ECLI:NL:RBZWB:2026:2052

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
21 maart 2026
Zaaknummer
C/02/428977 / FA RK 24-5439
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Meyboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanwijzing Raad voor de Kinderbescherming voor onderzoek zorgregeling en aanhouding kinderbijdrage

Partijen, ouders van twee minderjarige kinderen, zijn in geschil over de zorgregeling en kinderalimentatie. De vrouw verzoekt een zorgregeling waarbij de kinderen doordeweeks bij haar verblijven en om het weekend bij de man, terwijl de man een week-om-week regeling wenst. De communicatie tussen partijen verloopt moeizaam en er is gebrek aan vertrouwen.

De rechtbank stelt vast dat de zaak internationale aspecten kent, maar dat zij bevoegd is omdat partijen en kinderen in Nederland verblijven. De rechtbank constateert dat partijen een bestaande regeling hebben die in de praktijk wordt gevolgd, maar dat deze moeizaam verloopt. De rechtbank acht een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming geïndiceerd om te adviseren over de meest passende zorgregeling.

Daarnaast is afgesproken dat de man geen kinderbijdrage betaalt zolang het schuldhulpverleningstraject loopt, met een termijn tot december 2026. De rechtbank houdt de zaak aan voor de zorgregeling tot ontvangst van het rapport van de Raad en voor de kinderbijdrage tot het einde van het schuldhulpverleningstraject, waarna partijen worden uitgenodigd tot overleg of verdere procedure.

Partijen zullen zich ook opnieuw wenden tot ouderschapsbemiddeling om de communicatie te verbeteren. De beschikking is gegeven door rechter Meyboom en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst de Raad aan voor onderzoek naar de zorgregeling en houdt de behandeling van kinderbijdrage aan tot einde schuldhulpverleningstraject.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/428977 / FA RK 24-5439
Beschikking van 18 februari 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A.A. Broekman-de Feijter, gevestigd te Terneuzen,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat: mr. I. de Dobbelaere-Woets, gevestigd te Terneuzen.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 20 november 2024 ingekomen verzoekschrift tot vaststelling zorgregeling tevens verzoek kinderalimentatie, met bijlagen;
- de brief van 3 februari 2025 van mr. De Dobbelaere-Woets;
- het F-formulier van 4 februari 2025 van mr. Broekman-de Feijter;
- het F-formulier van 4 augustus 2025 van mr. De Dobbelaere-Woets;
- het F-formulier van 4 augustus 2025 van mr. Broekman-de Feijter;
- het F-formulier van 22 oktober 2025 van mr. Broekman-de Feijter;
- de brief van 24 december 2025 van mr. Broekman-de Feijter, met aanvullende producties;
- het op 8 januari 2026 ingekomen verweerschrift tegen het verzoek tot vaststelling zorgregeling en kinderalimentatie tevens houdende zelfstandig verzoek, met bijlagen;
- de brief van 12 januari 2026 van mr. Broekman-de Feijter tevens houdende een wijziging van het verzoek, met aanvullende producties;
- de brief van 13 januari 2026 van mr. De Dobbelaere-Woets, met nadere producties.
1.2
De zaak is behandeld op de zitting van 16 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster namens de Raad.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2
Uit hun relatie zijn de volgende nu nog minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] (België) op [geboortedag 1] 2018;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2020.
2.3
Genoemde kinderen zijn door de man erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
2.4
De vrouw heeft de Belgische nationaliteit. De man heeft de Nederlandse nationaliteit.

