Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2152

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
24/4994
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27h, derde lid, Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 28, zevende lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling winstuitdeling en vermogensverschuiving bij vastgoedparticipatie in commanditaire vennootschap

Belanghebbende, woonachtig in Zwitserland, voerde beroep tegen een aanslag inkomstenbelasting 2018 en belastingrente. De inspecteur had een aanslag opgelegd met een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 2.561.773, gebaseerd op een vermeende winstuitdeling door vermogensverschuiving van een BV naar een commanditaire vennootschap (CV).

De rechtbank stelde vast dat de economische eigendom van een kantorencomplex pas op 30 november 2018 aan de CV was overgedragen, terwijl de waarde van het vastgoed toen hoger was dan de inbrengwaarde. Dit leidde tot een vermogensverschuiving waarbij belanghebbende werd bevoordeeld en de BV verarmd. Zowel de BV als belanghebbende waren zich bewust van deze bevoordelingsbedoeling.

De rechtbank verwierp het verweer van belanghebbende dat geen winstuitdeling had plaatsgevonden en bevestigde de aanslag. Daarnaast kende de rechtbank een vergoeding toe voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van bezwaar en beroep, en vergoedde proceskosten. De uitspraak is onherroepelijk tenzij binnen zes weken hoger beroep wordt ingesteld.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de aanslag inkomstenbelasting, maar kent een vergoeding toe voor immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/4994

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 19 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats 1] (Zwitserland), belanghebbende,

(gemachtigden: mr. E.E.H.H. Rutten en mr. C.J.H. Coelen),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 7 mei 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.000, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 2.561.773 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 201.789 (de aanslag). Bij gelijktijdige beschikking heeft de inspecteur € 48.976 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag en de beschikking belastingrente bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, de gemachtigden van belanghebbende, tot bijstand vergezeld van de advocaat mr. N. Kolste. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] deelgenomen.
1.4.
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslag en de belastingrentebeschikking naar de juiste bedragen heeft vastgesteld. In het bijzonder is in geschil of belanghebbende een voordeel uit aanmerkelijk belang heeft genoten door de verwerving van de economische eigendom van onroerend goed. Niet in geschil is de aangebrachte correctie van het gebruikelijk loon. Ook beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en op vergoeding van de proceskosten.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de aanslag en de belastingrentebeschikking naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. Wel heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en op vergoeding van de proceskosten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.

