ECLI:NL:RBZWB:2026:2093

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
22 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443582 / JE RK 25-2340
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BWArt. 1:265g lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing bij moeder met regie zorgregeling bij gecertificeerde instelling

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 19 februari 2026 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen en de machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder. De kinderen wonen momenteel bij hun moeder en zijn onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling (GI) tot 25 februari 2026. De GI verzocht om verlenging van deze ondertoezichtstelling voor een jaar en om een machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, waren de moeder, vader en een vertegenwoordiger van de GI aanwezig. De kinderen werden gehoord en gaven aan dat zij wisselende signalen afgeven en het moeilijk vinden hun wensen duidelijk te maken. De GI benadrukte het belang van passende hulpverlening, met name MDFT, gericht op samenwerking tussen ouders en vermindering van spanningen. De moeder stemde in met de verlenging en machtiging, terwijl de vader de ondertoezichtstelling als contraproductief beschouwde en vroeg deze te beëindigen.

De rechtbank oordeelde dat de wettelijke criteria voor verlenging en machtiging zijn vervuld. De kinderen ervaren nog steeds ontwikkelingsbedreigingen door spanningen tussen ouders en onvoldoende emotionele veiligheid. De ouders zijn niet in staat de situatie zelfstandig op te lossen, waarbij de moeder overbelast is en de vader onvoldoende meewerkt. De GI blijft regie voeren over de zorgregeling om de rust en veiligheid van de kinderen te waarborgen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en geldt direct.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt verlengd en de machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder verleend met regie over de zorgregeling bij de gecertificeerde instelling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/443582 / JE RK 25-2340
C/02/443584 / JE RK 25-2341
Datum uitspraak: 19 februari 2026
Beschikking verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing en zorgregeling (ex artikel 1:265g BW)
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. V.J.C. Pieters,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. M. Kalle.

1.Het verloop van de procedure

C/02/443582 / JE RK 25-2340 verlenging ondertoezichtstelling
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 31 december 2025;
C/02/443584 / JE RK 25-2341 zorgregeling en machtiging tot uithuisplaatsing
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 31 december 2025;
  • de brief van de GI van 5 februari 2026, ontvangen op 5 februari 2026.
1.3.
De zitting met gesloten deuren voor beide zaken heeft plaatsgevonden op 19 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
  • een vertegenwoordigster van de GI.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en moeder zijn met elkaar gehuwd geweest.
2.2.
Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.
2.3.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.4.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen op dit moment bij hun moeder.
2.5.
Bij beschikking van 25 februari 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, te weten tot 25 februari 2026.

