ECLI:NL:RBZWB:2026:2110

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444949 / JE RK 26-246
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Bogaert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling ongeboren kind wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging en zorgelijke thuissituatie

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van het ongeboren kind voor de duur van een jaar, omdat het kind in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. De moeder is zwanger van een kind met een medische aandoening (dubbele aortaboog) en verkeert in een kwetsbare situatie zonder stabiele woonplek of netwerk. De moeder staat wel open voor hulpverlening, maar vindt moeilijk de weg naar de juiste ondersteuning en dreigt bij moeilijkheden het contact met hulpverlening te verbreken.

De kinderrechter heeft vastgesteld dat de vrijwillige hulpverlening onvoldoende zal zijn om de bedreiging weg te nemen. De moeder heeft geen vaste verblijfplaats en was eerder dakloos, wat de veiligheid van het kind na de geboorte ernstig bedreigt. Er is inmiddels een plek gevonden in een moeder-kindhuis waar de moeder en het kind na de geboorte kunnen verblijven.

De kinderrechter heeft het ongeboren kind als geboren beschouwd en de ondertoezichtstelling toegekend voor de periode van 5 maart 2026 tot 5 maart 2027. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt. De moeder was niet aanwezig bij de zitting vanwege ziekte, maar haar advocaat heeft haar standpunt namens haar naar voren gebracht. Zowel de moeder als de gecertificeerde instelling steunen het verzoek van de Raad.

De ondertoezichtstelling heeft als doelen het waarborgen van een stabiele en veilige opvoedingsomgeving, zicht op het welzijn van het kind, ondersteuning van de moeder bij opvoedingstaken, en het versterken van het netwerk van de moeder. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na de uitspraak.

Uitkomst: Het ongeboren kind wordt onder toezicht gesteld voor een jaar vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling en zorgelijke thuissituatie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444949 / JE RK 26-246
Datum uitspraak: 20 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[het ongeboren kind],
hierna te noemen ongeboren kind.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. P.H. Hillen uit Tilburg,
de gecertificeerde instelling
STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
locatie Eindhoven,
hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 februari 2026;
  • het op 17 februari 2026 ontvangen rapport van de Raad met bijlagen.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen. De advocaat heeft aangegeven dat de moeder vanwege de griep niet aanwezig kan zijn. Hij zal het standpunt van de moeder namens haar naar voren brengen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is zwanger. De verwachte geboortedatum is [datum] 2026.
2.2.
De vader van het thans nog ongeboren kind is onbekend.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 december 2025 het ongeboren kind voorlopig onder toezicht gesteld tot 5 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt ongeboren kind onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en daarnaast om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad legt aan het verzoek ten grondslag dat het ongeboren kind zodanig zal
opgroeien dat hij/zij in zijn/haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en dat de zorg
die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de nog
ongeboren minderjarige door zijn/haar ouder die het gezag gaat uitoefenen, niet
of onvoldoende wordt geaccepteerd, en dat het de verwachting gerechtvaardigd is dat de
ouder die het gezag uitoefent binnen een, gelet op de persoon en de ontwikkeling
van de nog ongeboren minderjarige, aanvaardbaar te achten termijn, in staat is om
de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen.
De Raad heeft ter toelichting van het verzoek daartoe naar voren gebracht dat er naast de medische zorgen voor het ongeboren kind (dubbele aortaboog), sprake is van een zorgelijke situatie. De moeder is een kwetsbare vrouw. Er is veel onduidelijkheid over de woonsituatie van de moeder. Er zijn dan ook zorgen over de veiligheid van het kind wanneer dit is geboren. Gezien wordt dat als het moeilijk wordt dat de moeder dan uit contact met de hulpverlening treedt. Dit is zorgelijk aangezien de moeder geen stabiele woonplek noch netwerk heeft. De moeder staat open voor hulpverlening en zij geeft aan graag te worden geholpen. Zij weet echter zelf de weg naar de hulpverlening niet goed te vinden. De Raad is van mening dat deze hulpverlening geborgd moet worden met een ondertoezichtstelling zodat voorkomen wordt dat de moeder zich hieraan zal onttrekken op het moment dat het moeilijk wordt.
4.2.
Namens de moeder is door haar advocaat naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in het verzoek van de Raad. Zij is het eens met dat wat de Raad in de stukken heeft vermeld.
4.3.
Van de kant van de GI is naar voren gebracht dat zij het eens is met het verzoek van de Raad en met de in de rapportage vermelde doelen. De jeugdbeschermer die betrokken is bij het andere kind van de moeder, [persoon] , zal ook in deze zaak aangewezen worden als jeugdbeschermer. Er is inmiddels een plek voor de moeder gevonden waar zij met haar kind kan verblijven na de bevalling. Zij kan naar het moeder-kindhuis ‘ [moeder-kindhuis] ’, in [plaats] . De moeder is hiervan op de hoogte.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste Pro lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een GI wanneer die minderjarig zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
5.2.
De kinderrechter kan een ongeboren kind als geboren beschouwen als dit in zijn belang is. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.3.
De ontwikkeling van het ongeboren kind wordt ernstig bedreigd omdat de omstandigheden waaronder het kind geboren zal worden, zeer kwetsbaar zijn. De moeder heeft geen vaste verblijfplaats en zij kan ieder moment bevallen. Zij was eerst dakloos en zwervende, zij heeft op veel verschillende adressen verbleven en over haar huidige verblijfplaats is veel onduidelijk. Er zijn dan ook grote zorgen over de veiligheid op het moment dat het kind is geboren. Hoewel de moeder open staat voor hulpverlening, lukt het haar toch niet om de weg te vinden naar de hulpverlening. Ook treedt de moeder uit contact met de hulpverlening op het moment dat de situatie moeilijk wordt. Hulpverlening binnen het vrijwillige kader zal naar verwachting dan ook onvoldoende zijn om de ernstige ontwikkelingsbedreiging weg te nemen voor het ongeboren kind. Daar komt bij dat er zorgen zijn vanwege een dubbele aortaboog bij het ongeboren kind waardoor medische zorg mogelijk nodig is na de geboorte. Vervolgens lijkt een plek voor de moeder met het kind in een moeder kind-huis aangewezen te zijn en de kinderrechter acht het in het belang van het kind dat zij samen in deze beschermde omgeving een goede start kunnen maken.
5.4.
Om de zorgen over het veilige opgroeien van het ongeboren kind weg te nemen, is het nodig om te werken aan de volgende doelen:
 Het kind groeit op in een stabiele, voorspelbare en veilige opvoedingsomgeving;
 Er is zicht op het emotionele en fysieke welzijn van het kind;
 De moeder gebruikt geen middelen en is fysiek en emotioneel beschikbaar om toe te komen aan de zorg- en opvoedingstaken voor het kind;
 Er is duidelijkheid over de rol van de vader in het leven van het kind;
 Er is zicht op de opvoedvaardigheden van de moeder;
 De moeder leert omgaan met spanningen en stress om de kans op overvraging in de toekomst te verminderen.
 Het netwerk van de moeder wordt in kaart gebracht en positief versterkt
5.5.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt ongeboren kind onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
beschouwt het ongeboren kind als geboren;
6.2.
stelt het ongeboren kind onder toezicht van de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 5 maart 2026 tot 5 maart 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026 door Mr. Bogaert, kinderrechter, in aanwezigheid van Boink als griffier, en op schrift gesteld op 13 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.