende minderjarigen geboren:
1. [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2015;
2. [minderjarige 4] , geboren op [geboortedag 4] 2017;
- de vrouw is op [datum] 2021 getrouwd met de heer [persoon 2] .
2.2.
Ingevolge voormelde beschikking van 2 mei 2023 dient de man met ingang van 5 juli 2022 € 341,= per maand per kind te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Deze bijdrage bedraagt nu -inclusief de wettelijke indexering- € 417,13 per maand per kind.

3.Het verzoek

3.1.
De man verzoekt, samengevat:
-
primair:
de door hem te betalen bijdrage voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 5 juli 2022 nader vast te stellen op nihil;
-
subsidiair:
de door hem te betalen bijdrage voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 5 juli 2022 tot de datum van indiening van het verzoekschrift nader vast te stellen op nihil, en
bepaling dat vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift de bijdrage voor [minderjarige 1] op nihil wordt gesteld en de bijdrage voor [minderjarige 2] op € 83,= per maand, dan wel op een lager bedrag wanneer de actuele financiële situatie van de man daartoe aanleiding geeft.
3.2.
De bewindvoerder voert verweer. Op de standpunten van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4.De beoordeling

Grondslag verzoek van de man
4.1.
De man voert primair als grond voor zijn verzoek aan dat de bij voormelde beschikking vastgestelde bijdrage van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Ter onderbouwing van de primaire grondslag van zijn verzoek voert de man aan dat hij in de eerdere procedure geen verweer heeft gevoerd en dat er door de rechtbank nooit een berekening is gemaakt. Hij voerde toen geen verweer omdat hij op dat moment lichamelijke en mentale klachten had, als gevolg van de rumoerige jaren na de verbreking van de relatie met de vrouw. Het ging ook financieel niet goed, waardoor hij het overzicht kwijtraakte. Hij heeft de door de rechtbank vastgestelde bijdrage nooit kunnen betalen en heeft feitelijk ook nooit iets betaald. Op verzoek van de vrouw is de rechtbank destijds uitgegaan van een bruto jaarinkomen uit loondienst van € 34.100,=. In werkelijkheid had de man alleen inkomen uit zijn onderneming en dat was veel lager dan het inkomen dat door de vrouw werd benoemd in de eerdere procedure. De onderneming liep steeds slechter doordat de man vanwege alle stress na het uiteengaan zijn werk niet meer de volle aandacht kon geven. Hij is hierdoor in de financiële problemen gekomen. Ook is er een schuld ontstaan bij zijn boekhouder, waardoor de boekhouder vanaf 2023 geen werkzaamheden meer heeft verricht en er geen jaarstukken meer zijn opgesteld. Ter zitting heeft de man gesteld dat er daarnaast nog een flink aantal privéschulden is ontstaan, onder meer bij de Belastingdienst.
Verder heeft de man tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht zich ervan bewust te zijn dat hij weinig stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn verzoek, maar het is volgens hem onaanvaardbaar als de alimentatie niet op nihil wordt gesteld. De zoon van de hem en de vrouw woont bij hem en hij ervaart eindelijk rust en stabiliteit. Daarnaast behoren er nog twee kinderen tot het gezin van de man. Er ligt op dit moment beslag op zijn woning in verband met de niet betaalde alimentatie. Als de alimentatie in stand blijft, zal er een schuld voor achterstallige alimentatie blijven bestaan. Dit zal tot gevolg hebben dat de woning van de man, waar ook [minderjarige 1] en de andere twee kinderen wonen, executoriaal verkocht wordt en dit moet voorkomen worden.
Mocht de rechtbank wel tot een wijziging van de alimentatie komen, dan dient de alimentatie op een lager bedrag te worden bepaald. Tijdens de zitting heeft de man naar voren gebracht welke bedragen dit volgens zijn berekeningen vanaf 2023 jaarlijks moeten zijn.
4.2.
Daarnaast voert de man als grond voor zijn verzoek aan dat sinds voormelde beschikking de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de vastgestelde bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. In dit verband stelt de man dat [minderjarige 1] sinds de zomervakantie van 2024 bij hem woont, hij in 2015 en 2017 vader is geworden van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , er diverse wijzigingen hebben plaatsgevonden in zijn inkomen en tot slot dat de vrouw is getrouwd met de heer [persoon 2] .
Verweer van de bewindvoerder
4.3.
De bewindvoerder betwist dat de beschikking nimmer aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan. De man heeft destijds ruim de tijd gehad om, zowel voordat de vrouw een procedure opstartte als nadat zij een verzoekschrift had ingediend, aan haar volledige inzage te geven in zijn financiële situatie. De man heeft er echter voor gekozen om geen inzage te geven en ook geen verweerschrift in te dienen. Na ontvangst van de beschikking heeft hij geen hoger beroep ingesteld. Volgens de bewindvoerder is het bij de man geen kwestie van niet kunnen betalen, maar niet willen betalen.
