ECLI:NL:RBZWB:2026:2051

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
21 maart 2026
Zaaknummer
C/02/432942 / FA RK 25-1290
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Sumner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253c BWArt. 1:377a BWArt. 8 EVRMArt. 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Begeleide omgang en aanhouding gezamenlijk gezag in belang minderjarige met risico huiselijk geweld

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de vader om gezamenlijk gezag en een omgangsregeling met zijn minderjarige kind. De moeder stemde in met de omgangsregeling, maar niet met het gezamenlijk gezag. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling adviseerden aanhouding van het gezagsverzoek en voortzetting van de omgang onder begeleiding.

De rechtbank constateerde dat omgang in het belang van het kind is, maar dat vanwege de problematiek van het kind, waaronder loyaliteitsconflicten en gedragsproblemen, en een mogelijk risico op huiselijk geweld, de omgang begeleid moet plaatsvinden. De regie over de omgang wordt belegd bij de gecertificeerde instelling, die ook het opbouwschema bepaalt.

Het verzoek tot gezamenlijk gezag wordt aangehouden om de ontwikkelingen te volgen. De moeder heeft een wettelijke informatieplicht richting de vader, die essentieel is voor betrokkenheid bij de zorg. De rechtbank benadrukt het belang van veiligheid en het voorkomen van risico's voor het kind en de ouders, in lijn met het Verdrag van Istanbul en relevante internationale verdragen.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.

Uitkomst: De rechtbank stelt begeleide omgang onder regie van de gecertificeerde instelling vast en houdt het verzoek tot gezamenlijk gezag aan.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/432942 / FA RK 25-1290
Datum uitspraak: 18 februari 2026
Nadere beschikking over gezamenlijk gezag en vaststelling omgangs- c.q. zorgregeling en informatieregeling
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. A. Koop-van Vliet te Breda,
tegen
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.A.P. van Haperen te Breda,
over de minderjarige:
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank (nader) over de verzoeken te adviseren.
Als belanghebbende in deze procedure wordt aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Brabant,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI.

1.Het verdere procesverloop

1.1
Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van de rechtbank van 22 mei 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- het e-mailbericht van de Raad van 21 november 2025;
- het F9-formulier met bijlage van 4 december 2025 van mr. Koop-van Vliet;
- het F9-formulier met bijlage van 4 december 2025 van mr. Van Haperen;
- het op 10 december 2025 ontvangen rapport van de Raad;
- het F9-formulier met bijlagen van 8 januari 2026 van mr. Van Haperen;
- het F9-formulier met bijlage van 15 januari 2026 van mr. Koop-van Vliet.
1.2
De behandeling van de verzoeken heeft plaatsgevonden tijdens de zitting met gesloten deuren op 20 januari 2026. Bij die behandeling zijn verschenen partijen, met hun advocaten. Ook waren vertegenwoordigers aanwezig namens de Raad en de GI. De vertegenwoordiger van de GI was aanwezig via een digitale beeldverbinding.
1.3
De zaak is gelijktijdig behandeld met de samenhangende zaak met nummer C/02/442859 / JE RK 25-2204. In de samenhangende zaak is bij aparte beschikking van
20 januari 2026 beslist.

2.De feiten

2.1
Bij voormelde beschikking van 22 mei 2025 heeft de rechtbank de Raad verzocht een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in die beschikking vermelde vraag en daarover te rapporteren en te adviseren. De verzoeken van de man zijn aangehouden. De rechtbank heeft zich iedere verdere beslissing voorbehouden.

