ECLI:NL:RBZWB:2026:2055

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
21 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443381 / JE RK 25-2299
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:263 BWArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot bekrachtiging schriftelijke aanwijzing in ondertoezichtstelling minderjarige

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant verzocht de kinderrechter om een schriftelijke aanwijzing aan de moeder te bekrachtigen, waarin zij verplicht werd maandelijks informatie over de minderjarige aan de vader te verstrekken. Tevens werd een dwangsom gevraagd voor het niet naleven van deze aanwijzing.

Tijdens de zitting gaf de minderjarige aan geen contact met de vader te willen, wat door de kinderrechter werd opgevat als een loyaliteitsconflict waarbij de minderjarige zich gedwongen voelt partij te kiezen voor de moeder. De moeder bevestigde dit standpunt, terwijl de vader zijn wens uitsprak om op de hoogte te blijven van de situatie van zijn kind.

De kinderrechter constateerde dat de ouders vasthouden aan hun eigen beleving en dat het bekrachtigen van de schriftelijke aanwijzing mogelijk averechts zou werken. Er werd een voorstel gedaan waarbij de vader op een laagdrempelige wijze contact kan zoeken via e-mail of WhatsApp met tussenkomst van de GI, en de moeder de minderjarige stimuleert om te reageren.

Gezien deze omstandigheden en het belang van de minderjarige wees de kinderrechter het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing af. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing aan de moeder wordt afgewezen vanwege het belang van de minderjarige en het loyaliteitsconflict.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443381 / JE RK 25-2299
Datum uitspraak: 18 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Brabant,
locatie Tilburg, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een tweetal vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 10 april 2025, hersteld bij beschikking van 28 april 2025, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 29 april 2025 tot 29 april 2026.
2.4.
De GI heeft op 28 november 2025 de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen:
“De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant geeft de volgende aanwijzing(en):
JBB verwacht dat u de maandmail elke laatste dag van de maand verstuurd met informatie
over [minderjarige] naar vader met hierin:
Aankondiging:
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant heeft het voornemen om met
betrekking tot bovengenoemde minderjarige over te gaan tot het geven van de volgende
aanwijzing:
JBB verwacht dat u een maandmail stuurt naar vader over [minderjarige] met daarin:
- Schoolprestaties van [minderjarige] : Hoe presteert [minderjarige] op school, wat voor cijfers haalt
hij, gaat hij over naar het volgende leerjaar, etc.
- Gezondheid: Algemene gezondheid van [minderjarige] .
- Doktersbezoeken: Hoe vaak je in die maand met [minderjarige] naar de dokter bent geweest,
waarom, alsook het vervolg.
- Medische behandelingen: Alles wat niet onder doktersbezoeken valt.
- Medicijn gebruik: Spreekt voor zich.
- Hobby’s en activiteiten: Algemene activiteiten zoals bijvoorbeeld de sport. Maar
ook (kinder)feestjes en andere (grote en kleine) gebeurtenissen in het leven van [minderjarige]
Zoals schoolreisjes, excursies of dagjes weg.”

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing. Ook wordt verzocht een dwangsom op te leggen van € 50,00 voor iedere dag dat de moeder de schriftelijke aanwijzing niet nakomt. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
In het verzoekschrift is het verzoek en het standpunt van de GI toegelicht. Tijdens de zitting is namens de GI (in aanvulling daarop), samengevat, verklaard dat het verzoek gehandhaafd wordt. De GI is op de hoogte van het standpunt van [minderjarige] dat hij niet wil dat de vader geïnformeerd wordt. De GI wil [minderjarige] echter de mogelijkheid geven dat als hij in de toekomst het contact wil herstellen, de vader niet volledig onbekend is voor hem. De GI begrijpt het belang van [minderjarige] maar uit de wet volgt een informatieverplichting. Er is geen andere manier om de vader op de hoogte te houden van de ontwikkelingen rondom [minderjarige] omdat de GI voornemens is de ondertoezichtstelling te laten aflopen.
4.2.
Door de moeder is naar voren gebracht dat haar standpunt niet veranderd is. Zij luistert naar wat [minderjarige] wil. Hij wil niet dat zijn vader informatie over hem ontvangt. Hoewel dat niet bepalend is, is [minderjarige] erg stellig. [minderjarige] heeft van alles geprobeerd om contact met de vader te krijgen maar daarop is weinig initiatief teruggekomen. Vanuit de vader en [persoon] , haar andere zoon, wordt ook geen informatie gegeven naar haar en [minderjarige] . Daar heeft de GI nooit iets aan gedaan. De moeder stelt dat zij de vader niet zal informeren, ondanks de schriftelijke aanwijzing. Het verzoek van de GI om een dwangsom op te leggen vindt de moeder overdreven.
4.3.
De vader heeft aangegeven dat hij het belangrijk vindt om iets van [minderjarige] te horen. Hij heeft contact met hem proberen te leggen maar hij is daarin tegengewerkt door instanties. Hij heeft [minderjarige] twee jaar geleden voor het laatst gezien en nauwelijks iets van hem gehoord. De vader wil op de hoogte blijven van de ontwikkelingen van [minderjarige] . Hij betwist dat hij de moeder geen informatie over [persoon] gegeven heeft.

