ECLI:NL:RBZWB:2026:2061

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
21 maart 2026
Zaaknummer
C/02/445188 / JE RK 26-280
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Bogaert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 800 RvArt. 1:255 BWArt. 1:257 BWArt. 1:265b BWArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing bij andere ouder met gezag

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht op 18 februari 2026 om een voorlopige ondertoezichtstelling van een minderjarige en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing bij de vader, de andere ouder met gezag. De minderjarige verbleef op dat moment op een crisisgroep, maar dit verblijf werd als ongeschikt en schadelijk beoordeeld. De moeder verzette zich tegen plaatsing bij de vader, die erkende fysiek geweld te hebben gebruikt maar openstond voor hulp.

De kinderrechter oordeelde dat er een ernstig vermoeden bestond dat de wettelijke grond voor ondertoezichtstelling was vervuld en dat de maatregel noodzakelijk was om een acute en ernstige bedreiging weg te nemen. De machtiging tot uithuisplaatsing werd verleend voor twee weken, met ingang van 18 februari 2026, en werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De beslissing tot ondertoezichtstelling werd niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard vanwege wettelijke beperkingen.

De zitting over het resterende deel van de verzoeken werd aangehouden. De minderjarige wordt uitgenodigd voor een kindgesprek om haar mening te geven. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden, met uitzondering van de ondertoezichtstelling die alleen via cassatie kan worden aangevochten.

Uitkomst: De minderjarige wordt voorlopig onder toezicht gesteld en met spoed geplaatst bij de vader met gezag, met directe uitvoerbaarheid van de uithuisplaatsing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445188 / JE RK 26-280
Datum uitspraak: 18 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over voorlopige ondertoezichtstelling en een (spoed) machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden in deze zaak aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
locatie Etten-Leur.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de Raad, ingekomen bij de griffie op 18 februari 2026;
  • de telefoonnotitie van het gesprek met raadsonderzoeker, mevrouw [persoon] van 18 februari 2026.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2
[minderjarige] verblijft op dit moment op een crisisgroep van [accommodatie] .

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen van de gecertificeerde instelling de Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur (hierna te noemen: de GI), voor de duur van drie maanden.
3.2.
De Raad verzoekt daarnaast om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, voor de duur van drie maanden.
3.3.
De Raad verzoekt voorts om de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.4.
De Raad heeft verzocht om te beslissen op voormelde verzoeken, te weten zonder daaraan voorafgaand horen van de belanghebbenden.