Feiten

3. Belanghebbende is in het onderhavige jaar inwoner van Zwitserland. Belanghebbende heeft samen met mevrouw [naam 1] drie kinderen. Belanghebbende en [naam 1] zijn niet gehuwd of als partner geregistreerd.
3.1.
Belanghebbende is door middel van zijn ondernemingen actief in de ontwikkeling van vastgoed en richt zich met name op de (her)ontwikkeling van bestaande kantoorpanden. Belanghebbendes activiteiten vinden zowel in Nederland als daarbuiten plaats.
3.2.
Belanghebbende houdt alle certificaten van aandelen van [stichting] (de STAK ). De STAK houdt alle aandelen in [holding] (Holding). Holding houdt alle aandelen in [b.v. 1] ( [b.v. 1] ). [b.v. 1] stond voorheen bekend als [b.v. 2] [naam 1] en de heer [naam 2] zijn de bestuurders van zowel de STAK als [b.v. 1] . Belanghebbende is enig bestuurder van Holding.
3.3.
Bij notariële akte is op 31 mei 2018 de economische en juridische eigendom van het kantorencomplex aan en nabij de [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] te [plaats 2] (het complex) aan [b.v. 1] geleverd. De koopprijs van het complex bedroeg € 5.000.000. Het complex heeft een totale gebruiksoppervlakte van 10.800 m2 en bestaat uit twee panden op twee verschillende percelen (kadastraal bekend [gemeente] , [sectie] , nummers [nummer 1] en [nummer 2] ) die middels een atrium zijn verbonden. Op perceel [sectie] [nummer 1] (5.944 m2) staat het object dat onder meer wordt aangeduid als Pand 1/Toren Zuid. Op perceel [sectie] [nummer 2] (4.856 m2) staan het atrium en het pand die onder meer worden aangeduid als Pand 2/Toren Noord. In de notariële akte (de leveringsakte) is onder meer het volgende opgenomen:
“Op tweeëntwintig mei tweeduizend achttien is door [BVBA] en op tweeëntwintig mei tweeduizend achttien is door Verkoper een koopovereenkomst (de ‘Koopovereenkomst’) getekend met betrekking tot een aantal registergoederen. In de Koopovereenkomst is een zogenaamde ‘nader te noemen meester’ clausule opgenomen op grond waarvan [BVBA] vervolgens Koper heeft aangewezen als koper voor de hierna nader omschreven registergoederen.”
3.4.
In het dossier bevindt zich een overeenkomst van geldlening tussen Holding en [b.v. 1] . Uit hoofde van deze overeenkomst verstrekt Holding een lening van
€ 6.000.000 aan [b.v. 1] . Holding heeft deze lening extern gefinancierd, waarbij de externe verstrekker van de lening onder meer een recht van hypotheek ter zake van het complex heeft verworven (de hypotheeknemer).
3.5.
In een e-mailbericht van 14 juni 2018 schrijft [naam 2] het volgende aan [bedrijf] :
“Ter voorbereiding van de ruling voor het pand in [plaats 2] voor [b.v. 2] stuur ik jullie alvast de volgende documenten:
- Teaser
- Eigendomsinformatie en kadastrale kaart
- Koopovereenkomst en akte van levering
Als jullie meer info nodig hebben dan hoor ik het graag.”
3.6.
Bij brief van 9 oktober 2018 heeft belanghebbende een verzoek om vooroverleg ter zake van de formalisering van [C.V.] bij de inspecteur ingediend. In het verzoek om vooroverleg is onder meer opgenomen:
“(…)In het voorgaande hebben wij onze zienswijze uiteengezet op de fiscale gevolgen van de voorgenomen formalisering van [C.V.] Samenvattend komt deze zienswijze neer op het volgende:

De formalisering van reeds mondeling overeengekomen contractuele verplichtingen brengen geen fiscale gevolgen met zich mee, omdat de economische eigendom van het pand in onmiddellijke en rechtstreekse samenhang met de juridische levering door de commanditaire vennoten is verkregen. Bij de verkrijging van de economisch eigendom is door de commanditaire vennoten geen overdrachtsbelasting is verschuldigd, zulks onder verwijzing onderdeel 9.1. van het Besluit van de Staatssecretaris ('Belastbaar Feit") van 15 oktober 2015 nr. BLKB 2015/794M.
(…)”
3.7.
Op 16 oktober 2018 is een akte van oprichting van de CV notarieel gepasseerd. In deze akte is onder meer opgenomen:
“(…)
OVERWEGENDE ALS VOLGT:
A.
De vennoten wensen hierbij een commanditaire vennootschap aan te gaan naar Nederlands recht, onder de naam: [C.V.] (de ‘vennootschap’).
B.
Voorgesteld wordt dat [b.v. 1] [BV] de enige besturend vennoot zal zijn en dat [belanghebbende] en [naam 1] de commanditaire vennoten van de vennootschap zullen zijn.
(…)
INBRENG
ARTIKEL 4.
4.1
De vennoten verplichten zich tot inbreng en brengen hierbij het volgende in in de vennootschap:
a.
[b.v. 1] als besturend vennoot: zijn kennis en arbeid;
b.
[belanghebbende] als commanditaire venoot: een bedrag van negentig euro (EUR 90); en
c.
[naam 1] als commanditaire vennoot: een bedrag van tien euro (EUR 10).
(…)
WINST EN VERLIES
ARTIKEL 16.
16.1
De winst komt toe aan de vennoten en wel naar rato van het gemiddeld saldo van hun kapitaalrekening gedurende dat boekjaar.
16.2
Eventuele gedurende een boekjaar geleden verliezen komen ten laste van de vennoten in de verhouding waarin zij ingevolge lid 1 tot de winst gerechtigd zijn, met dien verstande echter dat de commanditaire vennoten in het verlies van de vennootschap niet verder behoeven te delen dan tot het bedrag van hetgeen zij hebben ingebracht of verplicht zijn in te brengen.
(…)”
3.8.
Uit het tot de gedingstukken behorende uittreksel van de Kamer van Koophandel (KvK) volgt dat de KvK heeft geregistreerd dat de startdatum van de CV 16 oktober 2018 is en dat de CV is ingeschreven in het handelsregister op 17 oktober 2018.
3.9.
Op 26 november 2018 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen (voor zover relevant) [b.v. 1] en de latere koper van het pand. Belanghebbende was hier ook bij. In het verslag van 29 november 2018 van deze bespreking staat (voor zover relevant):