3.Het verzoek

C/02/443582 / JE RK 25-2340 verlenging ondertoezichtstelling
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar.
3.2.
De GI verzoekt ook de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
C/02/443584 / JE RK 25-2341 zorgregeling en machtiging tot uithuisplaatsing
3.3.
De GI verzoekt primair op grond van artikel 1:265g BW de huidige (eerder gewijzigde) verdeling van de zorg- en opvoedtaken als volgt vast te stellen, in de zin dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder zullen verblijven, en dat er vervolgens een opbouw in het contact met de vader plaatsvindt onder regie van de GI.
3.4.
De GI verzoekt subsidiair op grond van artikel 1:265b BW een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, te weten de moeder, te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.5.
De GI verzoekt meer subsidiair op grond van artikel 1:265g BW en artikel 1:265b lid 1 BW zowel:
  • de huidige (eerder gewijzigde) verdeling van de zorg- en opvoedtaken vast te stellen/te wijzigen conform onder hetgeen primair is gesteld: als
  • een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen conform hetgeen subsidiair is gesteld.
3.6.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI geeft tijdens de zitting aan dat een verlenging van de ondertoezichtstelling nog nodig is. Verder geeft de GI aan dat een machtiging uithuisplaatsing bij de moeder noodzakelijk is om de feitelijke situatie juridisch vast te leggen. Op die manier kunnen de rust, duidelijkheid en continuïteit van het verblijf bij de moeder voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden gewaarborgd. De kinderen geven wisselende signalen af en vinden het moeilijk om hun wensen duidelijk te verwoorden. Juist daarom is regie en structuur van de GI nog nodig. De GI vindt het van groot belang dat er passende hulpverlening wordt ingezet met name MDFT. MDFT is gericht op het verbeteren van de samenwerking tussen de ouders en het verminderen van spanningen binnen het gezinssysteem. Beide ouders spelen daarin een even belangrijke rol. Volgens de GI heeft de moeder zich bereid verklaard hieraan deel te nemen. De vader heeft tot nu toe geen toestemming gegeven en motiveert de kinderen onvoldoende om mee te doen met de hulpverlening wat volgens de GI een cruciaal knelpunt vormt. De GI benadrukt dat zij het belang van de kinderen vooropstelt en dus niet dat van een van de ouders. De GI stimuleert juist het contact tussen de vader en de kinderen maar wel met ruimte voor de kinderen om dit zoveel mogelijk op een voor hen passende manier vorm te geven. De GI verzoekt de regie over de zorgregeling bij de GI te laten zijn zodat deze zorgvuldig en in het tempo van de kinderen kan worden opgebouwd.
4.2.
Door en namens de moeder wordt tijdens de zitting aangegeven dat hoewel de moeder weinig vertrouwen heeft in de hulpverlening voor zichzelf, zij begrijpt dat de ondertoezichtstelling nog nodig is. Zij is dan ook akkoord met dit verzoek. Verder kan de moeder instemmen met een machtiging uithuisplaatsing bij haar omdat dit duidelijkheid geeft richting de kinderen en praktische uitvoeringsproblemen voorkomt. De moeder heeft inmiddels een intake bij MDFT gehad en staat ondanks haar reserves open voor deelname aan dit traject. De moeder staat achter de omgang tussen de kinderen en de vader als de kinderen zich veilig en prettig voelen. Zij stimuleert dit contact ook en ervaart dat ook als ontlastend. Ook is de moeder akkoord dat de regie over de zorgregeling bij de GI komt te liggen in de hoop dat deze zorgregeling daadwerkelijk van de grond komt. De moeder is moe en moedeloos geworden door jarenlange hulpverlening waarin zij weinig daadwerkelijke verandering heeft gemerkt. Sinds 2021 zijn er meerdere instanties betrokken geweest wat voor de moeder vooral heeft geleid tot administratieve lasten en voortdurende onrust terwijl ondertussen de problemen blijven terugkeren. De moeder wil vooral rust voor de kinderen. Verder merkt de moeder op dat zij erkent dat er zorgen zijn over beide kinderen maar dat zij ook positieve ontwikkelingen bij hen ziet. [minderjarige 1] laat verbetering zien in zijn schoolgang en toont motivatie om zijn cijfers te verbeteren. [minderjarige 2] heeft recent een positieve logeerervaring bij de vader gehad en zal na de zomer starten bij [hulpverlening] . De moeder staat positief tegenover individuele hulp voor de kinderen en is ook positief over een buddy voor [minderjarige 1] via OpenDoor.
4.3.