Omdat de man bij de eerdere procedure geen financiële gegevens heeft aangeleverd, is de stelling dat de rechtbank destijds van onjuiste gegevens is aangegaan, onjuist. Verder onderbouwt de man met de stukken die hij in het kader van de onderhavige procedure heeft ingediend, onvoldoende dat hij geen draagkracht had om de eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage te betalen. De fiscale verslagen inkomstenbelasting over 2021 en 2022 zijn in dit verband onvoldoende. De bewindvoerder betwist ook de juistheid van de fiscale verslagen en het inkomen dat de man over de jaren 2021 en 2022 stelt te hebben genoten, althans, deze gegevens bieden geen juiste weergave van het inkomen van de man om de draagkracht te kunnen bepalen. Volgens de bewindvoerder kloppen de cijfers niet die de man aan de Belastingdienst opgeeft. Over 2023 overlegt de man geen gegevens. Over de jaren 2024 en 2025 overlegt de man enkel facturen. Het is niet bekend hoe hoog de omzet is in die jaren en de bedrijfskosten worden door de man geschat. De bewindvoerder betwist verder dat de man geen financiële gegevens kan aanleveren omdat hij schulden heeft bij zijn boekhouder, want dit blijkt nergens uit. Ook zijn er geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de man de op zitting opgevoerde schulden heeft. Bij gebrek aan de benodigde stukken kan dus niet worden vastgesteld of de in de beschikking van 2 mei 2023 vastgelegde bijdrage niet voldoet aan de wettelijke maatstaven.
Van aanvang af niet voldaan aan wettelijke maatstaven
4.4.
De man beroept zich ter onderbouwing van zijn verzoek primair op artikel 1:401 lid 4 BW Pro. De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat de man geen verweer heeft gevoerd en geen financiële stukken heeft aangeleverd in de procedure die geleid heeft tot de uitspraak waarvan de man nu wijziging verzoekt, en tegen die uitspraak evenmin hoger beroep heeft ingesteld, geen grond vormt om te oordelen dat artikel 1:401 lid 4 BW Pro geen toepassing heeft.
4.5.
Op het moment dat de vrouw de eerdere procedure bij de rechtbank aanhangig maakte, heeft zij er geen melding van gedaan dat de man inmiddels twee kinderen had gekregen waarvoor hij, net als reeds voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , onderhoudsplichtig was. Verder zijn er toen geen verifieerbare financiële gegevens van de man in het geding gebracht. Op basis hiervan komt de rechtbank tot de conclusie dat zij in de zaak die heeft geleid tot de beschikking van 2 mei 2023 van onvolledige en onjuiste gegevens is uitgegaan. De uitspraak in die beschikking heeft daardoor mogelijk van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven beantwoord.
4.6.
Om te kunnen beoordelen of de opgelegde bijdrage van aanvang niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord en wat dan wel een bijdrage is die in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven, moet (in elk geval) de financiële draagkracht van man, als onderhoudsplichtige ouder, worden onderzocht.
De stelplicht ten aanzien van zijn draagkracht rust op de man. Het ligt dan ook op zijn weg om, bij betwisting van zijn stellingen over zijn draagkracht, bewijsstukken in het geding te brengen over zijn financiële positie in de jaren waarover hij nihilstelling, dan wel verlaging van de bijdrage verzoekt. De man was/is zelfstandig ondernemer; hij exploiteert een eenmanszaak. Om de juistheid van zijn stellingen over zijn draagkracht in het verleden, heden en de toekomst te kunnen beoordelen, dient de man relevante financiële gegevens in het geding te brengen, zoals (definitieve) jaarrekeningen (balans, winst-en-verliesrekening en kasstroomoverzichten) van zijn onderneming over de jaren 2022 tot met 2025, de belastingaangiften en -aanslagen, én stukken, zoals een prognose van de resultaten van zijn onderneming, waarmee de in de toekomst te verwachten winst uit onderneming voor de toekomst kan worden onderbouwd.
