Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2126

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
24/6194, 24/6195 en 25/2753
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 27h AWRArt. 28 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering aanslag inkomstenbelasting na betwisting herkomst contant geld

Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over 2018, waarbij contant geld van €374.065 was aangetroffen in zijn woning. De inspecteur rekende dit bedrag als belastbaar inkomen toe, terwijl belanghebbende stelde dat een deel toebehoorde aan zijn echtgenote en moeder en dat hij een schenking had ontvangen.

De rechtbank oordeelde dat de inspecteur onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het contante geld als belastbaar inkomen moest worden aangemerkt, mede omdat belanghebbende gemotiveerd betwistte en stukken overlegde, waaronder een aangifte schenkbelasting en getuigenverklaringen. De inspecteur had geen informatiebeschikking genomen en de bewijslast kon niet worden omgekeerd.

Het verzoek om een dwangsom wegens niet tijdig beslissen op bezwaren werd afgewezen omdat de ingebrekestelling niet voldeed aan de wettelijke eisen. De rechtbank verklaarde de beroepen gegrond, vernietigde de aanslagen Zvw, navorderingsaanslag en belastingrente, en beperkte de aanslag IB/PVV tot het door belanghebbende opgegeven belastbaar inkomen van €7.553.

Daarnaast werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende. De uitspraak is onherroepelijk tenzij binnen zes weken hoger beroep wordt ingesteld.

Uitkomst: De rechtbank vermindert de aanslag IB/PVV 2018 en vernietigt de aanslag Zvw 2018, navorderingsaanslag en belastingrente, wijst het verzoek om dwangsom af en veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/6194, 24/6195 en 25/2753
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 23 maart 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.B.M.A. Engelen),
en

de inspecteur van de Belastingdienst.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 11 juli 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 naar de volgende belastbare inkomens uit werk en woning (box 1) de volgende aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en naar het volgende bijdrage-inkomen een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd en daarbij de volgende belastingrentebeschikking vastgesteld:
Belastbaar inkomen box 1 / bijdrage-inkomen
Belastingrente
IB/PVV 2018
€ 64.403
Zvw 2018
€ 47.061
Navordering IB/PVV 2018
€ 394.907
€ 38.500
1.2.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.
1.4.
Partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
1.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 20 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, zijn gemachtigde, zijn financieel adviseur, [naam 1] en namens de inspecteur drs. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de (navorderings)aanslag(en) en beschikking belastingrente terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Tevens beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank zal de beroepen gegrond verklaren, het verzoek om een dwangsom afwijzen, de aanslag IB/PVV 2018 verminderen en de aanslag Zvw 2018, de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 en de beschikking belastingrente vernietigen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.