Koopprijs[complex] [toevoeging rb.: afkorting voor het complex] in huidige staat bedraagt 11,25 mln. euro k.k.. vast. (…)”
3.10.
In de inbrengakte van 30 november 2018 is onder meer opgenomen:
“(…)
INBRENG PAND 2 EN OPSTALRECHT
ARTIKEL 1
(…)
1.1.
Ter uitvoering van hetgeen tussen de vennoten is overeengekomen levert de besturend vennoot hierbij Pand 2 en het Opstalrecht, voor zover betrekking hebbende op voornoemde ondergrondse parkeergarage, in economische zin aan de CV, zulks onder de ontbindende voorwaarde zoals hierna in artikel 3 omschreven Pro (de ‘Ontbindende Voorwaarde’), gelijk aanvaardt de CV hierbij in economische zin onder de Ontbindende Voorwaarde Pand 2 en het Opstalrecht, voor zover betrekking hebbende op voornoemde ondergrondse parkeergarage (de ‘Inbreng’).
(…)
1.4
De Inbreng komt voor rekening en risico van de CV per eenendertig mei tweeduizend achttien.
(…)
TOESTEMMING HYPOTHEEKHOUDER
ARTIKEL 2
Op 31 mei 2018 is voor voornoemde [notaris] een akte van hypotheek gevestigd waarbij [b.v. 1] (destijds nog genaamd: [b.v. 2] ) een recht van eerste hypotheek heeft verleend op het Kantoorcomplex. (…) Van de toestemming van de Hypotheekhouder aan de onderhavige economische overdracht van de Inbreng blijkt uit een aan deze akte (in kopie) gehecht document.