Door en namens de vader wordt tijdens de zitting aangegeven dat een ondertoezichtstelling geen toegevoegde waarde (meer) heeft en zelfs contraproductief werkt. De vader ervaart dat de ondertoezichtstelling juist leidt tot meer spanning tussen de ouders en de kinderen en dat het contact tussen hem en de kinderen juist is verslechterd in plaats van verbeterd. Het vertrouwen in de GI is bij de vader ernstig geschaad ook omdat het lang heeft geduurd voordat de ondertoezichtstelling daadwerkelijk werd opgestart. De vader maakt zich zorgen over [minderjarige 1] met name over zijn gedrag buitenshuis en het ontbreken van voldoende structuur. De vader is van mening dat hij [minderjarige 1] hierin beter kan begeleiden en dat het contact tussen hen juist in een positieve ontwikkeling is. De vader merkt dat de kinderen en dan met name [minderjarige 2] zelf meer contact met hem willen, inclusief logeren. Volgens de vader wordt deze ontwikkeling teveel afgeremd door de GI. Verder geeft de vader aan dat er geen ernstige spanningen tussen hem en moeder zijn maar dat zij enkel van mening verschillen over de opvoeding. De vader vindt dat deze verschillen geen reden mogen zijn voor een verlenging van de ondertoezichtstelling. De vader vindt de doelen van de ondertoezichtstelling onhaalbaar en stelt dat de hulpverlening binnen dit kader niet werkt. Hij ziet meer heil in het natuurlijk laten verlopen van het contact tussen hem en de kinderen op basis van hun eigen wensen. De vader verzoekt daarom de ondertoezichtstelling niet te verlengen en deze te beëindigen zodat er rust ontstaat en de kinderen ruimte krijgen om zelf te bepalen hoe zij het contact met beide ouders willen en vormgeven.
4.4.
[minderjarige 1] geeft in het gesprek met de kinderrechter aan dat het goed met hem gaat. Hij is een actieve jongen die graag beweegt en veel voetbalt. Stilzitten vindt hij lastig. [minderjarige 1] houdt zijn gevoelens meestal voor zichzelf maar in het contact met anderen loopt dit allemaal goed. Hij heeft geen beste vriend maar heeft met leeftijdsgenoten over het algemeen goed contact. Op school gaat het inmiddels beter dan eerder in het schooljaar. In het begin had hij moeite om na de zomervakantie weer te wennen maar dat gaat nu beter. [minderjarige 1] gaat nu vaker naar school en staat er redelijk goed voor. In de toekomst denkt hij aan een studie bedrijfskunde. [minderjarige 1] woont bij zijn moeder en dat vindt hij prettig. [minderjarige 1] vindt zijn moeder lief, zorgzaam en sterk. Zij is er voor hem wanneer hij het moeilijk heeft. De onderlinge relatie is goed en [minderjarige 1] vindt het belangrijk dat hij ruimte krijgt om zijn eigen dingen te doen en zelf beslissingen te nemen. De scheiding van zijn ouders is voor [minderjarige 1] al lange tijd geleden en hij is daaraan gewend. Hij kan goed omgaan met zowel zijn moeder als zijn vader. Het contact met zijn vader verloopt goed en hij is daar tevreden over. [minderjarige 1] ziet zijn vader op ongeveer twee of drie dagen per twee weken en hij vindt het prettig dat dit flexibel is en niet vastligt in afspraken. Dat geeft hem rust. [minderjarige 1] merkt niet dat er spanningen zijn tussen zijn ouders. Hij krijgt daar niets van mee. [minderjarige 1] vindt het fijn zoals zijn leven op dit moment is. Hij heeft het naar zijn zin bij zijn moeder en vindt het belangrijk om zoveel mogelijk zelf te kunnen bepalen.
4.2.
[minderjarige 2] geeft tijdens het gesprek met de kinderrechter aan dat het goed gaat op school. Zij heeft veel vriendinnen en kan met bijna alle meisjes goed opschieten. [minderjarige 2] vindt dingen snel spannend. [minderjarige 2] merkt dat er gedoe is tussen haar ouders en dat raakt haar. Soms wordt zij daar verdrietig van, vooral als haar ouders gemeen over elkaar praten. [minderjarige 2] woont bij haar moeder die lief en zorgzaam voor haar is en met wie ze soms leuke dingen kan doen. [minderjarige 2] vertelt verder dat haar vader lief, aardig en zorgzaam is. Zij vond het heel leuk om samen met hem naar een hotel in [woonplaats 2] te gaan. [minderjarige 2] ziet haar vader niet zo vaak en dat vindt zij moeilijk omdat zij hem mist. Dat haar ouders uit elkaar zijn, maakt haar verdrietig.
[minderjarige 2] wil het liefste dat ze de ene week bij haar vader kan zijn en de andere week bij haar moeder. Dat is voor haar heel belangrijk omdat ze hen allebei wil zien. Volgens [minderjarige 2] doet haar broer snel boos tegen haar. [minderjarige 2] wenst vooral dat haar ouders geen ruzie meer maken en normaal met elkaar omgaan.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.4.