3.Het geschil

3.1
De vrouw verzoekt om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
I. een zorgregeling vast te stellen, inhoudende dat de minderjarige kinderen van partijen,
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] per 14 dagen eenmaal van vrijdagavond 17.00 uur tot en met zondagavond 17.00 uur bij de man verblijven, waarbij tijdens de volgende schoolvakantie de navolgende verdeling zal gelden:
- Voorjaarsvakantie: in de even jaren verblijven de kinderen tijdens de voorjaarsvakantie
bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man.
- Zomervakantie: in de even jaren verblijven de kinderen de eerste drie weken van de
vakantie bij de man en de laatste drie weken van de vakantie bij de vrouw. In de oneven
jaren verblijven de kinderen de eerste drie weken van de vakantie bij de vrouw en de
laatste drie weken van de vakantie bij de man.
- Meivakantie: in de even jaren verblijven de kinderen de eerste week van de vakantie bij
de man en de tweede week van de vakantie bij de vrouw. In de oneven jaren verblijven
de kinderen de eerste week van de vakantie bij de vrouw en de tweede week van de
vakantie bij de man.
- Herfstvakantie: in de even jaren verblijven de kinderen tijdens de herfstvakantie bij de
man en in de oneven jaren bij de vrouw.
- Kerstvakantie: in de even jaren verblijven de kinderen de eerste week van de
kerstvakantie de vrouw en de tweede week bij de man. In de oneven jaren verblijven de kinderen de eerste week van de kerstvakantie bij de man en de tweede week bij de
vrouw.
II. de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van (primair) een bedrag van € 315,= dan wel - naar de rechtbank begrijpt subsidiair - € 172,= per kind per maand als bijdrage in de kosten van de opvoeding en verzorging van de minderjarige kinderen van partijen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , met ingang van de datum van indiening van dit verzoekschrift, dan wel een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als door de rechtbank in redelijkheid vast te stellen, steeds bij vooruitbetaling te voldoen.
De vrouw voert verweer tegen het zelfstandige verzoek van de man.
3.2
De man voert verweer en verzoekt, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van de vrouw af te wijzen en bij zelfstandig verzoek te bepalen dat de kinderen de ene week bij de man en de daarop volgende week bij de vrouw verblijven enzovoort en tevens te bepalen dat de schoolvakanties in onderling overleg bij helfte worden verdeeld.
3.3
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht;
4.1
De rechtbank stelt vast dat de vrouw de Belgische nationaliteit heeft, en dat de man en de minderjarigen de Nederlandse nationaliteit hebben. De zaak heeft daardoor internationaal-privaatrechtelijke aspecten. De rechtbank is van oordeel dat haar rechtsmacht toekomt, omdat beide partijen en de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Op de door partijen gedane verzoeken is Nederlands recht van toepassing.
Inhoudelijke beoordeling van de verzoeken;
Zorgregeling;
4.2
Op grond van artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
4.3
De rechtbank stelt op grond van de stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting vast dat partijen – in onderling overleg – een regeling zijn overeengekomen inhoudende dat de minderjarigen wekelijks vanaf woensdag na schooltijd tot vrijdag na schooltijd en een weekend per 14 dagen bij de man verblijven. Aan deze regeling wordt in de praktijk door partijen uitvoering gegeven.
4.3
De vrouw stelt dat voornoemde zorgregeling moeizaam verloopt. Dit heeft volgens haar vooral te maken met de wijze van communiceren en het feit dat de man zich afzijdig houdt wat betreft verplichtingen zoals zwemles en doktersafspraken. De vrouw vindt de huidige zorgregeling niet passend voor de kinderen. De vrouw merkt hierbij op dat de man fulltime werkzaam is - op woensdagmiddag werkt hij thuis en op donderdagmiddag gaan de kinderen naar de BSO. De vrouw werkt 28 uur per week - op maandag en donderdag hele dagen en de overige dagen tijdens schooltijden. De vrouw verzoekt in het belang van de minderjarigen een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen doordeweeks bij de vrouw en om het weekend van vrijdag tot zondag bij de man zullen verblijven. Deze regeling zal meer rust en duidelijkheid geven aan de kinderen en ook het aantal wisselmomenten verminderen. De vrouw zou ook kunnen instemmen met een regeling waarin de kinderen om de week vanaf vrijdag na school tot maandagochtend aanvang school bij de man zullen verblijven.
