ECLI:NL:RBZWB:2026:2128

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
11728866 \ CV EXPL 25-1950 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van Spronssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsovereenkomst en verrekening minderwerk bij levering en montage kozijnen

Partijen sloten op 17 februari 2023 een overeenkomst voor levering en montage van 19 kunststof kozijnen tegen een totaalprijs van €57.762,00 inclusief btw. De gedaagde betaalde de laatste factuur van 6 november 2023 niet volledig en betwistte de hoogte van het openstaande bedrag en de verrekening van minderwerk.

De eiser vordert betaling van €5.310,68, bestaande uit hoofdsom, wettelijke rente en incassokosten, terwijl de gedaagde een hogere verrekening van minderwerk en afwijzing van rente en incassokosten betoogt. De kantonrechter stelt vast dat het openstaande bedrag €5.776,20 bedraagt, verminderd met gecrediteerde posten, en bepaalt het minderwerk op €1.482,25 inclusief btw.

Hierdoor is de gedaagde nog €3.523,45 verschuldigd. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 15 juni 2024, maar de incassokosten worden afgewezen omdat geen aanmaning conform wettelijke eisen is verstuurd. De tegenvordering van de gedaagde wordt afgewezen en hij wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag en proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €3.523,45 inclusief btw en wettelijke rente vanaf 15 juni 2024, incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11728866 \ CV EXPL 25-1950
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
[bedrijf],
gevestigd te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [bedrijf] ,
gemachtigde: mr. J.V. Blokland,
tegen
[persoon],
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [persoon] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 26 mei 2025, met producties 1 t/m 9,
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met producties 1 t/m 4,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 26 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op 17 februari 2023 overeengekomen dat [bedrijf] 19 kunststof kozijnen zou leveren en plaatsen in de woning van [persoon] . Partijen zijn hiervoor een totaalprijs van € 57.762,00 incl. btw overeengekomen.
2.2.
[persoon] heeft de laatste factuur van 6 november 2023 met [factuurnummer] niet geheel betaald, ondanks herhaalde aanmaning. Ook heeft [persoon] niet betaald voor een aanvullende dorpel van € 233,00.