Feiten

3. In het onderhavige jaar was belanghebbende gehuwd met [echtgenote] .
3.1.
Op 26 september 2018 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van belanghebbende en zijn (toenmalige) echtgenote. Daarbij is een hennepdrogerij en € 374.065 in contanten aangetroffen. Verder zijn diverse facturen betreffende merkartikelen aangetroffen, die contant zijn betaald.
3.2.
Op 26 september 2018 is de (toenmalige) echtgenote van belanghebbende verhoord door de politie. In het proces-verbaal dat van dat verhoor is opgemaakt staat onder meer:
“Dit verhoor is afgenomen in de vraag/antwoord vorm.
V: vraag verbalisant
A: antwoord verdachte
(…)
V: Wat kunt u verklaren over de bij de doorzoeking van uw woning aangetroffen geldbedragen?
A: Nou ik heb zelf een schadevergoeding gehad wegens mijn aanrijding die ik ongeveer 6 jaar geleden heb gehad. Deze schadevergoeding bedraagt 40.000,- euro. (…)
V: Waar is dat geldbedrag nu?
A: Dat had ik hier thuis liggen. (…)
A: (…) Er zat ook geld bij dat ik van mijn vader gekregen heb. (…)
V: Hoeveel van uw vader?
A: Ook wel 14.000 tot 17.000 euro. (…)
V: Is er verder nog geld te vinden in uw woning?
A: (…) Dit is ook van mijn vader. Dit geldkistje lag bij mijn kleding in de kledingkast. Hier zat 3.000,- euro in ongeveer.
A: (…) Er lag ook geld van mijn schoonmoeder en haar vriend. Dit kunnen we middels rekeningafschriften aantonen.
(…)
V: Heeft u zelf ooit geld gewonnen? (…)
A: Ik heb een auto gewonnen (…) We hebben deze verkocht en dit geld heb ik weggelegd.
(…)
V: Hoe is de betaling gegaan?
A: De koper heeft deze hier thuis contant voldaan.
(…)
V: Voor hoeveel heeft u deze verkocht?
A: 9.950,- euro.
(…)
V: Hoeveel contant geld heeft u op dit moment?
A: Ik heb 80.000 tot 90.000 euro in totaal.”
3.3.
Op 26 september 2018 is belanghebbende verhoord door de politie. In het proces-verbaal dat daarvan is opgemaakt staat onder meer:
“V: Heeft u ooit een erfenis ontvangen?
A: Ik heb gisteren een brief ontvangen dat ik iets van mijn vader heb geërfd. Deze brief heb ik van de belastingdienst gekregen.
(…)
V: Heeft u ooit een groot geldbedrag als gift gekregen?
A: Ik beroep me op mijn zwijgrecht.”
3.4.
Op 27 september 2018 is belanghebbende nogmaals verhoord door de politie. In het proces-verbaal dat daarvan is opgemaakt staat onder meer:
“V: Heeft u een erfenis ontvangen?
A: Nee.
V: heeft u een schenking ontvangen?
A: Nee.”
3.5.
Op 28 september 2018 is belanghebbende voor de laatste keer verhoord door de politie. In het proces-verbaal dat daarvan is opgemaakt staat onder meer:
“V: Nog even terug naar de herkomst van het geld. Gisteren hebben we je een aantal vragen gesteld over de herkomst, of je dit via oa een schenking of erfenis of zo hebt gehad. Wil je iets over [echtgenote] verklaren? En zo ja heeft [echtgenote] ooit een schenking of erfenis gehad?
A: [echtgenote] heeft denk ik anderhalf jaar geleden een letseluitkering gehad. Ik denk dat dit ongeveer 40.000 a 50.000 euro was. (…)”
3.6.
Op 28 september 2018 is de moeder van belanghebbende verhoord door de politie. In het proces-verbaal dat daarvan is opgemaakt staat onder meer:
“V: Lag er geld van u in het huis van [belanghebbende] [belanghebbende]?
A: Ja, maar dat zullen jullie nu ook wel hebben.
(…)
V: Hoeveel geld was dat?
A: Ik denk 15.000 of 17.000. Ik weet het niet meer precies.”
3.7.
Tot het dossier behoort een afschrift van een vaststellingsovereenkomst tussen Achmea Schadeverzekeringen N.V. en [echtgenote] , welke is ondertekend in november 2015. Op grond van deze overeenkomst heeft [echtgenote] recht op een vergoeding van (letsel)schade tot een bedrag van € 33.500.
3.8.
Tot het dossier behoort een verklaring, die niet is gedateerd en ondertekend, van [naam 2] , een vriendin van [echtgenote] , waarin onder meer staat:
“Ik was op woensdag 21 febr ’18 bij [belanghebbende] [belanghebbende] en [echtgenote] thuis (…)
Na ongeveer ± 10 min ging de deurbel en stond [belanghebbende] zijn vader aan de deur met een grote tas (…) vervolgens gaf mr de tas met 2 dozen en een plastic tonnetje aan [belanghebbende] en zei dat het voor [belanghebbende] was en hij er zijn hele leven voor heeft gespaard. toen ik hun koffie bracht zag ik dat er geld in zat (…)
