ECLI:NL:RBZWB:2026:203
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning voor tijdelijk AZC wegens gebrek aan belanghebbendheid
Op 20 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak met nummer BRE 25/6618. Het betreft een verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen een omgevingsvergunning voor een tijdelijke noodopvang voor asielzoekers. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de verzoekers geen belanghebbenden zijn bij het besluit, omdat zij op een afstand van ongeveer een kilometer van de vergunde locatie wonen en geen zicht hebben op deze locatie. Hierdoor zijn zij niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaren.
De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat verzoekers niet in staat zijn om hun belanghebbendheid aan te tonen. Een gemachtigde van de verzoekers heeft wel een motivering gegeven, maar deze is niet voldoende om aan te nemen dat er sprake is van een persoonlijk, objectief bepaalbaar en rechtstreeks belang. De voorzieningenrechter heeft geconcludeerd dat de toename van verkeer en het gebruik van voorzieningen door bewoners van het asielzoekerscentrum niet leidt tot een voldoende persoonlijk belang voor de verzoekers.
Daarom heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen, met de conclusie dat het verzoek kennelijk ongegrond is. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen hoger beroep of verzet open tegen deze beslissing.