ECLI:NL:RBZWB:2026:2079

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
22 maart 2026
Zaaknummer
C/02/420299 / FA RK 24-1301
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige zorgregeling opgeschort wegens afstand man tot minderjarige, definitieve beslissing aangehouden

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek tot wijziging van de zorgregeling tussen een man en zijn minderjarige kind. De man heeft een moeilijke periode doorgemaakt met gezondheidsproblemen en heeft besloten afstand te nemen van het kind, waardoor hij niet langer openstaat voor contact of een begeleid traject.

De voorlopige zorgregeling, waarbij de man contact had met het kind volgens een opbouwschema, wordt hierdoor opgeschort. De vrouw is bezorgd over het contactverlies en wil dat er enige vorm van contact blijft. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling benadrukken het belang van contact voor het kind en willen onderzoeken wat mogelijk is ondanks de beperkte draagkracht van de man.

De rechtbank besluit voorlopig geen contact toe te staan en houdt de definitieve beslissing zes maanden aan, in afwachting van rapportage van de gecertificeerde instelling over de mogelijkheden voor contact. Tevens wordt benadrukt dat het kind op passende wijze uitleg moet krijgen en ondersteund moet worden bij deze situatie.

De zaak wordt aangehouden tot 7 juli 2026, waarna de rechtbank op basis van nieuwe informatie een beslissing zal nemen over het verdere procesverloop.

Uitkomst: Voorlopig geen contactregeling tussen man en minderjarige, definitieve beslissing aangehouden voor zes maanden.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/420299 / FA RK 24-1301
Datum uitspraak: 19 februari 2026
Beschikking betreffende een wijziging van de zorgregeling
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. N. Wouters te Middelburg,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
over de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
Als informant is in de procedure betrokken:
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
gevestigd te Eindhoven.

1.Het verdere procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de beschikking van de rechtbank van 16 januari 2025 en alle daarin vermelde stukken;
- de brief van mr. Wouters van 9 april 2025, tevens houdende wijziging van het
verzoek;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 15 april 2025;
- het F9-formulier van mr. Wouters van 4 november 2025;
- het F9-formulier van mr. Wouters van 8 december 2025.
1.2
Het verzoek is nader mondeling behandeld op 4 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw en de man, bijgestaan door zijn advocaat. Tevens was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad en een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
1.3
Voorafgaand aan voornoemde mondelinge behandeling is de hierna te noemen minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Zij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
1.4
Het verzoek is vanwege de nauwe samenhang gelijktijdig behandeld met het door de GI ingediende verzoek in de zaak met kenmerk: C/02/443451 / JE RK 25-2308. In die procedure is afzonderlijk beslist.