3.9.
Op 17 december 2019 heeft belanghebbende aangifte schenkbelasting gedaan van een op 28 februari 2018 ontvangen schenking van zijn vader van € 254.455.
3.10.
Bij vonnis van 26 januari 2023 is belanghebbende door de meervoudige strafkamer van rechtbank Oost-Brabant veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren voor onder meer het medeplegen van witwassen van een geldbedrag van € 312.565. In het vonnis is de teruggave gelast van € 60.450 aan mevrouw [echtgenote] .
3.11.
Op 13 mei 2024 heeft de gemachtigde van belanghebbende een e-mail aan de inspecteur gestuurd waarin onder meer staat:
“(…), verzoekt cliënt hierbij uitdrukkelijk alsnog en opnieuw een hoorzitting in te plannen indien zijn standpunten onverhoopt niet worden gevolgd. (…)
Vorenstaande laat overigens onverlet dat cliënt hierbij de hoop uitspreekt spoedig een uitspraak op bezwaar te ontvangen in opgemelde zaak. Met deze e-mail dring ik namens hem dan ook aan zo snel mogelijk een beslissing te nemen op het bezwaar met inachtneming van al het vorenstaande. Graag verneem ik aldus.”
3.12.
Bij tussenarrest van 9 december 2024 heeft de meervoudige strafkamer van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris om [naam 2] als getuige te horen en de advocaat-generaal opgeroepen ertoe te leiden dat nader onderzoek wordt verricht naar het vermogen van de vader van belanghebbende en van diens ouders.
3.13.
Op 2 april 2025 is [naam 2] gehoord door de raadsheer-commissaris van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch. In het proces-verbaal dat van dit verhoor is opgemaakt staat onder meer:
“Getuige: (…) Ik was daar om [echtgenote] op te halen om naar mij te gaan. (…) De deurbel ging. Ik heb toen opengedaan. Daar stond een redelijk lange man met grijs haar. Hij heeft zich voorgesteld als [naam 3] , de vader van [belanghebbende] . (…) De man is binnengekomen met een redelijk grote tas, een big shopper.
Getuige: (…) Toen zag ik iets met een plastic ton en schoenendoos in die tas. De tas was open aan de bovenkant. Ik zag heel veel geld daarin.
Raadsheer-commissaris: Was die ton open?
Getuige: Ja. De schoenendoos was ook open nu u mij dat zo vraagt. (…) Ik verschoot er een beetje van dat het zoveel was. (…) Ik ving op dat de vader van [belanghebbende] ziek was en hij zijn hele leven gespaard had en dat hij dit aan [belanghebbende] wilde schenken, omdat hij nooit echt een vader voor hem is geweest.”
3.14.
Tot het dossier behoort een proces-verbaal van bevindingen van 12 augustus 2025 van de Districtsrecherche Helmond, waarin onder meer staat:
“Bijlage 6: akte van verdeling en levering
(…)
Deelgenoot 2 [de oma van belanghebbende]
(…)
Verdeling: partijen zijn overeengekomen toe te delen en delen als volgt:
1.
Aan deelgenoot 2:
1/8 onverdeeld aandeel in het registergoed. De verdeling geschiedt voor deelgenoot 2 onder de verplichting om wegens de daardoor plaatshebbende overbedeling in geld uit te keren aan deelgenoot 1: € 22.689,01”
3.15.
Na daartoe te zijn uitgenodigd en aangemaand, heeft belanghebbende aangifte IB/PVV over het jaar 2018 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.553.
3.16.
Bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV 2018 en Zvw 2018 heeft de inspecteur een deel van het geld dat is aangetroffen in de woning van belanghebbende en zijn toenmalige echtgenote, te weten € 165.902, als resultaat uit overige werkzaamheden bijgeteld. Anderzijds heeft de inspecteur rekening gehouden met 9/21 deel van de schenking van € 254.455 die belanghebbende zou hebben ontvangen. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is als volgt berekend:
Aangegeven inkomen uit werk en woning
€ 7.553
Deel aangetroffen contant geld
+ € 165.902
Deel beweerdelijke schenking
-/- € 109.052
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€ 64.403
3.17.
Bij het opleggen van de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 heeft de inspecteur een vermogensvergelijking voor het jaar 2018 opgesteld, waarbij hij het gehele in 3.1 bedoelde bedrag van € 374.065 in aanmerking heeft genomen als inkomen uit onbekende bron verdiend in 2018. Er is niet langer rekening gehouden met de schenking die belanghebbende zou hebben ontvangen.

