Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2127

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
C/02/445214 / KG ZA 26-85
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Römers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 6:262 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing executie vaststellingsovereenkomst wegens niet-nagekomen liftafmetingen

Partijen sloten een vaststellingsovereenkomst waarbij eiser een bedrag in twee termijnen aan gedaagden zou betalen, gekoppeld aan de afronding van werkzaamheden aan een lift. De eerste termijn is voldaan, maar over de tweede termijn ontstond discussie vanwege de afmetingen van de geplaatste lift.

Eiser stelt dat de lift niet voldoet aan de binnenwerkse afmetingen zoals overeengekomen, waardoor de tweede termijn niet opeisbaar is. Gedaagden betwist dit en stelt dat de lift exact voldoet aan de buitenwerkse afmetingen zoals afgesproken.

De rechtbank oordeelt dat de afspraken moeten worden uitgelegd als binnenwerkse afmetingen, waarbij gedaagden tekort is geschoten. Hierdoor is de tweede termijn niet opeisbaar en is executie van het proces-verbaal misbruik van bevoegdheid. De executie wordt geschorst en verdere executiemaatregelen verboden totdat in een bodemprocedure definitief is beslist.

Uitkomst: De rechtbank schorst de executie van het proces-verbaal en verbiedt verdere executiemaatregelen totdat in een bodemprocedure definitief is beslist over de opeisbaarheid van de tweede termijn.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/445214 / KG ZA 26-85
Vonnis in kort geding van 18 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M. de Jong,
tegen

