ECLI:NL:RBZWB:2026:2059

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
21 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444011 / JE RK 26-73
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 1 Brussel II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onder toezichtstelling van twee minderjarigen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging door onveilige thuissituatie

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, geboren in 2020 en 2024, vanwege ernstige bedreiging van hun ontwikkeling door een onveilige en onstabiele thuissituatie met huiselijk geweld tussen de ouders. De ouders hebben de Hongaarse nationaliteit, maar de minderjarigen verblijven in Nederland, waardoor de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is.

De kinderrechter constateert dat de minderjarigen getuige zijn van conflicten en geweld tussen de ouders, wat leidt tot spanningen en negatieve gedragingen, met zorgen over hygiëne, verzorging en ontwikkeling. De ouders zijn onvoldoende in staat om de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren, mede door een verstoorde communicatie en gebrek aan samenwerking.

De kinderrechter wijst het verzoek toe en stelt de minderjarigen onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering voor de duur van één jaar. De GI krijgt de opdracht regie te voeren en de belangen van de kinderen te bewaken, met als doel een veilige en voorspelbare opvoedingsomgeving, zicht op ontwikkeling en passende hulpverlening. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en in hoger beroep aanvechtbaar.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarigen onder toezicht van de GI voor de duur van één jaar wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling door een onveilige thuissituatie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444011 / JE RK 26-73
Datum uitspraak: 18 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats] ,
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
gevestigd te Eindhoven,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 15 januari 2026, ontvangen op 15 januari 2026;
  • de rapportage van de Raad van 29 januari 2026, ontvangen op 30 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader, bijgestaan door een (telefonische) tolk Hongaars, mw. [persoon] ;
  • de moeder, bijgestaan door een (telefonische) tolk Hongaars, mw. [persoon] ;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun ouders.
2.3.
De ouders en de minderjarigen hebben de Hongaarse nationaliteit.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij spoedbeschikking van 20 november 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twee weken, met ingang van 20 november 2025 en tot 4 december 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.5.
Bij beschikking van 3 december 2025 van deze rechtbank is de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd met ingang van 4 december 2025 en tot 20 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek en stelt dat er sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De minderjarigen worden blootgesteld aan de strijd die de ouders onderling voeren, waarbij er sprake is van huiselijk geweld. De minderjarigen ervaren spanningen in de thuissituatie en komen niet toe aan hun eigen ontwikkelingstaken. Door de strijd tussen de ouders en de zorgen om het persoonlijke functioneren van met name de moeder lukt het de ouders niet om gezamenlijk de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorop te stellen. Daarnaast is er weinig zicht op de (on)mogelijkheden van de ouders om de minderjarigen veilig op te voeden, terwijl er wel zorgsignalen binnenkomen over moeders stabiliteit, functioneren, de basale verzorging van de minderjarigen en over de rol die de vader heeft binnen het gezin. De Raad sluit zich aan bij de insteek van de GI, dat er zicht op de (on)mogelijkheden van de ouders verkregen moet worden middels een plaatsing van [minderjarige 2] en moeder in een moeder-kindhuis en het verblijf van [minderjarige 1] bij de vader in de thuissituatie. De Raad dringt er bij beide ouders op aan om deze kans aan te pakken. Mochten de ouders deze kans niet aangrijpen, is wellicht een ingrijpendere maatregel noodzakelijk om de veiligheid van de minderjarigen te kunnen waarborgen.
4.2.
De GI staat achter het verzoek van de Raad. De GI is vanuit de voorlopige ondertoezichtstelling betrokken bij het gezin en ziet dat de moeder zich in risicovolle situaties bevindt waarbij zij impulsief en gewelddadig kan zijn richting de vader. Afgelopen weekend is de moeder agressief geweest richting de vader. De moeder heeft de vader met een riem geslagen in het bijzijn van de minderjarigen en vanuit de hulpverlening Kort en Krachtig is waargenomen dat de moeder rondliep met een mes. De moeder komt de veiligheidsafspraken niet na, is niet transparant richting de hulpverlening en pakt de signalen van de minderjarigen niet goed op. Daarnaast krijgt de vader geen kans om deel uit te maken van de opvoeding van de minderjarigen. Er is onvoldoende structuur en onvoldoende zicht op de situatie. De GI heeft aan de moeder uitgelegd dat zij tot aanstaande maandag heeft om na te denken over een plaatsing in een moeder-kindhuis. Wanneer de moeder samen met [minderjarige 2] in een moeder-kindhuis verblijft en [minderjarige 1] bij de vader in de thuissituatie, zal er een omgangsregeling worden opgesteld waarbij [minderjarige 1] in het weekend bij de moeder en [minderjarige 2] in het moeder-kindhuis kan logeren en waarbij de moeder samen met [minderjarige 2] op de woensdag bij de vader en [minderjarige 1] kan komen eten. Als aankomende maandag blijkt dat de moeder niet op vrijwillige basis naar het moeder-kindhuis gaat, zal door de GI worden overwogen om een spoedverzoek tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in te dienen.
4.3.
De moeder stemt niet in met het verzoek van de Raad en ontkent de zorgen zoals die staan beschreven in het Raadsrapport en zoals deze door de Raad en de GI zijn geuit tijdens de zitting. De moeder heeft de vader niet met een riem geslagen, loopt niet rond met een mes, neemt de kinderen niet mee naar buiten in de vrieskou en geeft de kinderen altijd goed te eten. Daarnaast houdt zij zich aan de veiligheidsafspraken. De moeder licht toe dat de ouders veel ruzie hebben, maar dat het juist de vader is die agressief kan zijn en dat [minderjarige 1] bang van hem is. De moeder staat open voor een plaatsing in het moeder-kindhuis en zegt toe hierheen te zullen gaan.
4.4.
De vader stemt in met het verzoek van de Raad. Hij bevestigt de zorgen zoals die staan beschreven in het Raadsrapport. De vader maakt zich zorgen over de psychische toestand van de moeder. De moeder kan zich agressief opstellen wat zich uit in slaan, schoppen en bijten. Dit doet zij in de aanwezigheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vader kan nauwelijks tijd doorbrengen met de kinderen omdat de moeder niet wil dat hij zich met de opvoeding en verzorging van de kinderen bezighoudt. De vader is het eens met het voorstel van de GI (en de daarbij horende omgangsregeling) dat de moeder samen met [minderjarige 2] naar een moeder-kindhuis gaat en [minderjarige 1] bij de vader in de thuissituatie verblijft. De vader wil alles doen in het belang van de kinderen.

