ECLI:NL:RBZWB:2026:2087

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
22 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443354 / JE RK 25-2292
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en afwijzing verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarige

De kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 19 februari 2026 het verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2011. De ondertoezichtstelling was sinds 27 februari 2023 van kracht en was reeds meerdere malen verlengd. De minderjarige verbleef op een groep bij een jeugdhulpaanbieder.

De gecertificeerde instelling stelde dat de moeder grote stappen had gezet, maar dat de minderjarige stagneerde in zijn ontwikkeling op de groep. Er was een persoonlijkheidsonderzoek verricht en de instelling wilde de regie behouden om verdere begeleiding te waarborgen. De moeder stemde in met verlenging van de ondertoezichtstelling, maar wees verlenging van de uithuisplaatsing af, stellende dat het kind op de groep gepest werd en thuis beter floreerde.

De kinderrechter oordeelde dat aan de wettelijke voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling was voldaan, gezien de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van het kind en de noodzaak van voortzetting van de begeleiding. De machtiging tot uithuisplaatsing werd echter afgewezen omdat het verblijf op de groep niet goed verliep en de terugplaatsing naar de moeder naar verwachting de motivatie van het kind zou bevorderen. De beslissing werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en mondeling uitgesproken, met mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd, maar de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443354 / JE RK 25-2292
Datum uitspraak: 19 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 februari 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
Aan mevrouw [persoon] , de ambulant begeleider van de moeder vanuit [accommodatie] , is bijzondere toegang verleend om de zitting bij te wonen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 27 februari 2023 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Sindsdien is die maatregel steeds verlengd. Laatstelijk, bij beschikking van 25 februari 2025, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 27 februari 2025 tot 27 februari 2026.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 22 september 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 27 september 2025 tot 27 februari 2026.
2.4.
[minderjarige] verblijft op basis van deze machtiging in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten op een groep bij [accommodatie] .

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.
3.2.
Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van één jaar.
3.3.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. De moeder heeft grote stappen gezet en doet heel erg haar best. [minderjarige] staat echter stil in zijn ontwikkeling op de groep. Hij wil terug naar zijn moeder. De motivatie van [minderjarige] ontbreekt op alle gebieden. Er heeft een persoonlijkheidsonderzoek plaatsgevonden om de mentale gesteldheid van [minderjarige] in kaart te brengen. Als hij gemotiveerd zou meewerken dan kan de hulpverlening aan de slag om samen met hem de problematiek aan te pakken. De moeder moet ondersteund worden in wat er uit dit onderzoek naar voren is gekomen. Het is van belang dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd zodat de GI de regie kan blijven voeren.
4.2.
De GI vindt het nog te vroeg voor een terugplaatsing en vindt het belangrijk dat er in stapjes wordt gewerkt aan het terugkeren naar huis. De GI benadrukt dat [minderjarige] acht jaar niet bij de moeder heeft gewoond en dat het een te grote stap is om hem weer bij de moeder thuis te laten wonen. De GI wil voorkomen dat deze keuze te snel wordt gemaakt en dat [minderjarige] later wederom uit huis geplaatst moet worden. Dat zou namelijk weer een teleurstelling voor hem betekenen. De GI benadrukt dat als het binnen het komende jaar eerder mogelijk is om [minderjarige] thuis te plaatsen daar naartoe zal worden gewerkt.

5.Het standpunt van belanghebbende

5.1.
Door de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in de verlenging van de ondertoezichtstelling, maar niet in de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. [minderjarige] woont al bijna acht jaar op de groep. Dat was eerst vrijwillig. Het gaat daar niet goed met hem, terwijl [minderjarige] opbloeit wanneer hij bij de moeder thuis is. Op de groep trekt [minderjarige] zich terug, omdat hij gepest wordt. Thuis is hij open, lacht hij en maakt hij grapjes. Ook met zijn hygiëne gaat het thuis beter. De moeder begrijpt de angst van de GI voor een nieuwe teleurstelling bij [minderjarige] , maar zij is er klaar voor om [minderjarige] bij haar te laten wonen. Ook is de moeder tevreden met de begeleiding vanuit [accommodatie] en is zij ervan overtuigd dat zij met deze hulp [minderjarige] kan bieden wat hij nodig heeft.

6.De beoordeling

Ondertoezichtstelling
6.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
6.3.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter dat aan de voorwaarden voor de verlenging van de ondertoezichtstelling wordt voldaan. De zorgen omtrent [minderjarige] zijn niet afgenomen en lijken eerder toegenomen. [minderjarige] wordt daardoor ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Deze zorgen zien zowel op zijn fysieke als mentale gezondheid. [minderjarige] voelt zich niet goed op de groep. Hij wordt gepest, trekt zich terug en kan nauwelijks gemotiveerd worden. Ook zijn er zorgen over zijn overgewicht en zijn hygiëne. De kinderrechter benadrukt dat onderzocht moet worden wat ten grondslag ligt aan de hygiëneproblemen en dat [minderjarige] weerbaarder moet worden. De moeder en [minderjarige] kunnen zich vinden in de verlenging van de ondertoezichtstelling. Het is belangrijk dat de GI de regie blijft houden om erop toe te zien dat de begeleiding van zowel [minderjarige] als de moeder goed blijft verlopen. De kinderrechter zal het (onweersproken) verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling toewijzen.
Uithuisplaatsing
6.4.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.5.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.)
6.6.
Het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing zal worden afgewezen. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Het gaat niet goed met [minderjarige] op de groep. Hij wordt gepest en trekt zich terug op zijn kamer. De kinderrechter ziet in zijn gedrag op de groep geen enkele verbetering ten opzichte van vorig jaar. De kinderrechter heeft in haar gesprek met [minderjarige] geconstateerd dat [minderjarige] zichtbaar blij wordt als hij het over de moeder heeft. Ook volgens zijn moeder bloeit hij op als hij bij haar is. De moeder heeft in de opvoedsituatie grote stappen gezet. Hoewel de kinderrechter geen volledig zicht heeft op de thuissituatie bij de moeder, acht zij de situatie op de groep zo zorgelijk dat zij het niet in het belang van [minderjarige] vindt om hem daar langer te laten verblijven. De angst van de GI voor een nieuwe teleurstelling bij [minderjarige] is begrijpelijk, maar de kinderrechter hoopt dat [minderjarige] door de terugplaatsing bij de moeder juist weer gemotiveerd zal raken om zich in te zetten voor de dagbesteding en te werken aan zijn fysieke en mentale gezondheid. Op deze manier heeft hij concreet iets om naar uit te kijken.. Het is van belang dat de begeleiding voor de moeder en [minderjarige] worden voortgezet. [minderjarige] verblijft al wekelijks enkele dagen bij de moeder en dat verloopt met ondersteuning van [accommodatie] goed. De kinderrechter spreekt haar vertrouwen uit naar de moeder, maar met name naar [minderjarige] dat beiden zich zullen blijven inzetten. De kinderrechter verwacht van [minderjarige] dat hij gemotiveerd zal blijven meewerken. Dit betekent dat hij luistert naar en meewerkt met de moeder, de GI en [accommodatie] , maar ook dat hij zich gemotiveerd inzet voor de dagbesteding, school en [hulpverlening] , of andere toekomstige begeleiding. De moeder en [minderjarige] hebben hierin een eigen verantwoordelijkheid.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.7.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
7.
De beslissing
De kinderrechter:
7.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 27 februari 2026 tot 27 februari 2027;
7.2. verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
7.3. wijst het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 23 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.