Beoordeling

Heeft belanghebbende recht op een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaren?
4. Tussen partijen is in geschil of de in 3.11 bedoelde e-mail kan worden aangemerkt als een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.1.
De rechtbank overweegt dat voor een ingebrekestelling de eis geldt dat uit een geschrift duidelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Daarvoor is vereist dat het geschrift voldoende duidelijk maakt (i) op welke aanvraag het betrekking heeft, (ii) dat de belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag heeft beslist, en (iii) dat de belanghebbende erop aandringt dat een zodanige beslissing alsnog wordt genomen. [1]
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het in 3.11 bedoelde e-mailbericht niet als een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb worden aangemerkt. Uit het e-mailbericht blijkt niet dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat de inspecteur niet tijdig op zijn bezwaren heeft beslist. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het e-mailbericht is opgesteld door een professioneel gemachtigde.
4.3.
Nu de inspecteur niet in gebreke is gesteld, heeft belanghebbende geen recht op een dwangsom.
Zijn de (navorderings)aanslagen en de beschikking belastingrente terecht en niet tot te hoge bedragen vastgesteld?
4.4.
Om redenen van proceseconomie zal de rechtbank eerst de vraag beantwoorden of de vereiste aangifte al dan niet is gedaan en dus de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard.
4.5.
De inspecteur stelt dat belanghebbende niet de vereiste aangiften IB/PVV en Zvw over 2018 heeft gedaan omdat belanghebbende tot een aanzienlijk te laag bedrag aangifte heeft gedaan.
4.6.
De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur voor het jaar 2018 geen informatiebeschikking heeft genomen. Omkering en verzwaring van de bewijslast is dan alleen aan de orde als de inspecteur aannemelijk maakt dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan, waardoor (aanzienlijk) te weinig belasting is geheven. Ter onderbouwing van zijn stelling dat de vereiste aangifte niet is gedaan zal de inspecteur aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast de feiten en omstandigheden aannemelijk moeten maken waaruit dit volgt. [2]
4.7.
De inspecteur wijst erop dat tijdens een doorzoeking van het huis van belanghebbende en zijn toenmalige echtgenote een bedrag van € 374.065 in contanten is aangetroffen. De inspecteur gaat ervan uit dat belanghebbende dit geld in het jaar 2018 als belastbare inkomsten heeft genoten. De inspecteur hecht geen geloof aan de in 3.9 bedoelde schenking omdat:
  • belanghebbende tijdens het in 3.4 bedoelde verhoor heeft verklaard nooit een schenking te hebben ontvangen,
  • de vader van belanghebbende per 1 januari 2018 een vermogen heeft aangegeven van circa € 25.000, zodat hij dat jaar geen schenking van € 254.455 kan hebben gedaan;
  • de in 3.8 bedoelde verklaring niet is gedagtekend en niet tijdens de in 3.10 bedoelde strafzaak is ingebracht.
4.8.
De stellingen van de inspecteur zijn door belanghebbende gemotiveerd betwist. Belanghebbende stelt dat een deel van het in de woning aangetroffen bedrag in contanten toebehoorde aan mevrouw [echtgenote] (zie 3.2, 3.5, 3.7 en 3.10) en een deel aan zijn moeder (zie 3.6). Verder stelt belanghebbende dat de in 3.9 bedoelde schenking wél heeft plaatsgevonden, waarbij hij wijst op:
  • de door hem ingediende aangifte schenkbelasting (zie 3.9);
  • de door hem afgelegde getuigenverklaring bij de politie (zie 3.3);
  • de in 3.8 bedoelde verklaring van [naam 2] , welke mevrouw [naam 2] bij de raadsheer-commissaris heeft bevestigd (zie 3.13);
  • de heropening van het onderzoek door Gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor nader onderzoek naar het vermogen van de vader van belanghebbende en diens ouders (zie 3.12);
