ECLI:NL:RBZWB:2026:2114

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
11909165 \ CV EXPL 25-3501
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • De Danschutter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:37 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering betaling zorgpremie wegens verjaring en niet gestuitte verjaring

Zilveren Kruis vordert betaling van openstaande zorgpremies van [gedaagde] over diverse maanden in 2016 en 2017. De verzekeraar stelt dat de verjaring van deze vorderingen is gestuit door het sturen van brieven en e-mails. [gedaagde] betwist ontvangst van deze aanmaningen en beroept zich op verjaring.

De rechtbank stelt vast dat de verjaringstermijn voor de premiebetalingen vijf jaar bedraagt en dat deze kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning die de schuldenaar bereikt. De enige relevante brief vóór het verjaringstijdstip dateert van 24 juli 2017, en de volgende van 18 maart 2021. Daarnaast zijn e-mails uit 2021 overgelegd.

De rechtbank oordeelt dat Zilveren Kruis onvoldoende heeft bewezen dat de brieven en e-mails daadwerkelijk door [gedaagde] zijn ontvangen. Er is geen bewijs van aangetekende verzending of ontvangstbevestiging, en het gebruikte e-mailadres is niet aantoonbaar van [gedaagde]. Hierdoor zijn de verjaringen niet gestuit en zijn de vorderingen verjaard.

Daarom wijst de rechtbank de vordering af en veroordeelt Zilveren Kruis in de proceskosten, die nihil worden vastgesteld aan de zijde van [gedaagde] die zonder gemachtigde procedeert.

Uitkomst: De vordering tot betaling van zorgpremies wordt afgewezen wegens verjaring omdat de verjaring niet rechtsgeldig is gestuit.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11909165 \ CV EXPL 25-3501
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
ZILVEREN KRUIS ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd in Leiden ,
eisende partij,
hierna te noemen: Zilveren Kruis ,
gemachtigde: LAVG B.V.,
tegen
[gedaagde],
wonend in [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek
- de akte van Zilveren Kruis .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil

2.1.
Zilveren Kruis vordert - samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de hoofdsom van € 370,30, vermeerderd met rente, incassokosten en proceskosten.
2.2.
Zilveren Kruis legt aan de vordering ten grondslag dat tussen partijen een zorgverzekeringsovereenkomst bestaat, op grond waarvan [gedaagde] maandelijks de premie moet betalen. [gedaagde] heeft de premie over de maanden februari, maart en april 2016 en mei 2017 niet betaald. De vorderingen zijn niet verjaard, omdat Zilveren Kruis de verjaring heeft gestuit. Er zijn meerdere brieven aan [gedaagde] gestuurd per post. Ook zijn sommaties verzonden aan het e-mailadres dat [gedaagde] aan Zilveren Kruis heeft opgegeven.
2.3.
[gedaagde] voert verweer en beroept zich op verjaring. De vordering is volgens hem niet gestuit. De brieven van Zilveren Kruis hebben hem niet bereikt, want hij zat in detentie in de PI in [plaats 2] en dat was ook zijn officieel geregistreerde adres. Ook vindt hij het niet proportioneel dat Zilveren Kruis na zoveel jaren nog betaling vordert.
2.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
Niet in geschil is dat [gedaagde] een zorgverzekering had bij Zilveren Kruis . Hij is daarom premie verschuldigd aan Zilveren Kruis . [gedaagde] heeft niet betwist dat hij premie verschuldigd was en dat hij niet alles heeft betaald, maar hij stelt dat de vordering van Zilveren Kruis is verjaard.
3.2.
Voor een vordering zoals die van Zilveren Kruis geldt een verjaringstermijn van vijf jaar vanaf het moment dat de vordering opeisbaar is geworden. Deze verjaringstermijn kan worden afgebroken (gestuit). De termijn gaat dan de dag erna opnieuw lopen. De nieuwe termijn is weer vijf jaar.
3.3.
De verjaringstermijn kan (onder meer) worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt.
3.4.
De vorderingen van Zilveren Kruis zijn, als zij niet rechtsgeldig zijn gestuit, verjaard in respectievelijk februari, maart, april 2021 en mei 2022. De vraag die de kantonrechter moet beantwoorden is dus of Zilveren Kruis voor die tijd de verjaring heeft gestuit, zodat een nieuwe termijn is gaan lopen.
3.5.
De kantonrechter stelt vast dat alleen de brief van 24 juli 2017 is gestuurd vóór februari 2021 en dus voor het moment waarop het nog mogelijk was om alle openstaande termijnen te stuiten. De volgende brief is van 18 maart 2021. Als de brief van 24 juli 2017 de vordering niet rechtsgeldig heeft gestuit, dan kan de brief van 18 maart 2021 alleen de vordering voor zover die betrekking heeft op de premie van april 2016 en mei 2017 stuiten. Na die datum geldt dat nadien gestuurde brieven allen van na mei 2022 zijn. De door Zilveren Kruis overgelegde e-mails zijn van 21 juni, 30 augustus en 28 december 2021 en kunnen derhalve alleen de vordering over mei 2017 stuiten.
3.6.
Een brief of e-mail kan alleen tot stuiting van de verjaringstermijn leiden als die brief en e-mail door [gedaagde] is ontvangen. [gedaagde] heeft de ontvangst ervan betwist. De kantonrechter moet daarom onderzoeken of [gedaagde] de brieven van 24 juli 2017 en/of 18 maart 2021 en de genoemde e-mails heeft ontvangen.
3.7.
Uit artikel 3:37 lid 3 BW Pro volgt dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Bij een schriftelijke verklaring is het uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als deze door hem is ontvangen. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad [1] moet de afzender (hier dus Zilveren Kruis ) stellen en zo nodig bewijzen dat de verklaring is verzonden, dat het adres een adres is “waarvan de afzender redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt” en dat de verklaring is aangekomen.
3.8.
De kantonrechter is van oordeel dat Zilveren Kruis onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat de brieven bij [gedaagde] zijn aangekomen. Zilveren Kruis heeft enkel gesteld dat zij brieven heeft verstuurd. Zij heeft niet gesteld dat de brieven zijn aangekomen. Niet gesteld is dat de brieven aangetekend zijn verzonden en Zilveren Kruis heeft ook anderszins geen ontvangstbewijs overgelegd. Daarmee staat niet vast dat [gedaagde] de brieven daadwerkelijk heeft ontvangen. Daarom oordeelt de kantonrechter dat de brieven van 24 juli 2017 en 18 maart 2021 de verjaring niet hebben gestuit.
3.9.
Hoewel [gedaagde] de ontvangst van de e-mails slechts in het algemeen heeft betwist, geldt ook hiervoor dat het aan Zilveren Kruis is om gemotiveerd te stellen dat de e-mails bij [gedaagde] zijn aangekomen. Zilveren Kruis heeft geen ontvangstbevestigingen overgelegd en ook geen informatie waaruit blijkt dat het gebruikte e-mailadres ook daadwerkelijk door [gedaagde] is opgegeven en aan hem toebehoort. Daarmee staat niet vast dat [gedaagde] de e-mails daadwerkelijk heeft ontvangen en daarmee hebben de e-mails de verjaring niet gestuit.
3.10.
Omdat Zilveren Kruis alleen een algemeen en niet gespecifieerde bewijsaanbod heeft gedaan en dit niet heeft gespecificeerd met betrekking tot de ontvangst van de brieven, gaat de kantonrechter hieraan voorbij.
3.11.
Het voorgaande betekent dat de vorderingen van Zilveren Kruis worden afgewezen.
3.12.
Zilveren Kruis is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden vastgesteld op nihil, omdat hij zonder gemachtigde procedeert.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
wijst de vorderingen van Zilveren Kruis af.
4.2.
veroordeelt Zilveren Kruis in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Danschutter en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.