3.Het geschil

in conventie en in reconventie
3.1.
[bedrijf] vordert - samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [persoon] tot betaling van € 5.310,68 (bestaande uit € 4.430,68 aan hoofdsom, € 311,93 aan wettelijke rente tot en met 16 mei 2025 en € 568,07 aan buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met wettelijke rente over € 4.430,68 vanaf 17 mei 2025, met veroordeling van [persoon] in de proceskosten.
3.2.
[bedrijf] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [persoon] moet de op hem rustende financiële verplichtingen nakomen. Voor het niet-uitgevoerde minderwerk aan negen kozijnen heeft [bedrijf] een bedrag van € 808,20 incl. btw in mindering gebracht op het openstaande deel van de factuur van € 5.776,20. Daarnaast heeft [bedrijf] een viertal andere posten van in totaal € 770,50 gecrediteerd (de dorpel van € 233,00, deurstoppers van € 50,00, lampen van € 427,50 en gevelstenen van € 60,00).
3.3.
[persoon] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [bedrijf] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [bedrijf] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[persoon] voert het volgende aan. De berekende creditering voor het minderwerk van [bedrijf] is niet redelijk. [persoon] heeft een offerte opgevraagd voor het afwerken van elf kozijnen, welke € 6.648,95 incl. btw bedraagt. [persoon] betwist de verschuldigdheid van rente en incassokosten, omdat hij de vordering van [bedrijf] op goede gronden heeft betwist. Na verrekening van de vorderingen over en weer is [bedrijf] € 677,28 aan [persoon] verschuldigd, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van indienen van het verweer en met veroordeling van [bedrijf] in de proceskosten
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze gezamenlijk worden beoordeeld.
4.2.
De door [persoon] op 7 januari 2026 per e-mail ingediende producties zullen buiten beschouwing worden gelaten. Deze hebben klaarblijkelijk geen betrekking op zijn eerder ingediende tegenvordering.
4.3.
De door mr. Blokland ingediende conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie zal buiten beschouwing worden gelaten. Aangezien al een mondelinge behandeling was bepaald, was er geen gelegenheid voor [bedrijf] om een conclusie van repliek in conventie te nemen. [bedrijf] is niet onredelijk in haar belangen geschaad door het buiten beschouwing laten van de conclusie van antwoord in reconventie, aangezien zij haar standpunt met betrekking tot de reconventionele vordering al bij dagvaarding naar voren heeft gebracht en deze tijdens de mondelinge behandeling nader heeft kunnen toelichten.
4.4.
Partijen zijn het erover eens dat [persoon] een deel van de laatste factuur onbetaald heeft gelaten en dat [bedrijf] niet alle werken heeft uitgevoerd zoals deze waren geoffreerd. Zij verschillen alleen van mening over de hoogte van het openstaande bedrag en welke besparingen dit met zich heeft meegebracht.
4.5.
[persoon] gaat uit van een openstaande bedrag van de factuur van € 5.959,20, zoals genoemd in de e-mail van 7 maart 2025. Dit betreft echter een e-mail van hemzelf. Zonder een nadere onderbouwing van dat bedrag, zoals betaalbewijzen, ziet de kantonrechter geen redenen om aan de juistheid van het openstaande bedrag zoals door [bedrijf] aangevoerd te twijfelen. Daarom zal worden uitgegaan van een openstaand bedrag van de factuur van € 5.776,20. Rekening houdende met de creditering van de dorpel, de deurstoppers, de lampen en de gevelstenen gaat de kantonrechter uit van een totaal openstaand bedrag van € 5.005,70. In dit bedrag is nog geen rekening gehouden met een vermindering voor het minderwerk.
4.6.
Met betrekking tot het minderwerk, overweegt de kantonrechter als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak heeft [bedrijf] erkend dat de berekening van het minderwerk aan de lage kant was. [persoon] heeft een offerte overgelegd, waarin het minderwerk is begroot op € 6.648,95. Ter zitting heeft [bedrijf] onweersproken aangevoerd dat het minderwerk ongeveer één uur aan werk per kozijn zou kosten. Daar staat tegenover dat [bedrijf] de in de offerte genoemde stelposten en het uurtarief, afgezien van het aantal uren, niet heeft weersproken. Deze stelposten bedragen € 615,00 excl. btw. Uitgaande van een uurtarief van € 61,00 excl. btw zoals genoemd in de offerte en het afwerken van tien kozijnen (de kantonrechter gaat hierbij uit van het gemiddelde van waar partijen van uitgaan), komt dit neer op € 610,00 excl. btw aan arbeid. Gelet op het voornoemde wordt de totale prijs van het minderwerk door de kantonrechter vastgesteld op € 1.225,00 excl. btw oftewel € 1.482,25 incl. btw.
4.7.
Dit houdt in dat [persoon] aan [bedrijf] in totaal nog een bedrag van € 3.523,45 is verschuldigd voor hetgeen [bedrijf] wél heeft geleverd en heeft uitgevoerd. Dat houdt ook in dat de tegenvordering van [persoon] wordt afgewezen.
4.8.
[bedrijf] maakt aanspraak op vergoeding van wettelijke rente. Uit de stukken blijkt niet dat [persoon] eerder dan met de e-mail van 7 juni 2024 is aangemaand, waarbij tevens is rekening gehouden met het minderwerk. Uitgaande van de betalingstermijn die in deze e-mail is genoemd, is [persoon] in verzuim komen te verkeren met betalen vanaf 15 juni 2024. De wettelijke rente over de hoofdsom zal daarom vanaf deze datum worden toegewezen.
4.9.
[bedrijf] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat [persoon] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Er is namelijk niet gebleken dat aan [persoon] een aanmaning is verstuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
4.10.
[persoon] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [bedrijf] worden vastgesteld op:
- kosten van de dagvaarding
120,78
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.383,78

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie en in reconventie
5.1.
veroordeelt [persoon] om aan [bedrijf] te betalen een bedrag van € 3.523,45 incl. btw, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 15 juni 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [persoon] in de proceskosten, aan de zijde van [bedrijf] vastgesteld op € 1.383,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [persoon] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Spronssen en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.