5.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
Het is de kinderrechter gebleken dat zowel de beide ouders als de beide minderjarigen de Hongaarse nationaliteit hebben. Gelet hierop draagt deze zaak een internationaal karakter. Dit maakt dat de kinderrechter eerst moet beoordelen of deze rechtbank rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is op het verzoek, alvorens de rechter toekomt aan de inhoudelijke beoordeling daarvan.
5.2.
Op grond van artikel 7 lid 1 van Pro de verordening Brussel II-ter zijn in zaken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarigen hun gewone verblijfplaats hebben op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de gewone verblijfplaats van de beide minderjarigen in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
5.3.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Ondertoezichtstelling
5.4.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Daarom zal de kinderrechter het verzoek van de Raad toewijzen en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht stellen van de GI voor de duur van een jaar, met ingang van 18 februari 2026 en tot 18 februari 2027. De kinderrechter legt dit hierna uit.
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De minderjarigen groeien op in een onveilige en onstabiele opvoedomgeving waarin zij te maken hebben met de strijd die de ouders onderling voeren. De relatie tussen de ouders is ernstig verstoord. Beide ouders hebben zorgen over elkaar en diskwalificeren elkaar als ouders, waarbij de vader niet opgewassen lijkt te zijn tegen de moeder. Daarnaast zijn er veel tegenstrijdige verhalen, hetgeen de kinderrechter zorgen baart. De hulpverlening vanuit [hulpverlening] die betrokken is bij het gezin heeft zorgen over fysiek geweld in de thuissituatie. Tijdens deze ruzies schreeuwen de ouders naar elkaar en beide ouders beschuldigen elkaar dat er wordt geduwd, getrokken en soms geslagen. De minderjarigen zijn hier getuige van en met name [minderjarige 1] lijkt dit negatieve gedrag te kopiëren op school. De minderjarigen verkeren op dit moment in een onveilige situatie en hier moet zicht op komen. Daarnaast maakt de kinderrechter zich zorgen over de hygiëne en verzorging van de minderjarigen. De school van [minderjarige 1] heeft aangegeven dat zij vaak zonder ontbijt naar school komt en dat zij er onverzorgd en vermoeid uitziet. Ook zijn er zorgen over [minderjarige 2] nu zij qua ontwikkeling onder de groeicurve zit.
5.6.
Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de ouders op dit moment onvoldoende in staat zijn onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en de hulpverlening te accepteren, doordat zij niet constructief met elkaar kunnen communiceren en zij geen veilige basis voor de minderjarigen kunnen creëren op dit moment. Tegelijkertijd ontkent de moeder de zorgen, laat zij weinig probleeminzicht zien en heeft zij tot op heden niet meegewerkt aan de hulpverlening. Het is noodzakelijk om een onafhankelijke professionele partij in te zetten, die in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] optreedt en met de ouders duidelijke afspraken maakt, sturing biedt waar nodig en een coördinerende rol op zich neemt. Het vrijwillig kader is – gezien de moeilijke verstandhouding tussen de ouders en de toenemende zorgen en onveiligheid – niet toereikend. Daarom is een regievoerder in het gedwongen kader noodzakelijk.
5.7.
De kinderrechter geeft aan de GI de opdracht mee om de volgende doelen voor ogen te houden:
  • De kinderen groeien op in een veilige en voorspelbare opvoedingsomgeving;