De man volstaat ter onderbouwing van zijn verzoek echter met het in het geding brengen van twee belastingaangiftes, over 2021 en 2022, en de spreekwoordelijke “schoenendoos”, bestaande uit een verzameling facturen over de jaren 2024 en 2025. De man heeft geen optelling gemaakt van de factuurbedragen en deze in de stukken niet van een toelichting of conclusie voorzien. Pas tijdens de zitting nam de man hierover een standpunt in. De rechtbank kan op basis van de overgelegde facturen niet vaststellen dat hieruit de totale omzet over de jaren 2024 en 2025 valt af te leiden. Inzicht in de kosten over deze kalenderjaren heeft de man niet gegeven. Dit maakt dat de door de man ter zitting gemaakte optelsom van alle factuurbedragen niet volstaat om een juist uitgangspunt te zijn voor de berekening van de draagkracht van de man in 2024 en 2025. Over 2023 is geen enkel stuk in de procedure gebracht. Een prognose voor 2026 en eventuele latere kalenderjaren ontbreekt. Tijdens de zitting heeft de man gesteld dat hij per 1 februari 2026 niet langer zelfstandig ondernemer is en in loondienst werkzaam zal zijn, maar stukken die deze stelling onderbouwen en waaruit het door de man te verdienen salaris volgen, zijn niet overgelegd. Verder is door de man eerst tijdens de zitting gesteld dat hij schulden heeft die zijn draagkracht beïnvloeden, maar iedere onderbouwing van deze stelling ontbreekt. Door de man zijn wel enkele bedragen genoemd, maar van lang niet alle schulden kon informatie worden gegeven over de aard en/of de omvang daarvan, welke oorzaak aan het ontstaan ervan ten grondslag lag en de hoogte van de aflossingsverplichting. De man heeft aangevoerd dat hij een schuld aan zijn boekhouder heeft en om die reden niet over de benodigde financiële stukken beschikt. Voor zover van de juistheid van die stelling moet worden uitgegaan, is dit een omstandigheid die voor rekening en risico van de man komt. Ter zitting bleek dat de advocaat van de man draagkrachtberekeningen over de jaren 2023 tot en met 2025 had gemaakt, maar deze zijn niet voorafgaand aan de zitting in het geding gebracht en bovendien is gebleken dat de in die berekening opgenomen bedragen betreffende de winst uit onderneming grotendeels op schattingen berust. De rechtbank merkt hierbij op dat door deze procesvoering van de man zowel de rechtbank als de wederpartij op zitting zijn overvallen door standpunten van de man, die deels nieuw waren en voor een groot deel niet onderbouwd met stukken. Dit maakt dat de wederpartij niet in staat is geweest om adequaat te reageren op die standpunten en aldus is belemmerd in het voeren van verweer.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de man, mede gelet op de gemotiveerde betwisting zijdens de bewindvoerder, onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt met relevante financiële stukken wat zijn financiële positie was sinds 2021 en er dus geen reële inschatting kan worden gemaakt van zijn draagkracht in de afgelopen jaren. Dit resulteert niet alleen in de conclusie dat de man geen bewijs heeft geleverd van zijn stelling over zijn draagkracht tijdens de in het geding zijnde periode en de stelling dat de geldende bijdrage van aanvang niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan, maar het levert bovendien een schending op van de verplichting die op grond van artikel 22 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) op hem rust, inhoudende dat partijen voldoende gegevens en bewijsstukken moeten verschaffen voor de beoordeling van een geschil. Als niet aan die verplichting is voldaan, mag de rechtbank hieraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht en deze zijn voor rekening en risico van de man
.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie op grond van art. 1:401 lid 4 BW Pro wordt afgewezen.
Wijziging van omstandigheden
4.7.
De man voert daarnaast als grond voor zijn verzoek aan dat sinds voormelde beschikking de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de vastgestelde bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Tussen partijen is niet in geschil dat er gewijzigde omstandigheden zijn in de zin van art. 1:401 lid 1 BW Pro. Dit betekent dat er grond is om te onderzoeken of op grond van die wijzigingen de eerder vastgestelde bijdrage heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Er dient derhalve onderzoek te worden gedaan naar de behoefte van de onderhoudsgerechtigden en de financiële draagkracht van de onderhoudsplichtigen.
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van de man dat is gebaseerd op 1:401 lid 1 BW ook moet worden afgewezen, omdat door hem, zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.6. al is overwogen, onvoldoende stukken zijn overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat door (onder meer) een gebrek aan draagkracht van zijn zijde de onderhoudsbijdrage niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven en omdat de man daarmee voorts de verplichting ex artikel 22 Rv Pro heeft geschonden.

5.De beslissing

De rechtbank
wijst het verzoek van de man af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, en in tegenwoordigheid van mr. Maas-Klink in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.