ECLI:NL:RBZWB:2026:2080

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
22 maart 2026
Zaaknummer
C/02/445209 / JE RK 26-289
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Verschoor-Bergsma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 800 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van vijf minderjarige kinderen wegens onveilige thuissituatie

De zaak betreft een spoedverzoek van de GI (Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering) tot machtiging tot uithuisplaatsing van vijf minderjarige kinderen uit een gezin waar ernstige zorgen over de veiligheid en opvoedingssituatie bestaan.

De kinderen verblijven bij hun moeder in de echtelijke woning, maar de situatie is recent geëscaleerd met toenemende spanningen, intieme terreur en een overschreden draagkracht van de moeder. De vader is aangehouden en er bestaat een locatie- en contactverbod. De agressie en escalaties binnen het gezin zijn toegenomen, waardoor de veiligheid van de kinderen en moeder niet langer gegarandeerd kan worden.

De kinderrechter oordeelt dat uitstel van ingrijpen het risico op ernstig letsel vergroot en dat een spoedmachtiging noodzakelijk is. De machtiging wordt verleend voor twee weken, waarbij twee kinderen in een jeugdhulpaccommodatie worden geplaatst en drie kinderen op een geheime locatie met de moeder verblijven.

De beslissing is direct uitvoerbaar bij voorraad en een zitting volgt om de mening van de GI, moeder en vader te horen, waarna verdere beslissingen worden genomen. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van vijf minderjarige kinderen voor twee weken wegens acute onveiligheid in de thuissituatie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445209 / JE RK 26-289
Datum uitspraak: 19 februari 2026
Beschikking (spoed) machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERINGte Eindhoven,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2008 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2014 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] ,
[minderjarige 4], geboren op [geboortedag 4] 2018 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 4] ,
[minderjarige 5], geboren op [geboortedag 5] 2021 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 5] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] , feitelijk ingeschreven te [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke (spoed)verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 19 februari 2026.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn gehuwd. Uit dit huwelijk zijn de navolgende thans nog minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2008;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 2] 2012;
- [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 3] 2014;
- [minderjarige 4] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 4] 2018;
- [minderjarige 5] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 5] 2021.
2.2.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
2.3.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] verblijven bij de vrouw in de echtelijke woning.
2.4.
Bij beschikking van 7 januari 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] voorlopig ondertoezicht gesteld met ingang van 7 januari 2026 en tot 7 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een (spoed) machtiging af te geven tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van vier weken. De GI verzoek tevens een (spoed) machtiging af te geven tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] op een geheime locatie.
3.2.
De GI verzoekt aansluitend een machtiging uithuisplaatsing te verlenen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie en voor [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] op een geheime locatie voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten 7 april 2026.
3.3.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ook verzoekt de GI hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

4.De beoordeling

4.1.
Op basis van artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
4.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 800 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking betreffende een machtiging tot uithuisplaatsing aanstonds worden afgegeven, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige.
4.3.
Uit het (spoed)verzoek blijkt dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een machtiging tot uithuisplaatsing is vervuld (1:265b BW). De kinderrechter is van oordeel dat het dringend en onverwijld noodzakelijk is dat alle minderjarigen met spoed uit huis wordt geplaatst en dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarigen. Daartoe overweegt de kinderrechter het volgende.
4.4.
Het is de kinderrechter gebleken dat de zorgen in de thuissituatie in korte tijd zijn toegenomen en dat de veiligheid van de kinderen acuut onder druk staat. De spanningen in huis zijn recent verder geëscaleerd waarbij de intieme terreur is toegenomen ondanks het locatie- en contactverbod dat geldt en de moeder zich steeds minder in staat voelt om de situatie te hanteren. De moeder verkeert in een toestand van voortdurende angst en uitputting waardoor haar draagkracht is overschreden. Hierdoor ontbreekt het haar aan de mogelijkheid om tijdig en effectief in te grijpen bij escalaties en zij onvoldoende in staat is rust, structuur en emotionele veiligheid te bieden. De kinderen zijn langdurig blootgesteld aan deze onveilige dynamiek wat schadelijk is voor hun ontwikkeling en gevoel van basisveiligheid. Daarnaast is het gedrag van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] recent verergerd. Hun boosheid en agressie (ook richting de moeder en de meisjes) nemen toe, escalaties volgen elkaar sneller op en zij zijn moeilijker te begrenzen. De vader is vandaag aangehouden door de politie en het locatie- en contactverbod loopt op 24 februari a.s. af, maar er zijn zorgen dat de spanning bij de vader steeds hoger oploopt en dat hij mogelijk instructies heeft gegeven aan [minderjarige 2] en [minderjarige 1] over schadelijke acties tegen hun moeder en hun zusjes. Er is daarom sprake van een situatie waarin de veiligheid in huis niet langer kan worden gegarandeerd en waarin het risico bestaat op fysieke en emotionele schade zowel voor henzelf als voor de anderen in het gezin. De kinderrechter acht het aannemelijk dat uitstel van ingrijpen het risico op verdere escalatie en ernstig letsel vergroot.
4.5.
De kinderrechter is van oordeel dat in een situatie als deze waarin er zulke ernstige zorgen zijn over de minderjarigen en voldoende aannemelijk is dat de minderjarigen op dit moment niet thuis bij de moeder kunnen wonen, een uithuisplaatsing noodzakelijk is. Onder deze omstandigheden acht de kinderrechter een plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder noodzakelijk. Voor [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] zal een machtiging op een geheime locatie worden verleend met hun moeder. De kinderrechter vindt het niet verantwoord de huidige situatie te laten voortbestaan in afwachting van nader onderzoek of hulpverlening.
4.6.
De GI, de moeder en de vader worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hieronder genoemde zitting. In afwachting van deze zitting zal een machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder worden verleend van twee weken, te weten met ingang van 19 februari 2026 en tot 5 maart 2026. Een verdere beslissing op de verzoeken zal de kinderrechter pas nemen nadat de zitting heeft plaatsgevonden.
4.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 19 februari 2026 en tot 5 maart 2026;
5.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] op een geheime locatie (met de moeder) voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 19 februari 2026 en tot 5 maart 2026;
5.3.
verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
houdt het resterende deel van het verzoek aan tot de zitting van
[datum] 2026 te [uur], welke wordt gehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, Kousteensedijk 2, ten overstaan van mr. Voorn voor de duur van 45 minuten;
5.4.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de GI, de moeder en de vader;
5.5.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en schriftelijk uitgewerkt op 19 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.