ECLI:NL:RBZWB:2026:2072

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
21 maart 2026
Zaaknummer
C/02/445097 / FA RK 26-826
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Weert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1 WvggzArt. 7:7 WvggzArt. 7:8 WvggzArt. 1:4 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot voortzetting crisismaatregel Wvggz wegens vrijwillige medewerking betrokkene

Betrokkene is klinisch opgenomen onder een crisismaatregel vanwege een middelgerelateerde verslavingsstoornis en persoonlijkheidsproblematiek, na een suïcidepoging en ernstige verwaarlozing. De officier van justitie verzocht om verlenging van de crisismaatregel voor drie weken met diverse zorgvormen, waaronder medicatie en bewegingsbeperking.

Betrokkene erkent de noodzaak van behandeling maar geeft aan dat zij vrijwillig wil meewerken aan de zorg, en acht voortzetting van de crisismaatregel niet noodzakelijk. De behandelend psychiater bevestigt dat voortgezette klinische opname nodig is voor stabilisatie en diagnostiek, maar verwacht dat de zorg grotendeels vrijwillig kan worden voortgezet.

De advocaat van betrokkene ondersteunt het standpunt dat de zorg vrijwillig kan worden voortgezet en verzoekt subsidiair om uitsluiting van bepaalde verplichte zorgvormen. De rechtbank overweegt dat aan de voorwaarden voor verlenging van de crisismaatregel is voldaan, maar omdat betrokkene niet tegen de zorg verzet is en bereid is mee te werken, is verlenging niet noodzakelijk.

De rechtbank wijst het verzoek tot machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel af. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: Verzoek tot voortzetting crisismaatregel wordt afgewezen omdat betrokkene vrijwillig meewerkt aan noodzakelijke zorg.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445097 / FA RK 26-826
Datum uitspraak: 18 februari 2026
Beschikking voortzetting crisismaatregel
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1964 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonende in [plaats 1] ,
verblijvende te [plaats 2] , [accommodatie]
[afdeling] ,
advocaat mr. A.Ch. Osté uit Dongen.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 17 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 februari 2026. Daarbij zijn gehoord:
  • betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
  • de heer [persoon 1] , psychiater.
Tevens waren aanwezig:
  • [persoon 2] , sociotherapeut;
  • [persoon 3] , stagiaire.

2.Wat vaststaat

Betrokkene verblijft met een crisismaatregel in [accommodatie] . De burgemeester van Gilze en Rijen heeft de crisismaatregel op 16 februari 2026 afgegeven.

3.Het verzoek

De officier van justitie verzoekt de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel, als bedoeld in artikel 7:7 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), te verlenen voor de duur van drie weken voor de navolgende zorgvormen:
- het toedienen van vocht en voeding;
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
- controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
- opnemen in een accommodatie.