2.De nadere beoordeling

2.1
De rechtbank verwijst naar de beschikking van 16 januari 2025. In deze beschikking is een voorlopige zorgregeling bepaald waarbij de man en [minderjarige] recht hebben op contact met elkaar, waarbij op basis van het door de GI opgestelde opbouwschema en onder regie van de GI wordt toegewerkt naar een zorgregeling op basis waarvan [minderjarige] in de ene week het weekend van vrijdag uit school tot maandagochtend voor school en de andere week op dinsdag uit school tot ’s avonds 19:00 uur bij de man verblijft. De beslissing ten aanzien van de definitieve zorgregeling heeft de rechtbank aangehouden.
2.2
Bij bericht van mr. Wouters van 9 april 2025 is namens de man het verzoek gewijzigd c.q. aangevuld ten aanzien van het verzoek in het inleidende verzoekschrift in die zin dat de man de rechtbank verzoekt om de volgende regeling vast te leggen:
I. tot 2 mei 2025 wordt het schema gehanteerd zoals door de GI is verstrekt aan ouders per e-mail van 18 maart 2025;
II. na de meivakantie, d.w.z. 5 mei 2025 geldt een vaste regeling waarbij [minderjarige] in de ene week het weekend van vrijdag uit school tot maandagochtend voor school en de andere week op dinsdag uit school tot ’s avonds 19:00 uur bij man verblijft, waarbij in ieder geval de volgende afspraken worden gemaakt:
  • In het weekend van vaderdag (vrijdag 13 juni tot en met zondag 15 juni) is [minderjarige] bij de man.
  • De zomervakantie wordt 50-50% verdeeld (de eerste drie weken van de vakantie is [minderjarige] bij vrouw, de laatste drie weken van de vakantie is [minderjarige] bij man)
III. Na de zomervakantie 2025, die eindigt op 17 augustus 2025, wordt de zorgregeling uitgebreid in de vorm van een co-ouderschapsregeling, waarbij [minderjarige] één week bij de man is en één week bij de vrouw is, waarbij de zorgregeling doorloopt in de vakanties, met uitzondering van de zomervakantie, Kerst (24, 25 en 26 december) en Oud en Nieuw (31 december en 1 januari), welke dagen in onderling overleg tussen de ouders worden verdeeld.
2.3
Op 15 april 2025 heeft de rechtbank zowel het verzoek van de man in deze procedure als het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] behandeld. De ondertoezichtstelling van [minderjarige] is bij beschikking van 15 april 2025 verlengd voor de duur van negen maanden, te weten met ingang van 6 mei 2025 en tot 6 februari 2026. De beslissing ten aanzien van de definitieve zorgregeling heeft de rechtbank op 15 april 2025 opnieuw aangehouden.
2.4
Tijdens de zitting is door en namens de man aangegeven dat hij ervoor kiest om afstand te nemen van [minderjarige] . De man verzoekt de rechtbank daarom om vast te leggen dat de man en [minderjarige] geen omgang meer met elkaar zullen hebben. De man heeft een lastige periode achter de rug na de relatiebreuk met zijn ex-partner. De man heeft zowel psychische als lichamelijke problemen, waarbij er vermoedelijk sprake is van MS. De man slaapt veel, ervaart problemen met de linkerhelft van zijn lichaam, heeft last van krachtverlies en zal veel onderzoeken moeten ondergaan. Dit vergt veel van de man en de man wil het [minderjarige] niet aandoen om dit te moeten meemaken. De man voelt zich door de GI niet gehoord en is niet bereid om opnieuw een traject aan te gaan gericht op hervatten van het begeleide contact met [minderjarige] . De man staat achter deze beslissing en heeft dit met de kindercoach van [minderjarige] besproken. De man staat ervoor open om hierover uitleg te geven aan [minderjarige] . De man wil niet met de huidige jeugdbeschermer in gesprek. Wel is de man bereid om een afsluitend gesprek te voeren met een andere medewerker van de GI. De definitieve beslissing kan worden aangehouden voor de duur van zes maanden in afwachting van het verloop van de ondertoezichtstelling.
2.5
De vrouw is geschrokken van hetgeen de man heeft verteld en door de beslissing die de man als gevolg daarvan neemt. De vrouw zou graag willen dat er enige vorm van contact wordt behouden tussen [minderjarige] en de man. Het is nu steeds dezelfde teleurstelling die [minderjarige] ervaart. De vrouw is bereid om daarover in gesprek te gaan en zal [minderjarige] daarin opvangen.
2.6