ONTBINDENDE VOORWAARDE

ARTIKEL 3

3.1.
De Vennoten hebben een rulingverzoek ingediend bij de Belastingdienst waarin zij de Belastingdienst verzoeken om afstemming met betrekking tot de fiscale behandeling van de participatie van de commanditaire vennoten in de CV voor de heffing van Inkomstenbelasting.
3.2.
De Vennoten beogen te realiseren dat de participatie van de commanditaire vennoten voor de heffing van Inkomstenbelasting onderdeel uitmaakt van de heffingsgrondslag van box III.
3.3
De onderhavige inbreng van Pand 2 en het Opstalrecht, voor zover betrekking hebbende op voornoemde ondergrondse parkeergarage, in economische zin aan de CV, vindt plaats onder de ontbindende voorwaarde dat op enig moment onherroepelijk komt vast te staan dat de Belastingdienst - of in hoogste instantie de belastingrechter - van oordeel mocht zijn dat de deelname van de commanditaire vennoten in de CV voor de inkomstenbelasting onderdeel uitmaakt van de heffingsgrondslag van box I. Indien en voor zover de voormelde ontbindende voorwaarde wordt vervuld wordt de inbreng geacht nooit te hebben plaatsgevonden.”
3.11.
Tot de gedingstukken behoort een ongetekende conceptbeheerovereenkomst ter zake van de CV tussen enerzijds [b.v. 1] als beherend vennoot en anderzijds belanghebbende en [naam 1] als commanditaire vennoten. Daarin is onder meer vermeld:
“(…)
OVERWEGENDE DAT[b.v. 1] op 31 mei 2018 het kantorencomplex met ondergrond en verdere aanhorigheden, gelegen aan en nabij de [adres 1] te [plaats 2] , de [adres 2] te [plaats 2] en het [adres 3] te [plaats 2] , kadastraal bekend [gemeente] , [sectie] , nummers [nummer 1] (‘Pand 1') en [nummer 2] (‘Pand 2') en de daar bijbehorende ondergrondse parkeergarage, heeft aangekocht en per 30 november 2018 in economische zin Pand 2 heeft ingebracht in [C.V.] .
(…)
Artikel 4 : Vergoeding en kosten
4.1.
[b.v. 1] ontvangt van [C.V.] voor het vervullen van het
Mandaat een forfait van 5% van alle aan [C.V.] doorbelaste kosten.
(…)”
3.12.
Tot de gedingstukken behoort ook een op 5 december 2018 ondertekende toestemmingsverklaring van de hypotheeknemer (de toestemmingsverklaring). In de toestemmingsverklaring is onder meer opgenomen dat [b.v. 1] voornemens is om Pand 2/Toren Noord in economische zin aan de CV over te dragen.
3.13.
Tot de gedingstukken behoort een op 22 december 2018 ondertekende koopovereenkomst tussen [b.v. 1] en [universiteit] , waarin Pand 1/Toren Zuid aan [universiteit] wordt verkocht. Daarin is onder meer opgenomen:
“17.1 Verkoper verleent aan koper tot 1 augustus 2019 als enige en dus exclusief de eenzijdig door Koper te benutten optie tot koop (hierna: de "Koopoptie") van de eigendom van het kantorencomplex Toren Noord(…)
17.2
De koopprijs voor Toren Noord bedraagt EUR 6.400.000,- zegge: zes miljoen vierhonderdduizend euro exclusief overdrachtsbelasting (hierna: de 'Koopprijs"). Ook aan deze Koopprijs ligt een onafhankelijke taxatie ten grondslag (zie bijlage 1).
(…)”
3.14.
De balans uit de jaarrekening van de CV over de periode 31 mei 2018 tot en met
31 december 2019 (de jaarrekening) vermeldt aan materiële vaste activa een balanspost ‘investeringen’ ten bedrage van € 2.248.148.
3.15.
Belanghebbende heeft op 30 april 2020 de aangifte IB/PVV 2018 ingediend en uitsluitend € 201.789 aan belastbaar inkomen uit sparen en beleggen aangegeven.
3.16.
In de periode 2020 tot en met 2022 heeft een onderzoek plaatsgevonden met betrekking tot de woonplaats van belanghebbende gedurende 2018 en de kwalificatie van de participaties in de CV en de gevolgen dienaangaande voor de inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen van de jaren 2018 en 2019. De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport van 20 oktober 2022 (het controlerapport). In het controlerapport is onder meer opgenomen:

“Conclusie:

Op basis van de door belastingplichtige en diens adviseur gepresenteerde feiten en omstandigheden ten aanzien van de woonplaats van [belanghebbende] gedurende het jaar 2018 kan op goede gronden worden gesteld dat sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Tegelijkertijd kan op even goede gronden worden gesteld dat daarvan geen sprake was. Daarbij komt dat de inmiddels verstreken tijd een verder onderzoek naar de feiten zal bemoeilijken. Alles overziende hebben wij besloten [belanghebbende] voor het jaar 2018 niet als inwoner van Nederland en niet als binnenlands belastingplichtig voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen te beschouwen.
(…)
De adviseur en de Belastingdienst zijn van mening dat voor de bepaling van de hoogte van het salaris kan worden aangesloten bij het (hoogste) uitbetaalde salaris aan de andere directeuren binnen het concern. Dat betreft een jaarsalaris van € 120.000. Omdat [belanghebbende] slechts 30% van zijn werktijd voor [Holding B.V.] actief is, is een salaris van € 36.000 passend. Dit geldt voor de jaren 2018 tot en met 2021. Vanaf heden zal [Holding B.V.] maandelijks loonaangifte moeten doen.
(…)
Er wordt voldaan aan de voorwaarden voor het stellen van een uitdeling. Er is sprake van de aanwezigheid van winstreserves dan wel winstanticipatie, en van een vermogensverschuiving waarbij bevoordeling van de aandeelhouder plaatsvindt. Daarnaast is er sprake van dubbele bewustheid; bij de bepalingen omtrent de winstverdeling binnen de CV in combinatie met de inbreng van het economisch eigendom hebben partijen bewust de toekomstige positieve resultaten van het ingebrachte vastgoed doorgeschoven naar de commandieten. De fiscale eenheid zou met een willekeurige derde dergelijke bepalingen niet zijn aangegaan.
(…)
6 Recapitulatie correcties
6.1
Inkomstenbelasting 2018
Op grond van bovenstaande bevindingen is de aangifte inkomstenbelasting 2018 van [belanghebbende] als volgt gecorrigeerd:
BOX 1 €
Salaris, loon uit tegenwoordige dienstbetrekking 36.000
BOX 2
Reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang 2.561.773”
3.17.
De aanslag is met dagtekening 21 oktober 2022 conform de correcties uit het controlerapport opgelegd.
3.18.
In een brief van 14 augustus 2023 schrijft de gemachtigde van belanghebbende onder meer het volgende aan de inspecteur in reactie op de voorgenomen uitspraak op bezwaar:
“Alhoewel wij niet bestrijden dat € 36.000 aan inkomsten uit werk en woning abusievelijk niet zijn aangegeven volgen wij uw zienswijze ten aanzien van de omkering en verzwaring van de bewijslast niet.”