1.[gedaagde 1] V.O.F.,

te [plaats] ,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats] ,
3.
[gedaagde 3],
te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat mr. H.S. Memelink.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 maart 2026, met producties genummerd 1 tot en met 14,
- de conclusie van antwoord met productie 1 en 2,
- de aanvullende producties genummerd 15 tot en met 20 van de zijde van [eiser] ,
- de mondelinge behandeling van 12 maart 2026
- de spreekaantekeningen van [eiser]
- de pleitnotities van [gedaagden] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 17 september 2024 heeft de zogenoemde ‘mondelinge behandeling na aanbrengen’ plaatsgevonden van een geschil tussen partijen in hoger beroep bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Volgens het als grosse uitgegeven proces-verbaal van de mondelinge behandeling hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten. Zij hebben onder meer de volgende afspraken gemaakt:
“Partij [eiser] zal aan partij [gedaagden] een bedrag betalen van € 56.150,-(zesenvijftigduizend honderdvijftig euro). De helft van dit bedrag zal worden betaald binnen 14 dagen na afronding van de werkzaamheden in verband met de lift. De andere helft zal worden betaald binnen 14 dagen na afronding van de werkzaamheden in de kelder.
Partij [gedaagden] zal de volgende werkzaamheden verrichten:
1. plaatsing van een lift met de afmetingen van 1,40 x 2,10 meter uiterlijk 31 januari 2025 (…)”
2.2.
[eiser] heeft de eerste termijn van € 28.075,00 volledig en tijdig voldaan.
2.3.
Over de plaatsing van de lift en de afmetingen waaraan deze zou moeten voldoen is tussen partijen discussie ontstaan en is correspondentie gevoerd.
2.4.
[gedaagden] heeft de grosse van het proces-verbaal op 10 februari 2026 laten betekenen en executiemaatregelen aangezegd ter incasso van de tweede termijn.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, bij voorlopige voorziening, uitvoerbaar bij voorraad en voor zover de wet zulks toelaat:
I. de executie van het proces-verbaal van schikking schorst totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist over de opeisbaarheid van de tweede termijn;
II. [gedaagden] verbiedt verdere executiemaatregelen te treffen ter zake van de tweede termijn, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag;
III. [gedaagden] veroordeelt in de kosten van de procedure, een tegemoetkoming in de door [eiser] gemaakte kosten van juridische bijstand daaronder begrepen, alsmede de nakosten indien niet binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak zijn voldaan.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. In de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat de tweede termijn verschuldigd is “na afronding van de werkzaamheden in verband met de lift”. [eiser] stelt zich op het standpunt dat dit redelijkerwijs niet anders kan worden begrepen dan dat sprake moet zijn van deugdelijk en conform afspraak uitgevoerde werkzaamheden. Omdat een kleinere lift is geplaatst dan overeengekomen, is er geen sprake van afronding van de overeengekomen werkzaamheden en is aan de voorwaarde voor de opeisbaarheid van de tweede termijn niet voldaan. Een niet-opeisbare vordering kan niet worden geëxecuteerd.
Subsidiair voert [eiser] het volgende aan. Als de tweede termijn formeel toch opeisbaar is, is zij op grond van artikel 6:262 BW Pro bevoegd is haar betalingsverplichting op te schorten. [gedaagden] schiet tekort in de nakoming van haar verplichtingen, namelijk het plaatsen van een lift met de overeengekomen afmeting.
Onder deze omstandigheden is tenuitvoerlegging van het proces-verbaal naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Er is sprake van misbruik van recht in de zin van artikel 3:13 BW Pro.
3.3.
[gedaagden] voert verweer en betwist dat de lift niet de juiste afmetingen heeft. [gedaagden] heeft op 1 oktober 2024 de opdracht tot het plaatsen van de lift gegeven aan Aesy Liften. In de offerte is duidelijk opgenomen dat de uitwendige afmeting 1400 x 2100 mm bedraagt en de vloer-schachtsparing 1430x2080 mm bedraagt. [gedaagden] heeft de lift zelf opgemeten en heeft geconstateerd dat de lift qua buitenmaten 1,40 x 2,10 meter is. De lift voldoet daarmee exact aan hetgeen volgens het proces-verbaal is overeengekomen. Omdat de werkzaamheden correct zijn uitgevoerd is de vordering tot betaling van de tweede termijn opeisbaar. Omdat [eiser] betaling weigert heeft [gedaagden] het recht om het proces-verbaal ten uitvoer te leggen. [gedaagden] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering en is door [gedaagden] ook niet weersproken.
4.2.
Voorop moet worden gesteld dat in een kort geding slechts een voorlopig oordeel wordt gegeven over de rechtsverhouding tussen partijen aan de hand van de toepasselijke materiële rechtsregels, en na een afweging van de wederzijdse belangen. Het voorlopige oordeel is gebaseerd op de ten tijde van de behandeling van het kort geding bekende feiten en omstandigheden. Voor nadere bewijslevering en onderzoek zoals in een bodemprocedure is in kort geding geen plaats. Bepalend is dus of feiten die van belang zijn voor de toewijsbaarheid van de vordering voldoende aannemelijk zijn geworden op grond van hetgeen partijen in deze kort gedingprocedure over en weer naar voren hebben gebracht.