4.De beoordeling

Wat zegt de wet?
4.1.
Op grond van artikel 800, derde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking over een voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een minderjarige aanstonds worden afgegeven, te weten zonder daaraan voorafgaand horen van partijen, indien de mondelinge behandeling van het verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de jeugdige.
4.2.
Uit artikel 1:257, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 255, eerste lid, BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
Inhoudelijke beoordeling
4.3.
Uit de onderbouwing van het verzoek blijkt, samengevat, onder meer het volgende.
[minderjarige] verblijft met instemming van de ouders en van haarzelf bij [accommodatie] , nadat zij aangifte heeft gedaan van mishandeling door haar vader. [minderjarige] voelde zich door de moeder onder druk gezet en heeft later spijt gekregen van deze aangifte. [minderjarige] heeft een klap gehad van de vader en heeft daardoor letsel opgelopen op haar rug. Omdat zijzelf een mes op haar vader had gericht, vindt zij dat zijzelf ook een aandeel heeft gehad in de mishandeling. Naar aanleiding van de mishandeling verblijft [minderjarige] bij een crisisgroep van [accommodatie] . [minderjarige] zou graag terug naar de vader willen.
4.4.
De vader erkent dat hij wel eens fysiek geweld heeft gebruikt naar [minderjarige] toe. Hij vindt het lastig om het gedrag van [minderjarige] te begrenzen. De vader wil graag hulp in de opvoeding.
4.5.
Zowel Veilig Thuis als [accommodatie] achten het van belang dat [minderjarige] naar huis gaat. Zij verblijft nu bij [accommodatie] op een crisisgroep met kinderen in de leeftijd van 6 tot 12 jaar. [minderjarige] is te oud voor deze groep. Een verblijf op een groep met oudere kinderen acht [accommodatie] onverantwoord, omdat zij na die plaatsing mogelijk externaliserend gedrag laat zien. De raadsonderzoeker licht mondeling, tijdens een telefoongesprek met de kinderrechter en de griffier van 18 februari 2026, toe dat zij de zorgen van Veilig Thuis en [accommodatie] onderstreept en dat het van belang is dat [minderjarige] direct bij de vader wordt geplaatst. Elke dag dat [minderjarige] langer bij [accommodatie] verblijft, is er één te lang. [minderjarige] kan echter niet naar huis
zonder de directe inzetvan MST-CAN. Deze intensieve ambulante hulpverlening is per direct beschikbaar, ook als de kinderrechter het spoedverzoek vandaag zal toewijzen. De vader staat open voor deze hulpverlening. De moeder verzet zich tegen een plaatsing van [minderjarige] bij de vader.
4.6.
Gelet op het voorgaande stelt de kinderrechter vast dat er sprake is van een situatie waarin de zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . Gelet daarop wordt zonder de belanghebbenden te horen op de verzoeken beslist.
4.7.
De kinderrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld zoals neergelegd in artikel 1:255 BW Pro. Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te nemen. [minderjarige] zal daarom op grond van artikel 1:257 BW Pro voorlopig onder toezicht gesteld worden van de GI, vooralsnog voor een termijn van twee weken, met ingang van 18 februari 2026 en tot 4 maart 2026. Het resterende deel van dit verzoek zal voor het overige worden aangehouden tot de hierna te noemen dag en tijdstip waarop de zitting zal plaatsvinden.
4.8.
Ook is het dringend en onverwijld noodzakelijk dat [minderjarige] met spoed uit huis wordt geplaatst bij de andere ouder met gezag (op grond van artikel 1:265b, eerste lid BW), nu dit noodzakelijk wordt geacht in het belang van haar verzorging en opvoeding. De kinderrechter neemt daarbij in aanmerking dat het voor [minderjarige] schadelijk is om nog langer bij [accommodatie] te verblijven. Hoewel de kinderrechter ook zorgen heeft over de opvoedsituatie bij de vader, acht de kinderrechter een plaatsing bij hem minder schadelijk dan een langer verblijf bij [accommodatie] . De kinderrechter volgt daarin het standpunt van de Raad, Veilig Thuis en [accommodatie] . De kinderrechter vertrouwt erop dat MST-CAN, zoals door de Raad is toegezegd,
directbij de vader thuis kan worden ingezet. Een plaatsing bij de moeder behoort niet tot de opties. Er is bovendien geen ander netwerk betrokken waar [minderjarige] zou kunnen verblijven.
4.9.
De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, zal eveneens worden verleend voor de duur van twee weken, met ingang van 18 februari 2026 en tot 4 maart 2026, onder de aanhouding van het resterende deel van het verzoek tot de hierna te noemen zitting.
Uitvoerbaar bij voorraadverklaring
4.10.
De kinderrechter zal de beslissing tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , gelet op de aard van die maatregel, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de Raad. Dat betekent dat de beslissing per direct van kracht is en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst. Het verzoek tot het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling zal worden afgewezen, omdat op grond van artikel 807 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tegen de beslissing over voorlopige ondertoezichtstelling geen andere voorziening openstaat dan cassatie in het belang der wet. Het afzonderlijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren van die maatregel is dan ook niet nodig.
4.11.
Verdere beslissingen op de beide resterende verzoeken zal de kinderrechter pas nemen nadat die zitting heeft plaatsgevonden.
Overig
4.12.
Gelet op de leeftijd van [minderjarige] zal de kinderrechter haar uitnodigen voor een zogenoemd ‘kindgesprek’, zodat zij haar mening op de verzoeken kan geven. De kinderrechter geeft [minderjarige] alvast mee dat zij niet hoeft te komen als zij dat niet wil. Het is ook mogelijk is om de kinderrechter een brief te schrijven.
4.13.
De kinderrechter constateert dat in het verzoekschrift enkel is opgenomen dat de Raad om een spoedbeslissing verzoekt ten aanzien van de voorlopige ondertoezichtstelling. Uit het lichaam van het verzoek en uit de mondelinge toelichting van de raadsonderzoeker begrijpt de kinderrechter echter ook dat ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing om een spoedmaatregel wordt verzocht. De kinderrechter verzoekt de Raad het schriftelijke verzoek hierop
voor na te melden zitting, aan te vullen c.q. te wijzigen.
4.14.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, met ingang van 18 februari 2026 tot 4 maart 2026;
5.2.
verleent een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 18 februari 2026 tot 4 maart 2026, en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
houdt het resterende deel van de verzoeken aan tot de zitting van
[datum] 2026 om [uur], bij de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, in de persoon van mr. Van Triest, gehouden in het gerechtsgebouw te Breda aan de Stationslaan 10, 4815 GW;
5.4.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de moeder, de vader, de Raad en de GI;
5.5.
gelast de griffier om [minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek op een dag en tijdstip gelegen voor voormelde zitting;
5.6.
wijst af het verzoek voor zover het ziet op het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] ;
5.7.
behoudt zich iedere (verdere) beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026 door mr. Bogaert, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan, voor zover deze ziet op de machtiging tot uithuisplaatsing, worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.