ECLI:NL:RBZWB:2026:2067

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
21 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444606 / FA RK 26-548
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Weert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:4 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening zorgmachtiging voor verplichte geestelijke gezondheidszorg bij psychotische stoornis

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 18 februari 2026 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor betrokkene, geboren in 1974. Betrokkene lijdt aan een schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen, die leiden tot ernstig nadeel zoals psychische schade, verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, werden betrokkene, haar partner, een psychiater en een psycholoog gehoord. De psychiater gaf aan dat betrokkene sinds opname en verplichte medicatie geleidelijk stabiliseert, maar dat er nog noodzaak is voor verplichte zorg, met name medicatie, medische controles en beperkingen in de vrijheid om het eigen leven in te richten, waaronder het accepteren van ambulante nazorg. Betrokkene ervaart bijwerkingen van medicatie en wil graag terug naar huis, maar is bereid de klinische opname vrijwillig voort te zetten voor een beperkte periode.

De rechtbank concludeerde dat verplichte zorg noodzakelijk is omdat betrokkene zonder verplicht kader mogelijk stopt met medicatie en dat er geen passende vrijwillige zorgmogelijkheden zijn. De zorgmachtiging wordt verleend voor twaalf maanden, met de genoemde zorgvormen, en andere vormen van verplichte zorg worden afgewezen. De machtiging geldt tot en met 18 februari 2027.

Uitkomst: De rechtbank verleent een zorgmachtiging voor twaalf maanden voor verplichte medicatie, medische controles en ambulante nazorg.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444606 / FA RK 26-548
Datum uitspraak: 18 februari 2026
Beschikking zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1974 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. R.T.A.G. Keller uit Tilburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 30 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 februari 2026 te [plaats] , [accommodatie] . Daarbij zijn gehoord:
  • betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
  • de partner van betrokkene;
  • de heer [persoon 1] , psychiater;
  • mevrouw [persoon 2] , psycholoog.
1.3.
De officier is zoals hij reeds aangaf in zijn verzoek niet op de mondelinge behandeling verschenen en dus ook niet gehoord.

2.Wat vaststaat

De rechtbank heeft een zorgmachtiging verleend tot en met 19 februari 2026.

3.Het verzoek

De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging, als bedoeld in artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), te verlenen voor de duur van twaalf maanden voor de navolgende zorgvormen:
- het toedienen van vocht en voeding;
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
  • het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
  • beperken van de bewegingsvrijheid;
  • aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen
  • opnemen in een accommodatie.