4.3.
Kern van het geschil is, dat partijen de afspraken die zij over de afmetingen van de lift hebben gemaakt verschillend uitleggen. [eiser] is uitgegaan van binnenwerkse maten, [gedaagden] van buitenwerkse maten.
4.4.
De vraag is welke uitleg de juiste is. Het is vaste rechtspraak dat daarvoor niet alleen moet worden gekeken naar de tekst van de overeenkomst. Het is ook belangrijk wat partijen verder nog gezegd en gedaan hebben, en wat zij op grond daarvan van elkaar mochten verwachten. Hierbij speelt ook een rol om wat voor partijen het gaat. De ene partij heeft bijvoorbeeld veel ervaring met het sluiten van bepaalde overeenkomsten, de andere doet dat bijna nooit. Dat alles moet bij de uitleg van een overeenkomst worden betrokken. Bovendien is niet alleen het gedrag rondom het sluiten van de overeenkomst van belang. Ook wat partijen na het sluiten van de overeenkomst gedaan hebben, kan een rol spelen bij het bepalen wat partijen zijn overeengekomen.
4.5.
Partijen hebben tijdens het sluiten van de overeenkomst bij het gerechtshof niet gesproken over binnenwerkse of buitenwerkse afmetingen van de lift. Het plaatsen van de lift is onderdeel van een groter bouwwerk. [eiser] heeft hiervoor een architect ingeschakeld. Deze architect heeft op 1 december 2020 aan [gedaagden] geschreven, dat hij heeft begrepen dat [gedaagden] met [eiser] een binnenwerkse maatvoering van de lift van 1400 x 2100 mm heeft afgesproken. Hij gaat er vanuit, dat [gedaagden] en [eiser] dit zo zijn overeengekomen. Dit staat ook in tekeningen (producties 17 en 18) die de architect aan [gedaagden] heeft gegeven. De afmetingen staan hier genoteerd bij de binnenste lijnen van de lift en niet bij de buitenste lijnen. Bovendien heeft [gedaagden] rond 6 oktober 2022 bij Viking Liften een offerte opgevraagd, en in die offerte staat een platformafmeting van 1400 x 2000 mm. Dat is niet exact 1400 x 2100 mm, maar komt daar wel veel dichter bij in de buurt dan een buitenwerkse afmeting van 1400 x 2100 mm. Uit niets blijkt dat [gedaagden] , al dan niet via de architect, met [eiser] een buitenwerkse afmeting van de lift heeft afgesproken. [eiser] mocht er dan ook van uitgaan, dat [gedaagden] net als zij heeft bedoeld een binnenwerkse afmeting van de lift af te spreken.
Als [gedaagden] een buitenwerkse maat had willen afspreken, had hij dat onder deze omstandigheden duidelijk kenbaar moeten maken aan [eiser] . Dat heeft hij niet gedaan.
De omstandigheden na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst wijzen er evenmin op dat [eiser] akkoord is gegaan met buitenwerkse in plaats van binnenwerkse afmetingen van de lift. [gedaagden] heeft na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst bij Aesy Liften een lift besteld met een uitwendige afmeting van 1400 x 2100 mm. Hij heeft dit niet kenbaar gemaakt aan [eiser] , zodat [eiser] ook geen gedraging heeft verricht waaruit blijkt dat zij akkoord is gegaan met de door [gedaagden] bestelde uitwendige afmetingen van de lift. Er was niets waarop zij kon reageren tot het moment dat de werkzaamheden waren afgerond.
De conclusie is dat de afspraken zo moeten worden uitgelegd, dat [gedaagden] een lift met binnenwerkse afmetingen van 1,40 x 2,10 m zou aanbrengen.
4.6.
Het is duidelijk dat [gedaagden] hieraan niet heeft voldaan. Dit betekent dat [gedaagden] de vaststellingsovereenkomst niet is nagekomen. [eiser] hoeft volgens de afspraken pas te betalen als [gedaagden] de afspraak over de lift is nagekomen. Dat is niet het geval, en daaruit volgt dat de vordering van [gedaagden] – dit is betaling van de tweede termijn door [eiser] – niet opeisbaar is. De tenuitvoerlegging van het proces-verbaal levert in deze situatie misbruik van bevoegdheid op in de zin van artikel 3:13 BW Pro, omdat dit de niet-opeisbaarheid van de vordering van [gedaagden] doorkruist. Want [gedaagden] dwingt bij [eiser] betaling af hoewel hij zelf niet de afgesproken prestatie heeft geleverd. De belangen van [eiser] worden hierdoor op onevenredige wijze geschaad, zodat [gedaagden] in redelijkheid niet tot executie heeft kunnen overgaan.
4.7.
De voorzieningenrechter zal daarom de gevorderde schorsing van de executie van het proces-verbaal toewijzen. Ook zal [gedaagden] worden verboden verdere executiemaatregelen te treffen. De gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd.
4.8.
[gedaagden] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
151,94
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.858,94

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
schorst de tenuitvoerlegging van het proces-verbaal van 17 september 2024 totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist over de opeisbaarheid van de tweede termijn;
5.2.
verbiedt [gedaagden] verdere executiemaatregelen te treffen ter zake van de tweede termijn;
5.3.
veroordeelt [gedaagden] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan het verbod van 5.2 voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;
5.4.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 1.858,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Römers en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.