3.De aangehouden verzoeken

3.1
Aan de beoordeling van de rechtbank liggen de volgende verzoeken voor.
De man verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat de man mede met het gezag wordt belast over [minderjarige] ;
II. een omgangs- c.q. zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] in de even weken van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de man verblijft, waarbij de vrouw zorgdraagt voor het brengen van [minderjarige] naar de man en de man zorgdraagt voor het terugbrengen van [minderjarige] naar de vrouw alsmede de helft van de schoolvakanties en feestdagen, tijdstippen en data in nader onderling overleg te bepalen, althans een zodanige omgangs- c.q. zorgregeling vast te stellen die de rechtbank juist en redelijk acht, en
bij wege van voorwaardelijke verzoeken:
I. te bepalen dat de vrouw, met ingang van de datum van de door de rechtbank af te geven beschikking, de man maandelijks via e-mail - op het voor de vrouw bekende e-mailadres van de man – informeert omtrent belangrijke gebeurtenissen met betrekking tot [minderjarige] waarbij informatie wordt verstrekt over zijn gezondheid, doktersbezoeken, medische behandelingen, medicijngebruik, hobby’s en activiteiten; en
II te bepalen dat de Raad op de kortst mogelijke termijn onderzoek zal doen naar het verzoek van de man tezamen met de vrouw te belasten met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] .
Kosten rechtens.
3.2
De vrouw voert geen verweer tegen de door de man verzochte omgangsregeling. Ten aanzien van de vakantie- en feestdagen zou de vrouw graag zien dat partijen in onderling overleg tot een verdeling komen. Zij stemt niet in met het verzoek van de man ten aanzien van het gezag. De vrouw kan instemmen met toewijzing van het verzoek tot het vaststellen van een informatieverplichting, bij afwijzing van het verzoek tot gezamenlijk gezag.