  • de omstandigheid dat uit onderzoek van de recherche is gebleken dat de oma van belanghebbende, na een overlijden op 1 mei 1996, een erfenis heeft ontvangen (zie 3.14) en dat het geërfde bedrag sindsdien zal zijn aangegroeid.
4.9.
De rechtbank overweegt dat de inspecteur, gelet op de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende het geldbedrag in contanten dat tijdens de doorzoeking van het huis van belanghebbende en zijn toenmalige echtgenote is aangetroffen in 2018 als belastbare inkomsten heeft genoten. Immers, het had op de weg van de inspecteur gelegen om nader onderzoek te doen nu belanghebbende met diverse stukken de stelling van de inspecteur heeft betwist. De enkele reactie van de inspecteur dat hij simpelweg geen geloof hecht aan de stellingen van belanghebbende is dan ook onvoldoende. De bewijslast dient dan ook niet te worden omgekeerd en verzwaard. Nu de inspecteur de gestelde door belanghebbende in 2018 genoten belastbare inkomsten niet aannemelijk heeft gemaakt, zal de rechtbank de aanslag IB/PVV 2018 conform de aangifte verminderen en de aanslag Zvw 2018, de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 en de beschikking belastingrente vernietigen.
4.10.
Nu de beroepen gegrond zijn en zal worden beslist zoals weergegeven in 4.9, behoeven de overige door belanghebbende aangevoerde gronden geen behandeling.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat de inspecteur de door belanghebbende betaalde bedragen aan griffierecht, van € 51 en € 53, in totaal derhalve € 104, aan belanghebbende moet vergoeden.
5.1.
Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.
5.2.
Belanghebbende heeft verzocht om een integrale proceskostenvergoeding omdat hij, door het ontbreken van een heroverweging in bezwaar, in beroep zou zijn gedrongen. Naar het oordeel van de rechtbank berusten de uitspraken op bezwaar op een deugdelijke motivering. De uitspraken op bezwaar geven voldoende inzicht in de argumenten die de inspecteur hebben gebracht tot het ongegrond verklaren van de bezwaren. De rechtbank ziet ook in de overige door belanghebbende aangevoerde gronden geen reden voor een integrale proceskostenvergoeding. De vergoeding is dan ook met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend.
5.3.
Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666 en in beroep van € 934. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van samenhang tussen de zaken. De zaken zijn immers (nagenoeg) gelijktijdig door de inspecteur en door de rechtbank behandeld en de werkzaamheden van de gemachtigde van belanghebbende konden in elk van de zaken (nagenoeg) identiek zijn. Nu sprake is van drie samenhangende zaken, waarin het beroep gegrond is, zal een factor van 1 worden toegepast. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend (1 punt), heeft het hoorgesprek bijgewoond (1 punt), heeft een beroepschrift ingediend (1 punt) en heeft de zitting bijgewoond (1 punt). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • wijst het verzoek om toekenning van een dwangsom af;
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar;
  • vermindert de aanslag IB/PVV 2018 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.553;
  • vernietigt de aanslag Zvw 2018, de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 en de beschikking belastingrente;
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van in totaal € 104 aan belanghebbende moet vergoeden;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan op 23 maart 2026 door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [3]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1124, r.o. 4.4.
2.Hoge Raad 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:767, r.o. 4.2.3.
3.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de AWR.