ECLI:NL:RBZWB:2026:2155

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
25/6059 ZORG
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van te laat ingediend bezwaar tegen zorgtoeslagbesluit 2018

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve berekening van het recht op zorgtoeslag over 2018 en de daaruit voortvloeiende terugvordering. De Dienst Toeslagen had hierover besluiten genomen op 23 januari 2023 en 11 februari 2023. Het bezwaar van eiser dateert van 20 augustus 2025, ruim na de wettelijke termijn van zes weken.

Eiser voerde aan dat hij pas later op de hoogte was van de terugvordering en dat voor hem andere termijnen zouden gelden dan voor de Dienst Toeslagen. De rechtbank oordeelt dat dit geen geldige redenen zijn om het bezwaar alsnog te accepteren. De wettelijke termijnen zijn bindend en kunnen niet door de rechtbank worden aangepast.

De rechtbank gaat niet in op de inhoud van het bezwaar en kan daarom geen oordeel geven over het openstaande bedrag van €264,-. Dit bedrag blijft staan zoals door de Dienst Toeslagen berekend. Het beroep wordt ongegrond verklaard, eiser krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6059 ZORG
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser, vergezeld van zijn [echtgenote] , en namens de Dienst Toeslagen [vertegenwoordiger 1] en mr. [vertegenwoordiger 2] .
1.2.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.1.
De Dienst Toeslagen heeft eisers bezwaar van 20 augustus 2025 aangemerkt als gericht tegen de definitieve berekening van het recht op zorgtoeslag over het jaar 2018 en de daaruit voortvloeiende terugvordering. De rechtbank stelt vast dat de Dienst Toeslagen daarover op 23 januari 2023 en 11 februari 2023 besluiten heeft genomen. Omdat het bezwaarschrift van eiser dateert van 20 augustus 2025, is dit veel later ingediend dan de wettelijke bezwaartermijn van zes weken.
2.2.
Eiser heeft aangevoerd dat hem pas veel later duidelijk is geworden dat de besluiten van 23 januari 2023 en 11 februari 2023 betekenden dat er door hem nog een bedrag aan de Dienst Toeslagen betaald moest worden. Naar het oordeel van de rechtbank is dit geen geldige reden om te laat bezwaar te maken. Ook is geen geldige reden voor een te laat bezwaar dat voor eiser andere termijnen gelden dan voor de Dienst Toeslagen. Dit is zo vastgelegd in de wet en de rechtbank kan hieraan niets veranderen.
2.3.
De rechtbank komt niet toe aan de inhoud van het bezwaar van eiser. Dit betekent dat de rechtbank geen oordeel kan geven over het nog openstaande bedrag van € 264,-. De rechtbank kan dus ook niet bepalen of dit bedrag al dan niet door eiser aan de Dienst Toeslagen terugbetaald moet worden. Dit bedrag blijft dan ook zoals de Dienst Toeslagen het heeft berekend.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
3.1.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026 door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.