4.De nadere beoordeling

Het rapport van de Raad
4.1.
Het rapport van de Raad, zoals hiervoor bedoeld in 2.1., is ontvangen op
10 december 2025. De Raad
verzoektde kinderrechter om [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voornoemd voor de periode van één jaar. Dit verzoek is geregistreerd onder het in 1.3. genoemde zaaknummer. Bij beschikking van 20 januari 2026 is op dit verzoek beslist.
De Raad
adviseertde rechtbank om de behandeling van de verzoeken van de man aan te houden voor een periode van tien maanden om partijen de gelegenheid te geven in de tussenliggende periode hulpverlening binnen het gedwongen kader aan te gaan, waarbij de GI de rechtbank kan adviseren ten aanzien van het gezamenlijk gezag.
De standpunten van partijen
4.2.
Tijdens de zitting is ten aanzien van de verzoeken van de man, het verweer van de vrouw en het advies van de Raad samengevat het volgende verklaard.
4.3.1.
Door en namens de man is aangevoerd dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt van de wetgever is. Partijen communiceren niet met elkaar en de hulpverlening stagneert omdat de vrouw geen informatie geeft. De problematiek van [minderjarige] is erg groot en hij vertoont zeer zorgelijk gedrag. Wanneer de man niet wordt meegenomen wordt er blijvend achter de feiten aangelopen. De man zal zich niet bemoeien met de thuissituatie van de vrouw maar het gedrag van [minderjarige] is zo heftig dat het toewijzen van gezamenlijk gezag in zijn ogen noodzakelijk is. [minderjarige] heeft last van een loyaliteitsconflict en dat moet doorbroken worden. De man kan helpen wanneer (het gedrag van) [minderjarige] onhoudbaar is. Ook is het voor hulpverleningsinstanties van belang om te kunnen schakelen.
4.3.2.
Ten aanzien van de omgang tussen de man en [minderjarige] stelt de man dat hiervoor geen contra-indicaties zijn maar dat het gelet op de problematiek van [minderjarige] nu niet haalbaar is op de wijze zoals verzocht. Mogelijk kan worden gestart met begeleide omgang, waarbij [gezinsbegeleiding] de situatie eerst observeert. In het inzetten van het NIKA-traject ziet de man voor nu geen meerwaarde. Dit traject kan in de toekomst nog worden ingezet.
4.4.1.
Van de zijde van de vrouw is naar voren gebracht dat partijen al lange tijd niet op één lijn liggen. Hierdoor heeft de vrouw angst dat bij het toewijzen van gezamenlijk gezag er in het geheel geen beslissingen over [minderjarige] genomen worden. Er is niet alleen hulpverlening voor [minderjarige] nodig, maar ook voor partijen, met name voor de oudercommunicatie. Ook de medicatie van [minderjarige] is een discussiepunt tussen partijen. Het verzoek tot gezamenlijk gezag moet volgens de vrouw daarom worden aangehouden.
4.4.2.
De vrouw vindt de omgang tussen de man en [minderjarige] een lastig onderwerp. Enerzijds mist [minderjarige] de man en anderzijds begrijpt de vrouw dat de omgang voor de man nu niet haalbaar is. Met het inzetten van het NIKA-traject bij de man kunnen hem handvatten worden geboden, waarna omgang zo spoedig mogelijk kan worden opgestart. De vrouw twijfelt of [gezinsbegeleiding] een goede optie is, er is wellicht meer hulp nodig.
4.5.1.
De vertegenwoordiger van de Raad heeft gesteld dat het van groot belang is dat de vrouw informatie geeft aan de betrokken instanties en daarnaast toestemming verleent aan die instanties om informatie aan de man te geven. De man kan dan meedenken. De Raad heeft echter zorgen over het belang van [minderjarige] wanneer partijen op dit moment met het gezamenlijk gezag worden belast. Er moet veel hulpverlening voor [minderjarige] worden ingezet en partijen zijn het daarover nu niet eens.
4.5.2.
De Raad vindt het eveneens van belang dat de omgangsregeling waaraan eerder uitvoering werd gegeven wordt voortgezet maar begrijpt ook dat dit voor de man onmogelijk is gezien de problematiek van [minderjarige] . De omgang tussen de man en [minderjarige] moet echter zo snel mogelijk worden hervat. Het is lastig om te bepalen wat [minderjarige] hierin momenteel aankan. De Raad vindt het nodig dat de man het NIKA-traject kan aangaan.
4.6.
Namens de GI is voorgesteld om de regie voor de omgang tussen de man en [minderjarige] bij de GI te beleggen. Er kunnen dan in dat kader de nodige aanmeldingen worden gedaan, waarna de omgang zo snel mogelijk kan worden gestart en hierin een basis ontstaat.
Juridisch kader: omgang
4.7.
In artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat dat een ouder zonder gezag over het kind, recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van één ouder of op verzoek van de ouders samen een omgangsregeling vaststellen. De rechtbank kan een ouder ook het recht op omgang ontzeggen. Dat kan alleen als er sprake is van één van de volgende omstandigheden:
  • omgang zou schadelijk zijn voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;
  • de ouder is ongeschikt of niet in staat tot omgang met het kind;
  • het kind is twaalf jaar of ouder en heeft laten weten dat hij echt geen contact met de ouder wil;
  • er is een andere redenen waarom omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Het belang van contact
4.8.
Op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting stelt de rechtbank vast dat beide partijen het erover eens zijn dat omgang tussen de man en [minderjarige] in het belang van [minderjarige] is. Door de vertegenwoordigers van de Raad en de GI wordt dit belang onderschreven en wordt ook het belang gezien om dit zo spoedig mogelijk op te starten. Volgens de vrouw mist [minderjarige] de man. De rechtbank deelt het standpunt van partijen, de Raad en de GI. Dit is ook in overeenstemming van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en artikel 3, lid 1 van het Internationale Verdrag inzake de rechten van het Kind (hierna: IVRK). Op grond van deze belangen dienen bij maatregelen met betrekking tot kinderen de belangen van het kind als uitgangspunt voor de daartoe te nemen beslissing. In artikel 9 IVRK Pro is opgenomen dat Staten die partijen zijn bij het IVRK, dienen te waarborgen dat een kind in principe niet wordt gescheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil. Dat recht komt ook tot uitdrukking in de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens op grond van artikel 8 EVRM Pro.