Op grond van artikel 1:265g lid 1 BW kan de kinderrechter op verzoek van de GI voor de duur van de ondertoezichtstelling een zorgregeling vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Op grond van het bepaalde in artikel 1:265g lid 3 BW geldt deze regeling zodra de ondertoezichtstelling is geëindigd als een regeling als bedoeld in artikel 1:253a, lid 2, onder a, BW.
De beoordeling
5.5.
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat het verzoek van de GI dient te worden toegewezen nu voldaan wordt aan de wettelijke criteria zoals hierboven vermeld. Dit betekent dat het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal worden toegewezen voor de duur van een jaar. Het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, te weten de moeder, zal worden toegewezen tot 19 februari 2027. De kinderrechter zal de zorgregeling wijzigen in die zin dat de regie hierover bij de GI komt te liggen. De kinderrechter zal deze beslissing hierna toelichten.
5.6.
De kinderrechter stelt vast dat de ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen nog steeds aanwezig is. De kinderen ervaren al langere tijd veel spanning en onrust wat zichtbaar is in hun gedrag en emotionele welzijn. Zij hebben moeite met het reguleren van hun emoties, laten schoolverzuim zien en raken belast door de aanhoudende spanningen tussen de ouders. De kinderen komen hierdoor onvoldoende toe aan hun eigen ontwikkeling en veiligheid en lopen het risico verder klem te raken in loyaliteitsconflicten. De kinderrechter ziet daarnaast dat de kinderen zich verschillend uiten afhankelijk van de ouder bij wie zij zijn. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben behoefte aan rust, duidelijkheid en voorspelbaarheid, maar krijgen die op dit moment onvoldoende van de ouders. De emotionele veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is daardoor nog niet voldoende gewaarborgd.
5.7.
Verder constateert de kinderrechter dat er ten aanzien van de ouders nog steeds zorgen bestaan. De moeder is overbelast en heeft moeite om voldoende gezag en structuur te bieden. Ondanks ingezette hulpverlening lukt het haar op dit moment niet om veranderingen vast te houden. De vader heeft zich teruggetrokken uit het contact met de GI en de hulpverlening en toont onvoldoende bereidheid tot samenwerking. Dit maakt dat afstemming ontbreekt en dat spanningen blijven voortbestaan met negatieve gevolgen voor de kinderen. De kinderrechter is van oordeel dat de ouders de situatie op dit moment nog niet zelfstandig kunnen oplossen. De communicatie tussen de ouders is nog steeds verstoord en zonder sturing bestaat het risico dat afspraken niet worden nagekomen en de hulpverlening vastloopt. De aanwezigheid en regie van de GI zijn daarom nog noodzakelijk.
5.8.
De kinderrechter verwacht van de GI dat zij in de komende periode blijft toezien op de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen, passende hulpverlening borgt en blijft werken aan het vergroten van de opvoedvaardigheden en draagkracht van de moeder. Daarnaast dient de GI de rust rondom de kinderen te bewaken en escalaties te voorkomen.
5.9.
Verder is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is om een machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder te verlenen. Deze maatregel is bedoeld om de huidige, feitelijke situatie juridisch vast te leggen en stabiliteit te waarborgen zodat de kinderen niet opnieuw kunnen worden geconfronteerd met onzekerheid of plotselinge veranderingen in hun verblijf.
5.10.
Ten aanzien van de zorgregeling overweegt de kinderrechter dat het gezien de kwetsbaarheid van de kinderen en de spanningen tussen de ouders wenselijk is dat de regie hierover bij de GI komt te liggen. De GI kan vanuit een neutrale positie beoordelen welke opbouw in het contact passend is en kan rekening houden met wat de kinderen aankunnen en wat zij zelf aangeven. Het is aan de GI om de contactmomenten zorgvuldig en in het tempo van de kinderen op te bouwen. De kinderrechter benadrukt dat het uiteindelijke doel blijft dat wordt toegewerkt naar een situatie waarin de ouders deze verantwoordelijkheid weer zelfstandig kunnen dragen.
5.11.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.12.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , te weten met ingang van 25 februari 2026 en tot 19 februari 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, te weten de moeder, voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten met ingang van 19 februari 2026 en tot 19 februari 2027;
6.3.
bepaalt dat de regie over de zorgregeling bij de GI komt te liggen zoals overwogen in rechtsoverweging 5.10;
6.4.
wijst af het meer of anders gevorderde;
6.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 5 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.