4.4
De man is van mening dat het uitgangspunt moet zijn dat de zorg voor de kinderen tussen de ouders bij helfte wordt verdeeld. Dit is volgens de man in het belang van de kinderen. De man stelt dat na het uiteengaan van partijen in 2023 er in eerste instantie sprake was van een week om week regeling die later is aangepast naar de huidige regeling. De man is steeds beschikbaar voor de kinderen en past zijn werk aan door veel thuis te werken. De man acht de eerdere regeling waarbij de kinderen de ene week bij hem en de daarop volgende week bij de vrouw verblijven meer in het belang van de kinderen dan de huidige regeling. De wissels zijn dan beperkt.
4.5
De rechtbank stelt met partijen vast dat de communicatie tussen hen niet goed verloopt en dat er tussen ouders een groot gebrek is aan onderling vertrouwen. De ouderschapsbemiddeling bij Juvent die in het vrijwillig kader door ouders is gestart, is zonder positief resultaat voortijdig beëindigd. De rechtbank is gelet op de stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting van oordeel dat een onderzoek door de Raad naar de voor de minderjarigen meest passende zorgregeling is geïndiceerd. De rechtbank verzoekt de Raad om een onderzoek in te stellen en vervolgens te rapporteren en te adviseren omtrent de navolgende vragen:
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
4.6
De rechtbank houdt de zaak – in afwachting van het rapport en advies van de Raad –voor de duur van vier maanden aan. De zaak zal worden verwezen naar
de familiekamerrol van [datum 1] 2026,om de Raad in de gelegenheid te stellen zijn rapport en advies te overleggen. Partijen zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk hierop binnen een termijn van twee weken te reageren en het door hen gewenste verdere procesverloop kenbaar te maken.
4.7
Overeenkomstig het advies van de Raad tijdens de zitting is de rechtbank van oordeel dat een wijziging in de huidige zorgregeling gedurende het onderzoek van de Raad niet in het belang is van de minderjarigen.
Ouderschapsbemiddeling;
4.8
Ter zitting is verder besproken dat partijen zich opnieuw zullen wenden tot Juvent met als doel het volgen van een traject ter verbetering van de onderlinge communicatie. De rechtbank gaat er van uit dat partijen dit inmiddels hebben gedaan.
Kinderbijdrage;
4.9
Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat de man totdat het minnelijke schuldhulpverleningstraject is geëindigd - in beginsel per december 2026 - geen kinderbijdrage aan de vrouw is verschuldigd. Met partijen is besproken dat zij vervolgens zullen proberen alsnog tot overeenstemming te komen omtrent de kinderbijdrage. Gelet hierop houdt de rechtbank de zaak ten aanzien van de kinderbijdrage voor een periode van 10 maanden aan en verwijst deze naar
de familiekamerrol van [datum 2] 2026, om partijen in de gelegenheid te stellen de rechtbank dan mede te delen of zij in onderling overleg tot overeenstemming zijn gekomen, alsmede het door hen gewenste verdere procesverloop kenbaar te maken. Voor zover partijen geen overeenstemming hebben bereikt, zijn beide partijen op voornoemde roldatum in de gelegenheid om de benodigde stukken (behoefte en draagkracht) over te leggen die zij voor een beslissing op het verzoek tot vaststelling van de kinderbijdrage door de rechtbank van belang achten.

5.De beslissing

De rechtbank:
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven in rechtsoverweging 4.5 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank moet worden ingediend, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van partijen;
houdt de behandeling van de zaak ten aanzien van de verzoeken van partijen betreffende de zorgregeling aan tot
de familiekamerrol van [datum 1] 2026 PRO FORMA, in afwachting van het rapport en advies van de Raad en de reacties van partijen hierop;
verwijst de zaak voor wat betreft de kinderbijdrage om reden zoals genoemd in rechtsoverweging 4.9 naar
de familiekamerrol van [datum 2] 2026;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Meyboom, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van De Pooter, griffier op 18 februari 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.