5.De beoordeling

5.1.
In artikel 1:263 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de GI in de uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen kan geven over de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen als de ouder met gezag of de minderjarige niet instemmen met of niet (voldoende) meewerken aan de uitvoering van het plan van aanpak, of als dit nodig is om de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen.
De ouder(s) met gezag en de minderjarige volgen een schriftelijke aanwijzing op. De GI kan de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. Tegelijkertijd kan een dwangmiddel worden verzocht als de aanwijzing niet wordt nagekomen, tenzij het belang van het kind zich tegen oplegging daarvan verzet.
5.2.
Op basis van de stukken, de standpunten ter zitting en de mening [minderjarige] , constateert de kinderrechter dat [minderjarige] zich in een loyaliteitsconflict bevindt en hij van daaruit het gevoel heeft dat hij de keuze voor de moeder moet maken. Dit betekent dat hij zich op dit moment afzet tegen de vader en ervoor kiest om geen contact te willen. Hierbij speelt ook een rol er ook geen informatie van de vader aan [minderjarige] wordt gegeven. Door de moeder is tijdens de zitting bevestigd dat [minderjarige] diep van binnen best contact met de vader wil.
5.3.
De kinderrechter stelt verder vast dat de standpunten van de ouders uiteenlopen en dat zij beiden vasthouden aan hun eigen ervaring en beleving in deze. De kinderrechter heeft daarop met de ouders en de GI besproken hoe het huidige patroon kan worden doorbroken en hoe tot een werkbare oplossing kan worden gekomen, waardoor de druk die [minderjarige] nu (onbewust) voelt mogelijk kan worden verlicht dan wel kan worden weggenomen. Ter zitting heeft de vader zich bereid verklaard om zelf het initiatief te nemen en per e-mail [minderjarige] op een laagdrempelige manier te vragen hoe het met hem gaat, zonder hem te belasten. De moeder heeft toegezegd dat zij [minderjarige] zal stimuleren om open te staan voor het initiatief van de vader en daarop te reageren. Daarbij heeft de kinderrechter voorgesteld dat de vader eenmaal per week via e-mail of WhatsApp met tussenkomst van de GI een bericht stuurt aan [minderjarige] , waarin hij vraagt hoe het met [minderjarige] gaat, maar waarin hij ook informatie over hemzelf en [persoon] geeft. De moeder heeft toegezegd dat zij al dan niet met hulp van de GI [minderjarige] zal stimuleren om de berichten van de vader te beantwoorden. De kinderrechter hoopt dat de ouders, in samenspraak met de GI, hierover verdere afspraken kunnen maken en er een opening komt voor informatiewisseling en mogelijk contact tussen [minderjarige] en de vader.
5.4.
Het voorgaande maakt dat het verzoek van de GI zal worden afgewezen. De kinderrechter ziet, gelet op hetgeen ter zitting is besproken, geen meerwaarde om de aan de moeder gegeven schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. Daarbij neemt de kinderrechter mee dat een bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing mogelijk averechts zal werken gelet op de duidelijke wil van [minderjarige] .

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Maandag, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026, in tegenwoordigheid van Dekkers als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. [1]

Voetnoten

1.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).