ECLI:NL:RBZWB:2026:2094

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
22 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444136 / JE RK 26-93
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling voor twee minderjarige kinderen wegens blijvende ontwikkelingsbedreiging

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 19 februari 2026 uitspraak gedaan over het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen. De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging voor één jaar, terwijl de moeder een termijn van negen maanden vroeg met aanhouding van het overige deel. De vader stemde in met de verlenging en was niet aanwezig bij de zitting.

De kinderrechter constateerde dat de kinderen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, met onder meer loyaliteitsconflicten en gedragsproblemen die niet passen bij hun leeftijd. De communicatie tussen de ouders is verbeterd maar blijft niet constructief, wat nadelig is voor de kinderen. De hulpverlening via de huidige zorgaanbieder heeft niet het gewenste effect gehad, mede door het afzeggen van afspraken door de vader.

De GI zoekt naar een nieuwe zorgaanbieder die intensievere en passende therapie kan bieden, maar er is nog geen concreet plan. De kinderrechter benadrukt het belang van continuïteit in de hulpverlening en verwacht dat de vader actief meewerkt. Gezien de omstandigheden verlengt de rechtbank de ondertoezichtstelling met twaalf maanden en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen met één jaar en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444136 / JE RK 26-93
Datum uitspraak: 19 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. A. Koop - van Vliet in Breda,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. J.J. Bronsveld in Bergen op Zoom.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 januari 2026;
  • het stelbericht van mr. Koop - van Vliet van 4 februari 2026;
  • het stelbericht van mr. Bronsveld van 5 februari 2026;
  • het bericht van mr. Bronsveld van 13 februari 2026, inhoudende dat de vader akkoord is met het verzoek en hij en de advocaat niet ter zitting zullen verschijnen;
  • het bericht van mr. Koop - van Vliet van 18 februari 2026 met bescheiden.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 februari 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
Van de advocaat van de vader heeft de kinderrechter vernomen dat de vader akkoord is met de verlenging van de ondertoezichtstelling en dat zij niet ter zitting zullen verschijnen. De kinderrechter besluit de zitting voort te zetten bij afwezigheid van de vader. De overige aanwezigen hebben hiertegen geen bezwaar.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. Hij heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter op 16 februari 2026. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader heeft de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend.
2.2.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
2.3.
De moeder is alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] . De vader heeft verzocht tot gezamenlijk gezag. Op de zitting van 25 februari 2025 is, onder meer, beslist dit verzoek aan te houden tot 9 december 2025 pro forma.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 25 februari 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 25 februari 2025 tot 25 februari 2026.
2.5.
Het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van één jaar.
3.2.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. Er bestaan zorgen rondom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [minderjarige 1] heeft moeite met het verwoorden van zijn emoties en ook de school maakt zich zorgen over hem. Er zijn zorgelijke uitspraken gedaan door de vader richting [minderjarige 1] . Dit is door [hulpverlening] en de GI opgepakt. [minderjarige 1] heeft last van een loyaliteitsconflict. Bij [minderjarige 2] wordt gezien dat zij [minderjarige 1] aantrekt en afstoot. Ook wordt gezien dat er opstootjes zijn waarna zij naar de achtergrond trekt. Dat past op zich bij haar leeftijd, maar de mate waarin [minderjarige 2] dat doet is niet oké. De school heeft zorgen over haar gedrag. Zij neemt [minderjarige 1] mee om problemen voor haar op te lossen. De GI wil dat er meer zicht op haar gedrag komt.
4.2.
[hulpverlening] is betrokken. De GI heeft fors ingezet op het aantal uren, maar de praktijk heeft helaas geen diepgang kunnen bereiken. Het heeft lang geduurd voordat het traject liep en er is lang geobserveerd. De GI heeft de praktijk daarop aangesproken, omdat moet worden doorgepakt. Er is gesproken met de moeder, maar minder met de vader. De vader heeft een aantal keer afgezegd. De GI heeft besloten het traject bij [hulpverlening] af te ronden. De GI zoekt daarom naar een andere zorgaanbieder die kan inzetten op systemische en structurele begeleiding aan de hand van een intensieve aanpak en die ook speltherapie of PMT aanbiedt voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Er zijn twee zorgaanbieders aangeschreven: [zorgaanbieder 1] en [zorgaanbieder 2] . [zorgaanbieder 2] is meer gericht op therapie voor de kinderen. [zorgaanbieder 1] heeft aangegeven dat er plek is. De GI zal met hen in gesprek gaan of dit een reële optie is. Dit is nog niet gecommuniceerd met de ouders en De GezinsManager, omdat er nog geen aanmelding is gedaan. De wachttijden zijn lang, maar het is de bedoeling dat deze hulpverlening aansluit op het huidige traject zodat er geen gat ontstaat. Er kan door de GI nu niet een meer concreter plan worden gegeven. De GI verwacht dat er snel meer duidelijk zal zijn. De GI benadrukt dat zij vaak op de achtergrond werkt en ouders dus niet altijd meekrijgen wat de GI doet, maar dat zij zoeken naar een zorgaanbieder.
4.3.
Er is geen sprake van een constructie communicatie tussen de moeder en de vader. Naar aanleiding van de laatste evaluatie, op 22 januari 2026, is besloten de communicatie via WhatsApp te onderhouden in plaats van via de e-mail. Dit verloopt beter. De moeder en de vader geven belangrijke zaken aan via de WhatsApp-groep en de vader reageert dezelfde dag op berichten van de moeder. De GI benadrukt dat zij, zoals afgesproken, in de CC staan en dat zij alleen reageren indien dat noodzakelijk blijkt.
4.4.
Gelet op dit alles is de verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk. De GI merkt op dat het de verantwoordelijkheid van de ouders is om aan te geven als zij iets missen van de GI. De globale patronen, zoals geconstateerd door [hulpverlening] , kunnen worden doorgegeven aan de nieuwe zorgaanbieder. Dat geldt ook voor de doelen, de wijze van communicatie tussen de ouders en het zicht op [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De focus zal dus niet liggen op het herkennen van patronen, maar het verder aangaan van de therapie.