De Raad vindt de eenzijdige beslissing van de man om afstand te nemen van [minderjarige] niet in haar belang. [minderjarige] is gehecht aan de man en hiermee krijgt zij de boodschap dat iemand die belangrijk voor haar is, plotseling kan besluiten om er niet meer te zijn. [minderjarige] is niet gehoord en betrokken in dit proces. Het is belangrijk dat er de komende periode wordt onderzocht of het mogelijk is om ondanks de beperkte draagkracht van de man enige vorm van contact te behouden tussen de man en [minderjarige] . [minderjarige] dient te worden betrokken bij de beslissingen en dient uitleg te krijgen over deze keuze. Wanneer de man definitief besluit om het contact te beëindigen zorgt dit voor een verlieservaring, waarmee rouw gepaard gaat. Hier dient zij bij te worden ondersteund.
2.7
De GI wil de komende periode onderzoeken of en hoe de omgang tussen de man en [minderjarige] kan worden hervat en wat de draagkracht van de man daarin is. De GI is geschrokken door de eenzijdige beslissing die de man heeft genomen. De GI is bereid om mee te denken in wat er haalbaar is voor de man, zodat er enige vorm contact mogelijk blijft met [minderjarige] . Het zal voor [minderjarige] moeilijk zijn dat er bewust door de man wordt gekozen om geen dan wel minimaal contact met haar te onderhouden.
2.8
De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op de toelichtingen tijdens de zitting is de rechtbank van oordeel dat de eerder vastgestelde voorlopige zorgregeling dient te worden gewijzigd. Nu de man eenzijdig heeft besloten om afstand van [minderjarige] te willen nemen, de voorlopige zorgregeling niet meer zal nakomen en niet langer open staat voor een nieuw traject gericht op de opbouw van (begeleid) contact met [minderjarige] , ziet de rechtbank zich genoodzaakt om voorlopig te bepalen dat er tijdelijk geen contact zal zijn tussen [minderjarige] en de man. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de persoonlijke situatie van de man, vindt de rechtbank het zorgelijk dat [minderjarige] opnieuw in het contact met de man zal worden teleurgesteld.
2.9
Alvorens de rechtbank een definitieve beslissing zal nemen ten aanzien van de zorgregeling tussen [minderjarige] en de man, vindt de rechtbank het, net als de Raad, belangrijk dat er de komende periode binnen de ondertoezichtstelling wordt onderzocht of, en zo ja, wat er mogelijk is in het contact tussen [minderjarige] en de man. De rechtbank zou het de man, maar vooral [minderjarige] , gunnen om een vorm van contact met elkaar te hebben waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van [minderjarige] en de beperkte draagkracht van de man. Partijen zijn tijdens de zitting overeengekomen dat hierover de komende periode gesprekken zullen worden gevoerd, ten einde te bepalen wat er mogelijk is in het contact tussen [minderjarige] en de man. De GI heeft daaromtrent toegezegd dat hiervoor, gelet op de vertrouwensbreuk die de man thans met de huidige jeugdbeschermer ervaart, een andere collega zal worden ingezet. Ook de kindercoach van [minderjarige] zal hierbij worden betrokken. De rechtbank vindt het daarnaast van groot belang dat ook [minderjarige] hierin wordt gehoord. [minderjarige] moet uitleg krijgen over de beslissing van de man op een bij haar leeftijd en ontwikkeling passende wijze. Hiervoor is het belangrijk dat er eerst een gesprek plaatsvindt tussen de GI, de man, de vrouw en de kindercoach van [minderjarige] , zodat alle partijen dezelfde boodschap kunnen uitdragen naar [minderjarige] en dat [minderjarige] hierin wordt ondersteund en ontschuldigd.
2.1
De beslissing over de definitieve zorgregeling zal worden aangehouden voor de duur van zes maanden pro forma, in afwachting van de berichtgeving van de GI. De rechtbank verwacht van de GI dat zij de rechtbank informeert over de uitkomst van voormelde gesprekken ten aanzien van de mogelijkheden om, ondanks de zeer beperkte draagkracht van de man, enige vorm van contact tussen [minderjarige] en de man te behouden. Vervolgens zal de advocaat van de man in de gelegenheid worden gesteld om zich uit te laten over de wijze waarop de zaak verder moet worden afgedaan, waarna de rechtbank een beslissing zal nemen over het verdere procesverloop.
2.11
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1
bepaalt dat er voorlopig geen contactregeling geldt tussen de man en de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014, in afwachting van het verloop van de ondertoezichtstelling;
3.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.3
houdt de behandeling van deze zaak aan tot 7 juli
2026 PRO FORMAin afwachting van bericht van de GI en mr. Wouters zoals hiervoor onder 2.10 overwogen;
3.4
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026 in tegenwoordigheid van mr. Palings, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:

Voetnoten

1.In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.