ECLI:NL:RBZWB:2026:2071

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
21 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444676 / FA RK 26-589
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Weert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Wzd
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechterlijke machtiging tot opname en verblijf wegens dementie en onveilige thuissituatie

Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf van betrokkene, geboren in 1943, vanwege haar progressieve dementie en onveilige thuissituatie. De zitting vond plaats met gesloten deuren waarbij betrokkene, haar kinderen en casemanager dementie werden gehoord.

Betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening met dementie, gepaard gaande met diabetes mellitus type II en incontinentie. Zij is niet meer in staat tot adequate zelfzorg, vertoont brandgevaarlijk gedrag en accepteert nauwelijks thuiszorg. Haar kinderen, als mantelzorgers en curatoren, zijn overbelast. Betrokkene verzet zich tegen opname, maar de casemanager en haar kinderen benadrukken de noodzaak vanwege het progressieve ziekteverloop en de veiligheidsrisico’s.

De rechtbank oordeelt dat betrokkene door haar stoornis ernstig nadeel kan ondervinden, waaronder lichamelijk letsel, psychische schade, verwaarlozing en gevaar voor de algemene veiligheid. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven. Daarom wordt de machtiging tot opname en verblijf voor zes maanden verleend, met als doel het voorkomen van verdere verslechtering en het waarborgen van haar veiligheid en gezondheid.

Uitkomst: De rechtbank verleent een machtiging tot opname en verblijf voor betrokkene voor zes maanden wegens ernstig risico op lichamelijk letsel en verwaarlozing door dementie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444676 / FA RK 26-589
Datum uitspraak: 18 februari 2026
Beschikking rechterlijke machtiging
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1943 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonende [woonadres] ,
advocaat mr. J.H.P.M. Verhagen uit Breda.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 3 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 februari 2026. Daarbij zijn gehoord:
  • betrokkene, bijgestaan door haar advocaat.
  • mevrouw [persoon 1] , dochter van betrokkene;
  • de heer [persoon 2] , zoon van betrokkene.
  • mevrouw [persoon 3] , casemanager dementie.

2.Het verzoek

Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf, als bedoeld in artikel 26 Wet Pro Zorg en Dwang (hierna: Wzd), te verlenen voor de duur van zes maanden.

3.De standpunten

3.1.
Betrokkene antwoordt in eerste instantie op de vraag van de behandelend rechter hoe het met haar gaat met “het gaat met mij wel goed”. De behandelend rechter stelt vervolgens een vraag aan betrokkene over hoe zij woont. Daarop antwoordt zij “Ik hoef aan niemand verantwoording af te leggen en ik ben dat ook niet van plan”. Daarna geeft betrokkene bij herhaling aan dat zij de behandelend rechter niet goed kan verstaan. Betrokkene blijft, ook na door de dochter en de zoon van betrokkene geboden hulp om de vragen van de behandelend rechter aan betrokkene te verduidelijken, aangeven dat zij die niet goed hoort.
3.2.
De casemanager dementie brengt naar voren dat bij betrokkene in 2018 de diagnose dementie is gesteld. Er is sprake van een progressief ziektebeeld. Betrokkene heeft daarnaast somatische aandoeningen, te weten diabetes mellitus type II en incontinentie. Er is sprake van onvoldoende zelfzorg, waardoor zij last heeft van smetvlekken. Ook is zij niet langer zelf in staat om een regelmatig en gezond eetpatroon aan te houden. Daarnaast werden er door haar al gedurende langere tijd geen administratieve en financiële handelingen meer verricht en fungeren haar dochter en zoon gezamenlijk als curator over betrokkene. Betrokkene probeert nog zelfstandig te koken, maar dit lukt haar niet meer, met als gevolg dat er brandgevaarlijke situaties zijn ontstaan. Haar kinderen, die mantelzorg verlenen, zijn door de situatie waarin betrokkene zich bevindt, overbelast geraakt. Betrokkene is aangewezen op intensieve thuiszorg, maar zij stelt zich daar niet of nauwelijks voor open. Gebleken is tot dusver dat een opname en verblijf in een zorgaccommodatie voor betrokkene niet bespreekbaar is. Met deze toelichting kan de casemanager achter een machtiging tot opname en verblijf staan voor de aldus verzochte periode.
3.3.
De dochter en zoon sluiten zich aan bij dat wat door de casemanager dementie naar voren is gebracht. Zij wijzen in dat verband op het progressieve ziekteverloop bij hun moeder en de toenemende veiligheids- en gezondheidsrisico’s waaraan zij daardoor is blootgesteld. Zij willen dat hun moeder de tijd die haar nog is gegeven in een accommodatie kan doorbrengen, waarin zij goed wordt verzorgd en waar haar veiligheid gewaarborgd is.
3.4.
De advocaat van betrokkene voert aan dat hij vorige week het verzoek met zijn cliënt tevens in aanwezigheid van haar dochter en zoon heeft voorbesproken. Bij die gelegenheid merkte zijn cliënt resoluut op “ik woon hier en ik ga hier niet weg”. Hoewel hij zijn cliënte als raadsman oprecht zou gunnen dat zij kan blijven waar zij nu is stelt hij ook vast dat dit gedurende langere tijd met veel hulp en ondersteuning, geboden door haar dochter en zoon is geprobeerd. Cliënte stelt zich onvoldoende open voor thuiszorg en voor dagbesteding en in de gegeven omstandigheden lijkt een zorgopname en -verblijf onafwendbaar. Namens zijn cliënte ondersteunt hij primair haar wens om op haar huidige woonadres te blijven wonen, wat betekent dat het verzoek dient te worden afgewezen. Bij wijze van subsidiair standpunt wenst hij zich ten aanzien van het verzoek te refereren aan het oordeel van rechtbank.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank verleent de gevraagde machtiging tot opname en verblijf. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de stukken en de mondelinge behandeling dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening met een psychische stoornis in de vorm van dementie.
4.3.
Daarnaast blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de stukken en de mondelinge behandeling dat het door haar stoornis veroorzaakt gedrag van betrokkene leidt tot het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstig nadeel in de vorm van:
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang;
- gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen.
Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat betrokkene door het progressieve verloop van haar ziektebeeld niet in staat is om thuis verantwoord en veilig zelfstandig te functioneren. Ter voorkoming van verdere verslechtering van haar zelfzorg en voor het waarborgen van haar veiligheid, gezondheid en een adequaat dag- en nachtritme is betrokkene aangewezen op thuis- en mantelzorg en ondersteuning. Gebleken is dat betrokkene hulp accepteert van een bevriend persoon, die echter op hoge leeftijd is. Zij stelt zich niet of nauwelijks open voor de geboden thuiszorg, waardoor er al langere tijd een onevenredig appél wordt gedaan op haar kinderen, die wegens het onder meer houden van toezicht op haar gezondheid en veiligheid overbelast zijn geraakt.
4.4.
De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Uit de opstelling van betrokkene blijkt overduidelijk dat deze optie voor haar niet bespreekbaar is. Gelet daarop dient de rechtbank het ervoor te houden dat zij zich tegen een opname en verblijf verzet.
4.5.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
4.6.
Met inachtneming van het voorgaande zal de rechtbank een machtiging verlenen tot opname en verblijf voor een periode van zes maanden, als verzocht.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verleent een machtiging tot opname en verblijf voor:
[betrokkene], geboren op [geboortedag] 1943 in [geboorteplaats] ;
5.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 18 augustus 2026.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026 door mr. De Weert, rechter, in aanwezigheid van Baremans, griffier en op schrift gesteld op 4 maart 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.