5.De standpunten van belanghebbenden

5.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij zich deels kan vinden in de verlenging van de ondertoezichtstelling maar niet voor de verzochte duur. Zij ziet dat er zorgen bestaan rondom de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat er geen enkele doelstelling is behaald. De moeder ziet in dat de vader en zij nog niet zijn waar ze zouden moeten zijn voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Sinds januari verloopt de communicatie tussen de vader en de moeder via WhatsApp in plaats van via de e-mail. Het contact is verbeterd, maar blijft wisselend. De moeder uit haar zorgen over het feit dat er geen concreet plan ligt. Zij is bang dat een nieuwe hulpverlener pas na de zomer kan starten en dat er daardoor een gat in de hulpverlening ontstaat. De GI zoekt naar PMT of speltherapie, terwijl dat eerder al geprobeerd is in te zetten. Dat is toen niet van de grond gekomen omdat er geen handtekening werd gegeven door de vader. Bij gebrek aan een concreet plan en duidelijkheid voor de kinderen verzoekt de moeder daarom de ondertoezichtstelling voor negen maanden toe te wijzen en voor het overige deel aan te houden zodat de kinderrechter zicht houdt op de zaak.
Verder is door en namens de moeder, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De stukken die zijn ingediend op 18 februari 2026 dienen ter illustratie van de communicatie tussen de vader en de moeder. De stukken zien op de zaak betreffende het gezag. Deze zaak is aangehouden in afwachting van de beslissing over de ondertoezichtstelling. Ook is het verslag van [hulpverlening] meegestuurd. In de beschikking van deze rechtbank van 25 februari 2025 staat dat de hulpverlening in het kader van het Uniform Hulpaanbod te licht zal zijn en dus niet afdoende is, gezien de problematiek die speelt. Er zijn patronen die doorbroken moeten worden. De GI had meer daadkracht moeten hebben en had steviger de regie moeten voeren. De GI geeft aan dat de vader gesprekken met [hulpverlening] heeft afgezegd en dat er geen huisbezoeken zijn geweest. Er is pas na maanden geconstateerd dat de inzet van [hulpverlening] niet afdoende is. Het traject loopt nog, terwijl al in november is opgemerkt dat het niet werkt.

6.De beoordeling

Wettelijk kader
6.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
6.3.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt. Er bestaan zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Deze zijn eigenlijk alleen maar groter geworden. Er is sprake van een loyaliteitsconflict, beide kinderen vertonen gedrag dat niet past bij hun leeftijd en er hebben zich onveilige situaties voorgedaan. Ondanks dat de communicatie tussen de ouders via WhatsApp wat beter verloopt, is er geen sprake van constructieve communicatie tussen de ouders. Dit komt ten nadele van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De ouders kunnen zich vinden in de verlenging van de ondertoezichtstelling.
6.4.
De moeder heeft verzocht de ondertoezichtstelling voor negen maanden toe te wijzen en het overige deel aan te houden zodat de kinderrechter zicht houdt op de ondertoezichtstelling. De kinderrechter constateert echter dat er nog veel moet gebeuren en dat het traject bij [hulpverlening] helaas niet het gewenste effect heeft gehad. Dit is onder meer gelegen in het feit dat de praktijk lang heeft geobserveerd en omdat de vader de hulpverleners afhield. De kinderrechter merkt op dat de vader, in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , in de toekomst de hulpverleners zal moeten toelaten en moet meewerken aan de hulpverlening. Het is goed dat er door de GI teruggekoppeld wordt aan [hulpverlening] dat het traject niet wenselijk verloopt en dat er wordt gezocht naar een andere zorgaanbieder die wel de diepte in kan gaan. Aan de andere kant betekent dit weer een wisseling van betrokken personen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het is begrijpelijk dat de moeder vragen heeft over het verloop van de hulpverlening en het is ook begrijpelijk dat de GI nog geen concreet plan kan geven op dit moment. De kinderrechter kan hier geen duidelijkheid over geven en benadrukt het belang dat de nieuwe hulpverlening aansluit op het traject bij [hulpverlening] , zodat er geen gat in de begeleiding ontstaat. Daarnaast is het belangrijk dat de ouders de zorgen erkennen zodat kan worden onderzocht welke hulp passend is. De kinderrechter verwacht dat de inzet van (nieuwe) hulpverlening veel tijd zal kosten en om die reden zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling met twaalf maanden verlengen en niet met de door de moeder verzochte negen maanden. De kinderrechter verwacht van de GI dat zodra er een concreet plan is voor de hulpverlening, dit plan zal worden gecommuniceerd met de moeder en de vader.
6.5.
In aanvulling op de reeds gestelde doelen, dient hieraan het volgende doel te worden toegevoegd:
- er wordt van de vader verwacht dat hij meewerkt aan de hulpverlening en dat hij afspraken niet zonder geldige reden afzegt, zodat kan worden onderzocht welke hulpverlening passend is in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Uitvoerbaar bij voorraad
6.6.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.7.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 25 februari 2026 tot 25 februari 2027;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 5 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.