4.De standpunten

4.1.
Betrokkene merkt op dat zij vertrouwen heeft in haar psychiater en dat van een goede behandelrelatie sprake is. Dit neemt niet weg dat zij bijwerkingen ervaart van de haar voorgeschreven medicatie, waar zij erg veel last van heeft. Ook vraagt zij zich af hoe lang zij nog klinisch opgenomen dient te blijven, omdat zij zich niet prettig voelt in de instelling waar zij nu is en zij daarom erg graag wil terugkeren naar huis. Zij is wel bereid om de klinische opname vrijwillig voort te zetten, indien haar behandelaar dit noodzakelijk acht, zij het voor een beperkte periode die voor haar overzienbaar is.
4.2.
De psychiater brengt naar voren dat betrokkene bij opname in ernstige psychotische toestand verkeerde, waarbij sprake was van achterdocht, akoestische hallucinaties en daarnaast verzameldrang betreffende spullen, maar ook voedsel. Betrokkene raakte door haar gedrag in conflict met haar partner en haar kinderen. Ook liep zij het risico door haar gedrag agressie over zichzelf af te roepen van anderen. Gezien wordt dat sinds betrokkene verplicht medicatie (anti psychotica) krijgt toegediend, betrokkene geleidelijk stabiliseert. Waar het de bijwerkingen betreft, waarover betrokkene spreekt, wijst hij erop dat deze klachten gedeeltelijk niet aan deze medicatie inname zijn te relateren. Er worden op dit moment geen psychotische symptomen meer waargenomen. Zij heeft geen last meer van stemmen en er lijkt ook geen of althans in veel mindere mate sprake van verzameldrang. Betrokkene heeft al enkele malen op proef thuis verbleven, dit is positief verlopen. Ook heeft de psychiater van haar echtgenoot begrepen dat hij de woning intussen op orde heeft gebracht. Op grond van al deze omstandigheden is in zijn visie niet langer de noodzaak aanwezig voor verplichte zorg in de vorm van een klinische opname. Wel acht hij de kans reëel aanwezig, ondanks de stapsgewijze afbouw van de medicatie, dat betrokkene met het medicatie gebruik voortijdig zal stoppen, zodra er van een verplicht kader geen sprake meer is. Daarbij zal de afbouw van de medicatie nauwlettend gevolgd worden, en zal deze gestabiliseerd worden als de toestand van betrokkene door de afbouw verslechtert. Naar nu valt in te schatten zal medicatie toediening voor nog circa een half jaar nodig zijn. Ook ziet hij nog steeds de noodzaak voor het verplicht (kunnen) verrichten van medische controles en ten slotte het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, bestaande uit het accepteren van en meewerken aan ambulante (na)zorg, zodra zij met ontslag zal zijn. Om het ontslag te kunnen voorbereiden en veilig en verantwoord te laten plaats vinden acht de psychiater het voorts van belang dat betrokkene nog gedurende één week klinisch opgenomen blijft en zij daaraan volledig meewerkt. Dit kan op vrijwillige basis, een verplichting daartoe hoeft niet in de zorgmachtiging te worden opgenomen.
4.3.
De psycholoog sluit zich aan bij dat wat door de psychiater naar voren is gebracht. Zij heeft daarop geen aanvullingen.
4.4.
De echtgenoot van betrokkene merkt op dat hij het van belang acht dat betrokkene het advies van de psychiater om de klinische opname nog één week voort te zetten opvolgt.
4.5.
De advocaat van betrokkene voert aan dat hij uit het voorgesprek met zijn cliënte, maar ook uit het besprokene ter zitting, heeft kunnen opmaken dat zijn cliënte met de tot dusver geboden verplichte zorg zichtbaar opknapt. Ook blijkt er sprake van een positieve behandelrelatie en is er aandacht vanuit haar behandelaar voor de bijwerkingen die zijn cliënte ervaart naar aanleiding van de haar toegediende medicatie. Bovendien blijkt zijn cliënte bereid om vrijwillig aan zowel de klinische opname, voor zover haar behandelaar die nog nodig acht, als aan de overige nog noodzakelijk geachte zorg mee te werken. Dit zegt het nodige, nu zij diep van binnen het liefst geen medicatie zou gebruiken. Al deze factoren maken dat hij zich namens betrokkene op het standpunt stelt dat het verzoek dient te worden afgewezen.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank verleent de gevraagde zorgmachtiging. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.2.
Uit de bij het verzoek overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen, en andere problemen die een reden voor zorg kunnen zijn
5.3.
Ook is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat het gedrag van betrokkene als gevolg van haar stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op:
- ernstige psychische schade;
- ernstige materiële schade;
- ernstige financiële schade;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang;
- het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag.
5.4.
Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen heeft betrokkene nog steeds zorg nodig. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat betrokkene met de haar tot dusver geboden zorg in een verplicht kader geleidelijk aan herstelt, na een periode waarin zij in ernstige psychotische toestand verkeerde en er sprake was van achterdocht en akoestische hallucinaties. Daarnaast was toen sprake van verzameldrang en raakte zij in conflict met haar partner en haar kinderen, en liep zij het risico door haar gedrag agressie van anderen over zichzelf af te roepen. Het toestandsbeeld van betrokkene blijkt intussen in belangrijke mate opgeklaard. Haar behandelaar ziet daarom geen reden meer voor een voortzetting van de klinische opname in een verplicht kader. Wel acht hij het noodzakelijk dat betrokkene nog gedurende een week vrijwillig klinisch opgenomen blijft ter voorbereiding op haar ontslag en om dit ontslag veilig en verantwoord te kunnen laten plaatsvinden. Dit betekent volgens hem ook dat na het ontslag er nog sprake zal zijn van verplichte zorg, zij het dat die beperkt kan blijven tot het toedienen van medicatie, het verrichten van medische controles en het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, bestaande uit het accepteren van en meewerken aan ambulante (na)zorg.
5.5.
Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis. Daarbij betrekt de rechtbank dat door de behandelaar is opgemerkt dat hij de kans reëel aanwezig acht dat betrokkene met het medicatie gebruik voortijdig zal stoppen, zodra er van een verplicht kader geen sprake meer is. Ook is gebleken dat het in het kader van verder herstel en stabilisatie van belang is dat betrokkene na haar ontslag ook aan medische controles en aan ambulante (na)zorg consequent blijft meewerken. Verplichte zorg is daarom nodig.
5.6.
De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, de visie van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat in ieder geval de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, daaronder in dit geval te verstaan dat betrokkene contact zal (blijven) onderhouden met de ambulante zorg en daaraan volledig zal meewerken.
Gebleken is tenslotte dat voor andere vormen van verplichte zorg geen noodzaak bestaat, zodat andere dan de hiervóór genoemde vormen van verplichte zorg zullen worden afgewezen.
5.7.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en haar omgeving.
5.8.
Met inachtneming van het voorgaande zal de rechtbank een zorgmachtiging verlenen voor de duur van twaalf maanden, als verzocht.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verleent een zorgmachtiging voor:
[betrokkene], geboren op [geboortedag] 1974 in [geboorteplaats] ,
wat inhoudt dat de maatregelen die in rechtsoverweging 5.6 staan kunnen worden toegepast;
6.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 18 februari 2027;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026 door mr. De Weert, rechter, in aanwezigheid van Baremans, griffier en op schrift gesteld op 4 maart 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.