Motivering

Is sprake van een voordeel uit aanmerkelijk belang?
4. De rechtbank zal eerst de vraag beantwoorden of in 2018 sprake is van een winstuitdeling vanuit [b.v. 1] aan belanghebbende en of dat in dat jaar een belastbaar voordeel uit aanmerkelijk belang voor belanghebbende oplevert.
4.1.
De inspecteur stelt dat in 2018 sprake is van een winstuitdeling vanuit [b.v. 1] aan belanghebbende. [b.v. 1] heeft Pand 2/Toren Noord op 31 mei 2018 verworven voor € 2.248.148 en op 30 november 2018 de economische eigendom daarvan in de CV ingebracht tegen de aankoopwaarde. De waarde in het economische verkeer van Pand 2/Toren Noord bedroeg op dat moment € 5.708.784 en de door [b.v. 1] gedragen kosten waren € 898.863. Daarom bedraagt het voordeel uit aanmerkelijk belang volgens de inspecteur € 2.561.773. Volgens de inspecteur is het niet aannemelijk dat de CV reeds op 31 mei 2018 bestond en dat om die reden Pand 2/Toren Noord niet in onmiddellijke en rechtstreekse samenhang met de levering aan [b.v. 1] in economische zin kan zijn overgedragen aan de CV. Hierdoor is onder de gegeven omstandigheden sprake van een vermogensverschuiving van [b.v. 1] naar belanghebbende, waarbij belanghebbende is bevoordeeld en [b.v. 1] is verarmd. Daarbij voert de inspecteur aan dat zowel belanghebbende als [b.v. 1] zich bewust was of redelijkerwijs bewust had moeten zijn van die bevoordeling. De bevoordeling kan voorts worden gefinancierd uit de winstreserves van [b.v. 1] , aldus de inspecteur.
4.2.
Belanghebbende bestrijdt dat sprake is van een winstuitdeling. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur niet bewezen dat sprake is van een onttrekking, omdat het moment van inbreng in de CV op 31 mei 2018 was en op dat moment nog geen sprake was van een meerwaarde. Evenmin heeft de inspecteur bewezen dat sprake is van bewustheid bij zowel belanghebbende als [b.v. 1] .
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat voor een uitdeling van winst is vereist dat enig geldbedrag of andere waarde het vermogen van de vennootschap definitief heeft verlaten en tot het vermogen van de aandeelhouder is gaan behoren op grond van de tussen de vennootschap en de aandeelhouder bestaande vennootschappelijke betrekkingen (het objectieve vereiste). Indien en voor zover een dergelijke onttrekking kon plaatsvinden uit winst of winstreserves dan wel in het vooruitzicht van te maken winst, kan zij onder omstandigheden een winstuitdeling door de vennootschap aan de aandeelhouder zijn. Die vereiste omstandigheden zijn: (a) dat de vermogensverschuiving naar de aandeelhouder is geschied met de bedoeling de aandeelhouder als zodanig te bevoordelen (objectieve vereiste), en (b) dat zowel de vennootschap als de aandeelhouder zich bewust was of had moeten zijn van niet alleen die vermogensverschuiving maar ook van die bevoordelingsbedoeling (het subjectieve vereiste). Dit laatste vereiste strekt zich niet uit tot de exacte omvang van het bedrag van die vermogensverschuiving. De bewijslast hiervoor ligt bij de inspecteur. [1]
Het objectieve vereiste
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft zich op 30 november 2018 een vermogensverschuiving van [b.v. 1] naar belanghebbende voorgedaan, waarbij belanghebbende is bevoordeeld en [b.v. 1] is verarmd. De rechtbank overweegt daartoe dat – in tegenstelling tot wat belanghebbende stelt – uit de gedingstukken niet kan worden afgeleid dat de CV eerder is opgericht dan de oprichtingsdatum van 16 oktober 2018. De stukken waar belanghebbende in dat verband op wijst zijn namelijk van na de gestelde mondelinge overeenkomst op 31 mei 2018 en ook de inhoud van die stukken wijst niet op de door belanghebbende gestelde eerdere oprichtings- en overdrachtsdatum. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de economische eigendom per 30 november 2018 pas is overgegaan van [b.v. 1] naar de CV. Op dat moment was de waarde van die economische eigendom hoger dan waarvoor die is overgedragen. Uit de jaarrekening in combinatie met de leveringsakte volgt dat op 30 november 2018 (de economische eigendom van) Pand 2/Toren Noord voor € 2.248.148 is ingebracht in de CV. Dit terwijl uit het verslag van de bespreking van 29 november 2018 (zie 3.9) volgt dat Pand 2/Toren Noord op dat moment een hogere waarde vertegenwoordigde, gelet op het stadium van de onderhandelingen met de latere koper. Op 30 november 2018 is dus sprake van een vermogensverschuiving.
4.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is eveneens aannemelijk dat de vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden op grond van de tussen de vennootschap en de aandeelhouder bestaande vennootschappelijke betrekkingen. Belanghebbende is (via de STAK en Holding) volledig aandeelhouder van [b.v. 1] en behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – die in dit geval ontbreken – kan worden aangenomen dat die band de grond heeft gevormd voor het voordeel dat [b.v. 1] aan belanghebbende heeft doen toekomen.
Het subjectieve vereiste