  • Er is zicht op de ontwikkeling van de kinderen en passende hulpverlening wordt hierop zo nodig ingezet of verder doorgezet, de kinderen ontwikkelen leeftijdsadequaat/ naar hun mogelijkheden;
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren de ruimte om zichzelf te richten op hun eigen ontwikkelingstaken die passend zijn bij de leeftijd en de kinderen hoeven zich geen zorgen te maken over de spanningen en conflicten tussen ouders;
  • De opvoedingsomgeving bij beide ouders (gezamenlijk of apart) is in fysiek en emotioneel opzicht veilig; ouders hebben hierbij oog voor hun eigen problemen en hebben hier passende hulpverlening voor ingezet;
  • Er moet helderheid komen over de relatie tussen ouders of deze voortgezet gaat worden of niet. Al gelang de situatie maken ouders afspraken over de communicatie met elkaar en hoe ze dit gaan vormgeven in het belang van de kinderen. De kinderen worden niet belast met volwassen zaken;
  • Ouders hebben een duidelijk werkende structuur voor de dagelijkse routine van de kinderen, waarbij de kinderen verzorgd en op tijd naar school gaan;
  • Er is zicht op de opvoedsituatie bij (beide) ouders;
  • Er komt zicht op het persoonlijk functioneren van beide ouders;
  • Ouders stellen zich begeleidbaar op en komen hulpverleningsafspraken na;
  • De kinderen hebben met allebei de ouders veilig en onbelast contact, vader krijgt de ruimte en de mogelijkheid om contact met de kinderen aan te gaan en te onderhouden. Moeder praat niet negatief over vader in het bijzijn van de kinderen.
5.8.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat er de komende periode aan de bovenstaande doelen wordt gewerkt om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen. Nu er nog veel stappen moeten worden gezet, zal de kinderrechter het verzoek toewijzen voor de volledige duur zoals verzocht. De kinderrechter geeft daarbij de opdracht aan de GI om regie te voeren in het proces en de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te bewaken. De komende periode is het van belang dat de moeder op vrijwillige basis in het moeder-kindhuis gaat verblijven samen met [minderjarige 2] en dat [minderjarige 1] bij de vader in de thuissituatie verblijft zodat er zicht verkregen kan worden op de opvoedvaardigheden van de ouders en of de ouders sensitief en responsief kunnen aansluiten op de behoeften van de minderjarigen. Daarbij is het van belang dat er een goede omgangsregeling wordt vastgesteld zodat de vader [minderjarige 2] blijft zien, de moeder [minderjarige 1] en dat ook [minderjarige 2] en [minderjarige 1] elkaar blijven zien. Ondertussen is het van belang dat er zo veel mogelijk rust, structuur en stabiliteit ontstaat en dat de minderjarigen niet worden geconfronteerd met de spanningen tussen de ouders. De ouders moeten leren om samen te werken. Daarnaast is het van belang dat de vader zijn vaderrol binnen het gezin op zich gaat nemen. Verder moet er zicht komen op de (eventuele) individuele problematiek van beide ouders en verwacht de kinderrechter dat wanner dat nodig is, hier passende hulpverlening voor ingezet gaat worden. Mogelijk spelen ingrijpende gebeurtenissen of psychische problemen een rol in de manier hoe de ouders op dit moment reageren naar elkaar en richting de minderjarigen. Tot slot verwacht de kinderrechter van de ouders dat zij zich volledig gaan inzetten en dat zij zich open, transparant en begeleidbaar op zullen stellen richting de GI en de hulpverlening.
5.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.10.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 18 februari 2026 tot 18 februari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verplanke, griffier, en op schrift gesteld op 26 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.