ECLI:NL:RBZWB:2026:2168

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444656 / JE RK 26-201
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Duinhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van minderjarigen wegens onveilige thuissituatie en huiselijk geweld

De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen die opgroeien in een onveilige thuissituatie gekenmerkt door verbale en fysieke confrontaties tussen de ouders en tussen vader en een van de kinderen. De kinderen ervaren hierdoor gevoelens van onveiligheid, wantrouwen en stress, wat hun ontwikkeling ernstig bedreigt.

Tijdens de zitting, waarbij de ouders, vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling aanwezig waren, heeft de kinderrechter ook de mening van een van de minderjarigen betrokken. Hoewel de kinderen aangeven zich veiliger te voelen, is de kinderrechter van oordeel dat de situatie nog onvoldoende is verbeterd en dat vrijwillige hulpverlening niet effectief is gebleken.

De kinderrechter wijst het verzoek van de Raad toe en stelt de minderjarigen voor de duur van een jaar onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming West Zeeland. De maatregel wordt direct uitvoerbaar verklaard. De ondertoezichtstelling moet zorgen voor een gedwongen kader waarin noodzakelijke hulpverlening wordt geaccepteerd en de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen worden gewaarborgd.

De kinderrechter legt nadruk op het belang van een veilige opvoedingsomgeving zonder geweld, het verbeteren van de samenwerking tussen ouders, en het bieden van passende hulpverlening aan zowel de vader als de kinderen. De beschikking wordt geregistreerd in het gezagsregister en er is mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarigen onder toezicht van een gecertificeerde instelling wegens een onveilige thuissituatie en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444656 / JE RK 26-201
Datum uitspraak: 25 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder], hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader], hierna te noemen: de vader,
samen te noemen de ouders,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 januari 2026;
  • het e-mailbericht van [minderjarige 1] d.d. 6 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. Dit heeft zij gedaan door een emailbericht te sturen naar de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de ouders.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad stelt ter onderbouwing van het verzoek als grootste zorg te hebben dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] veelvuldig getuige en slachtoffer zijn (geweest) van verbale en fysieke confrontaties tussen vader en moeder en tussen vader en [minderjarige 1] . De kinderen groeien al lange tijd op in een voor hen onveilige thuissituatie waarin angst en onvoorspelbaarheid een grote rol spelen. Er wordt een patroon gezien, waarin het op momenten goed gaat tussen ouders, maar waarin ook geregeld de spanningen oplopen en de ingezette hulpverlening om de situatie structureel te verbeteren niet dan wel onvoldoende van de grond komt, omdat de vader niet langer zijn medewerking hieraan wil verlenen. Het lukt de ouders niet om deze situatie samen te doorbreken. De thuissituatie kenmerkt zich door spanningen en stress. Het is zeer aannemelijk dat de kinderen gevoelens van onveiligheid, wantrouwen en stress ervaren, wat van invloed kan zijn op hun ontwikkeling. Deze situatie moet doorbroken worden, omdat dit een bedreiging vormt voor hun (verdere) ontwikkeling. De Raad ziet geen andere mogelijkheid dan een ondertoezichtstelling te verzoeken. Er moet een jeugdprofessional met ouders gaan meekijken, die vanuit een gedwongen kader de regie voert, ervoor gaat zorgen dat de noodzakelijke hulpverlening door ouders wordt aanvaard en daarbij de mogelijkheid heeft om hier consequenties aan te verbinden wanneer ouders dit niet doen of opnieuw dreigen af te haken. Een ondertoezichtstelling is volgens de Raad dan ook de meest passende maatregel. De Raad vindt het belangrijk dat er binnen het kader van de ondertoezichtstelling zicht komt op het functioneren van de vader en welke hulpverlening het meest passend daarbij is.
4.2.
De vader begrijpt dat zijn gedrag en houding die hij eerder heeft laten zien niet goed is geweest voor de kinderen, al is het niet zo dat alles volledig aan hem te wijten is. De vader zit inmiddels beter in zijn vel. Hij kan het verleden niet meer veranderen en wil zich graag richten op de toekomst. Op dit moment gaat het thuis best goed. Hij erkent wel dat er nog dingen verbeterd moeten worden, zoals dat ouders qua opvoeding meer op één lijn moeten zien te komen en dat zij meer vertrouwen in elkaar krijgen. De vader heeft moeite met het verzoek van de Raad, maar begrijpt het wel.
4.3.
De moeder vindt dat het de laatste tijd beter gaat tussen de ouders, al is het nog niet zoals het hoort. De moeder doet haar best om de situatie goed te houden. De ouders moeten leren om met elkaar te praten en om niet gelijk boos te worden als de mening van de andere ouder niet wordt gedeeld. De moeder heeft soms het gevoel op haar tenen te lopen. Soms gaat het een periode goed, maar daarna gaat het weer mis. Aan de ene kant vindt de moeder een ondertoezichtstelling een goed idee, aan de andere kant vindt zij het niet fijn en heeft zij hier moeite mee.
4.4.
De GI is bereid de uitvoering van de ondertoezichtstelling op zich te nemen. Deze maatregel zal in eerste instantie opgepakt worden door het instroomteam. Dat team zal onderzoeken welke vorm van hulpverlening op een zo’n kort mogelijke termijn in de thuissituatie kan worden ingezet. Daarbij zal beoordeeld worden of [hulpverlening] , die thans betrokken is bij de ouders, voldoende aansluit bij de hulpvraag en of deze dan ook kan worden voortgezet dan wel dat een andere vorm van hulpverlening hierbij meer passend is.
4.5.
[minderjarige 1] heeft de kinderrechter een e-mailbericht gestuurd, waarin zij haar mening deelt over de verzochte ondertoezichtstelling. [minderjarige 1] vindt dat haar ouders geen hulpverlening meer nodig hebben. Volgens [minderjarige 1] ging het in een ver verleden niet goed, maar inmiddels wel. [minderjarige 1] voelt zich veilig thuis. [minderjarige 1] kan zich nu beter verplaatsen in haar ouders, waardoor zij en haar ouders zich beter gedragen. [minderjarige 1] vindt haar leven goed zoals het nu is.