4.6.
De rechtbank acht ook aannemelijk dat belanghebbende zich van de voornoemde vermogensverschuiving bewust is geweest. Belanghebbende heeft ter zitting nader toegelicht dat hij de beslissingen heeft genomen ter zake van de verkoop van het complex. Zo heeft belanghebbende verklaard dat hij zelf heeft besloten om het complex uiteindelijk aan [universiteit] te verkopen. Gelet op de feitelijke vorm en invulling van de vennootschappelijke structuur en de verklaring van belanghebbende over zijn rol daarin is aannemelijk dat belanghebbende betrokken was bij de vennootschappen in de structuur en ook de wetenschap had van hetgeen ter zake van het complex plaatsvond. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het aannemelijk dat zowel [b.v. 1] als belanghebbende zich bewust was of had moeten zijn van de vermogensverschuiving en de bevoordelingsbedoeling. Dat [naam 2] formeel zelfstandig bevoegd was om te handelen namens [b.v. 1] , doet daar niets aan af gelet op de feitelijke rol van belanghebbende.
Tussenconclusie
4.7.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een winstuitdeling vanuit [b.v. 1] aan belanghebbende ten bedrage van
€ 2.561.773. De inspecteur heeft dan ook terecht het inkomen uit aanmerkelijk belang gecorrigeerd naar € 2.561.773.
4.8.
Nu de rechtbank van oordeel is dat de inspecteur de correctie in box 2 met toepassing van de normale bewijsregels aannemelijk heeft gemaakt, komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de stelling van de inspecteur dat artikel 25, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing is, doordat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan.
Belastingrente
4.9.
Het beroep worden geacht mede betrekking te hebben op de beschikking belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Dat de belastingrente in strijd met de daartoe strekkende wettelijke bepalingen of enige andere regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
Vergoeding van immateriële schade
4.10.
Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Op grond van vaste jurisprudentie [2] geldt als uitgangspunt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak in de bezwaar- en de beroepsfase niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden, als de rechtbank niet binnen twee jaar uitspraak doet nadat de termijn is begonnen. De termijn begint in beginsel op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechtbank uitspraak doet. Er bestaat als uitgangspunt recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden.
4.11.
De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 1 december 2022 ontvangen en op
7 mei 2024 uitspraak op bezwaar gedaan. De uitspraak van de rechtbank wordt gedaan op 19 maart 2026, en dus afgerond, 40 maanden na de indiening van het bezwaarschrift. Daarmee heeft de behandeling tot aan de uitspraak van de rechtbank afgerond 16 maanden langer geduurd dan de 24 maanden die, in beginsel, als een redelijke termijn kunnen worden beschouwd voor behandeling in bezwaar en beroep.
4.12.
Dit leidt tot toekenning van een vergoeding van immateriële schade van € 1.500. Hierbij geldt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag heeft genomen. [3] Derhalve dient van de vergoeding van immateriële schade € 1.125 (12/16e deel) te worden vergoed door de inspecteur en € 375 (4/16e deel) door de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Wel bestaat aanleiding voor het toekennen van een vergoeding van immateriële schade.
5.1.
Gelet op toegekende vergoeding van de immateriële schade heeft belanghebbende recht op een vergoeding van kosten voor het daartoe gedane verzoek. De vergoeding wordt als volgt berekend op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het verzoek om schadevergoeding is een proceshandeling waaraan een punt wordt toegekend. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. Op een dergelijk verzoek is de wegingsfactor 0,25 van toepassing. [4] De vergoeding bedraagt dan in totaal € 233,50. De inspecteur en de Staat dienen daarvan elk de helft te vergoeden, te weten € 116,75. Belanghebbende krijgt geen griffierecht terug gelet op het bepaalde in de uitspraak van de Hoge Raad van 31 mei 2024. [5]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de Minister tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 375;
  • veroordeelt de Minister inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.125;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, voorzitter, mr. S.A.J. Bastiaansen en mr. T.S.K.L. Tjon, leden, in aanwezigheid van mr. D. Damen, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [6]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26.
2.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.1.
3.Hoge Raad 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6666, r.o. 3.4.4.
4.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
5.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.
6.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.