De wijze van contact
4.9.
Bij [minderjarige] is echter sprake van kind eigen problematiek en loyaliteitsproblematiek. Er zijn ernstige zorgen over zijn gedrag en zijn ontwikkeling. Bij voormelde beschikking van 20 januari 2026 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar. Voor de overwegingen hiervoor verwijst de rechtbank naar die beschikking. Gelet op de problematiek bij [minderjarige] en de in te zetten hulpverlening is het op dit moment moeilijk in te schatten welke omgangsregeling het meest passend is in combinatie met wat [minderjarige] aankan.
4.10.
Nu de GI in het kader van de ondertoezichtstelling bij [minderjarige] en partijen betrokken zal zijn is het een logische stap om de regie over de omgang tussen de man en [minderjarige] bij de GI te beleggen. De GI kan in het contact met partijen bekijken wat de beste manier is om het contact tussen de man en [minderjarige] weer op te starten en welke instantie het meest geschikt is om dat te bieden. Daarbij kan, zoals ter zitting is besproken, gedacht worden aan een traject van observatie en begeleiding door [gezinsbegeleiding] en/of (in de toekomst) een NIKA-traject. De GI zal het in te zetten traject monitoren maar dient de man ook handvatten te bieden hoe met het gedrag van [minderjarige] om te gaan. Zowel partijen, als de Raad als de GI hebben ter zitting verklaard dat zij instemmen met deze werkwijze.
4.11.
De rechtbank acht het van belang dat er op een veilige manier contact komt tussen de man en [minderjarige] . Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in voormeld rapport van de Raad wordt verwezen naar huiselijk geweld tussen partijen, waarvan [minderjarige] getuige is (geweest). Het (vermeende) huiselijk geweld wordt in het raadsrapport enerzijds gepresenteerd als een vaststelling, anderzijds als een verklaring dan wel visie vanuit de vrouw. In reactie hierop heeft de vertegenwoordiger van de Raad aangegeven dat er zorgen zijn over huiselijk geweld in het verleden, over gezamenlijke gezagsuitoefening door partijen en over de uitlatingen van de partner van de man richting de vrouw. Door en namens de man is te kennen gegeven dat de man nooit is veroordeeld voor huiselijk geweld. Er is wel sprake geweest van een incident waarbij de man tegen een auto schopte maar daarbij de vrouw raakte. De man betwist dat hij de vrouw lastiggevallen heeft. Hij heeft altijd het beste gewild voor [minderjarige] . Hij wil rust voor zichzelf en voor [minderjarige] . Van de zijde van de vrouw is gesteld dat de beleving van de vrouw anders is. De vrouw ervaart angst en zorg; de uitlatingen van de partner van de man dragen niet bij aan haar vertrouwen. Zij vindt het belangrijk dat ervoor wordt gezorgd dat daar waar nodig het contact veilig is.
4.12.
Hoewel de rechtbank niet kan vaststellen of er sprake is van huiselijk geweld, is het op basis van de ingediende stukken en hetgeen ter zitting is besproken duidelijk dat er wel sprake is van een mogelijk risico op huiselijk geweld waarmee de rechtbank rekening moet houden in haar beslissing (artikel 31 van Pro het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna: het Verdrag van Istanbul). Het Verdrag van Istanbul vereist vervolgens dat incidenten van huiselijk geweld in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de gezag- en omgangsrechten van kinderen, om ervoor te zorgen dat alle regelingen in het belang van het kind zijn en, in het bijzonder, dat de veiligheid van de ouder en van het kind wordt beschermd (EHRM 10 november 2022,
I.M. t. Italië,Zaaknummer 25426/20). In het kader van deze beoordeling dienen eventuele risico’s op geweld of andere vormen van mishandeling daarom een ​​integraal onderdeel van dergelijke procedures vormen (EHRM 5 juli 2016,
Bîzdîga t. Moldavië,Zaaknummer 23755/07).
4.13.
Daarom zal de rechtbank bepalen dat de omgang tussen de man en [minderjarige] begeleid dient plaats te vinden en dat de GI de regie heeft over de frequentie en duur van het contact, alsmede een eventueel opbouwschema.
Juridisch kader: gezag
4.14.
In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen zijn ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.
4.15.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank op dit moment nog geen beslissing geven op het verzoek van de man tot het toekennen van gezamenlijk gezag. De rechtbank begrijpt de wens van de man; hij is betrokken op [minderjarige] en hij heeft zorgen over het gedrag en de ontwikkeling van [minderjarige] . Het is aan de vrouw om de man te informeren over de ontwikkeling van [minderjarige] . Daarbij wijst de rechtbank de vrouw erop dat daartoe op haar als gezagdragende ouder een wettelijke verplichting rust om de man te informeren en te consulteren over zaken die op [minderjarige] betrekking hebben. Wanneer de vrouw deze verplichting niet nakomt is het voor de man niet mogelijk om stappen richting [minderjarige] te kunnen zetten als vader. Het niet betrekken van de man door de vrouw kan mogelijk leiden tot het oordeel dat gezamenlijk gezag in het belang van [minderjarige] wordt geacht. Dit verzoek van de man zal worden aangehouden zodat de ontwikkelingen hierin en ten aanzien van de omgang tussen de man en [minderjarige] kunnen worden gevolgd.
4.16.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
bepaalt dat de man en [minderjarige] recht hebben op begeleide omgang met elkaar, waarbij de GI de regie heeft over de frequentie en de duur van het contact, alsmede een eventueel opbouwschema;
5.2.
verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
houdt de verzoeken van de man ten aanzien van het gezag aan tot
22 december 2026 pro forma;
5.4.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Sumner, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026 in aanwezigheid van Dekkers, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.