5.De beoordeling

5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voornoemde voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter zal het verzoek van de Raad toewijzen voor de duur van een jaar en legt hieronder uit waarom hij deze beslissing neemt.
5.5.
De kinderrechter heeft met de Raad ernstige zorgen over de situatie, waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] opgroeien. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn te vaak getuige en slachtoffer geweest van verbale en fysieke confrontaties tussen de ouders en tussen de vader en [minderjarige 1] . Zij groeien daardoor al lange tijd op in een opvoedsituatie, die met spanningen en stress ruzie, huiselijk geweld en onvoorspelbaar contact met de vader. De ouders hebben veel moeite om zaken met elkaar te bespreken en kennen verschillende visies wat betreft de opvoeding van hun kinderen. De ouders diskwalificeren elkaar als opvoeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] krijgen dit allemaal mee. Beide kinderen hebben lange tijd gevoelens van onveiligheid, wantrouwen en stress ervaren. De kinderrechter deelt de visie van de Raad dat dit hun ontwikkeling ernstig kan schaden. In de afgelopen jaren is veelvuldig getracht om hulpverlening in te zetten ter verbetering van deze situatie, echter is ook gebleken dat de vader snel afhaakt zodra hij geen klik heeft met een hulpverlener en dat de noodzakelijke hulpverlening dan niet of onvoldoende van de grond komt. Tot op heden is het ouders dan ook niet gelukt om dit patroon te doorbreken. Hoewel zij bereid zijn om te werken aan de situatie, lukt het hen niet om te profiteren van (vrijwillige) hulpverlening en om onder eigen verantwoordelijkheid de situatie voor de kinderen te verbeteren en een stevige en veilige basis voor hen neer te zetten. Dit maakt dat de kinderrechter het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acht dat er vanuit een gedwongen kader een jeugdbeschermer betrokken raakt, die de regie in handen neemt en ervoor gaat zorgen dat de noodzakelijke hulpverlening door de ouders wordt aanvaard. Daarnaast zal de jeugdbeschermer met ouders gaan werken aan de doelen die door de Raad zijn opgesteld en die de kinderrechter overneemt als opdracht aan de GI om binnen het kader van de ondertoezichtstelling deze doelen voor ogen te houden:
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op in een fysiek en emotioneel veilige opvoedingsomgeving, waarbij zij worden gestimuleerd in hun ontwikkeling en er duidelijkheid, voorspelbaarheid, stabiliteit, rust en regelmaat wordt geboden maar ook steun, troost en affectie aanwezig is;
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden op geen enkele manier blootgesteld aan verbaal en/of fysiek geweld tussen en door ouders of anderszins spanningen tussen ouders;
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden op geen enkele manier blootgesteld aan verbaal en/of fysiek geweld vanuit vader richting hen;
  • Er is zicht op het algehele functioneren van vader, inclusief zijn cognitieve niveau van functioneren;
  • Duidelijk is welke vorm van hulpverlening wel aansluit bij en werkt voor vader, gericht op het verbeteren van zijn emotieregulatie en de invloed hiervan op het gezamenlijk opvoeden en de sfeer in het gezin;
  • Er is zicht op het functioneren van [minderjarige 2] ;
  • Duidelijk is of aan welke vorm van ondersteuning [minderjarige 1] behoefte heeft, bijvoorbeeld aan een vertrouwenspersoon of een behandelaar;
  • Opvoedondersteuning in de thuissituatie
  • Systeemtherapie voor ouders.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.7.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [1]

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 25 februari 2026 tot 25 februari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 10 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.