4.De standpunten

4.1.
Betrokkene merkt op dat zij klinisch is opgenomen, naar zij begrijpt in het kader van een crisismaatregel, nadat zij opnieuw overmatig alcoholhoudende drank is gaan gebruiken. Deze maatregel voelt voor haar als enigszins overdreven, omdat zij al vaker na een periode, waarin zij stabiel functioneerde, een terugval in drankgebruik heeft meegemaakt. Ook is zij daarvoor meerdere malen - deels in een verplicht en deels vrijwillig kader - klinisch behandeld. Zij ziet wel in dat zij zorg c.q. behandeling nodig heeft om herhaling van de situatie, waarin zij terecht is gekomen in de toekomst te voorkomen. Zij heeft met name behoefte aan therapeutische behandeling, die haar helpt om in het vervolg daadwerkelijk weerstand te bieden aan de drang tot overmatig gebruik van alcoholhoudende drank. Zij is daarover in gesprek met haar behandelaar. Ook begrijpt zij dat, gelet op deze situatie, het verstandig is om de klinische opname nog even voort te zetten. Zij is volledig bereid om daaraan vrijwillig mee te werken. Een voortzetting van de crisismaatregel is daarom niet noodzakelijk.
4.2.
De psychiater brengt naar voren dat bij betrokkene sprake is van een middel gerelateerde verslavingsstoornis en persoonlijkheidsproblematiek. Betrokkene heeft in de afgelopen jaren meermalen een terugval gekend in het gebruik van alcohol houdende drank. Wel is gebleken dat deze cirkel telkens door middel van tijdelijke klinische opnames in een vrijwillig en verplicht kader kon worden doorbroken. Niettemin begrijpt hij, rekening houdend met de situatie waarin betrokkene op 16 februari 2026 verkeerde, dat tot een crisismaatregel is besloten. Betrokkene werd op dat moment in een zeer zorgelijke toestand aangetroffen, waarbij zij zichzelf erg had verwaarloosd en zij kort daarvoor vanuit suïcidale gedachten een poging had ondernomen om zichzelf van het leven te beroven. Hij acht een voortgezette klinische opname noodzakelijk om (verder) te kunnen werken aan stabilisatie en om nader diagnostisch onderzoek te kunnen doen naar de werkelijke onderliggende oorzaak van de terugvalperiodes die betrokkene kent in het gebruik van alcoholhoudende drank. Voor dit onderzoek is nodig dat er gedurende minimaal zes weken van abstinentie van het gebruik van alcoholhoudende drank sprake is. De ervaring heeft geleerd dat betrokkene weliswaar eerst over een drempel heen moet maar dat, zodra zij die heeft weten te nemen, zij goed weet aan te sluiten bij de haar voorgeschreven behandeling. Hij gaat er daarom van uit dat er met betrokkene gedegen afspraken kunnen worden gemaakt, dat die door haar ook daadwerkelijk worden nagekomen en dat de in het verzoek vermelde zorgvormen, met uitzondering van het toedienen van vocht en voeding en insluiten, waarvoor op dit moment strikt genomen de noodzaak niet aanwezig is, in een vrijwillig kader toegepast zullen kunnen worden. Een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel kan daarom naar zijn opvatting achterwege blijven.
4.3.
De advocaat van betrokkene voert aan dat hij uit het verhandelde ter zitting opmaakt dat het voor zijn cliënt het fijnst voelt indien de nog noodzakelijke zorg in een vrijwillig kader wordt voortgezet. Nu tevens is gebleken dat de behandelend psychiater daar achter kan staan stelt hij zich namens betrokkene als haar raadsman primair op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen. In het geval dat de rechtbank anders mocht oordelen verzoekt hij, bij wijze van subsidiair standpunt, van de machtiging tot voortzetting crisismaatregel ‘het toedienen van vocht en voeding’ en ‘insluiten’ als verplichte zorgvormen geen deel te laten uitmaken.

5.De beoordeling

5.1
Op grond van artikel 7:7 Wvggz Pro in samenhang gelezen met artikel 7:8 Wvggz Pro kan de rechter op verzoek van de officier van justitie met betrekking tot een betrokkene een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verlenen, indien de burgemeester ten aanzien van deze betrokkene op grond van artikel 7:1 Wvggz Pro een crisismaatregel heeft genomen.
5.2
Gelet op artikel 7:1 lid 1 Wvggz Pro kan deze machtiging slechts worden verleend indien:
- er onmiddellijk dreigend ernstig nadeel is;
- er een ernstig vermoeden bestaat dat het gedrag van betrokkene als gevolg van een psychische stoornis dit dreigend ernstig nadeel veroorzaakt;
- met de crisismaatregel het ernstig nadeel kan worden weggenomen;
- de crisissituatie dermate ernstig is dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht;
- er verzet is tegen de zorg als bedoeld in artikel 1:4 Wvggz Pro.
5.3.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene vermoedelijk lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van middel gerelateerde en verslavingsstoornissen en persoonlijkheidsstoornissen.
5.4.
Er is een ernstig vermoeden dat het gedrag van betrokkene als gevolg van bovengenoemde psychische stoornis onmiddellijk dreigend ernstig nadeel veroorzaakt, gelegen in
- levensgevaar;
- ernstige verwaarlozing.
5.5.
Gebleken is uit het verhandelde ter zitting dat de behandelend psychiater voortgezette klinische behandeling op dit moment nog noodzakelijk acht om (verder) te kunnen werken aan stabilisatie en om nader diagnostisch onderzoek te kunnen verrichten. Betrokkene zal in dat kader in gesprek moeten blijven met haar behandelaars en klinische zorg moeten (blijven) accepteren, in die zin dat, zij daaraan actief meewerkt en adviezen opvolgt. In zijn visie kunnen er daarover met betrokkene gedegen afspraken gemaakt kunnen worden. Ook is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat betrokkene bereid is om de ter afwending van het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel noodzakelijke zorg te accepteren en dat de behandelend psychiater er voldoende vertrouwen in heeft dat (behandel)afspraken door betrokkene in een vrijwillig kader daadwerkelijk zullen worden nageleefd.
5.6
Nu betrokkene zich niet verzet tegen de ter afwending van het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel noodzakelijke zorg, zal het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel worden afgewezen.

6.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026 door mr. De Weert, rechter, in aanwezigheid van Baremans, griffier en op schrift gesteld op 4 maart 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.