Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2169

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
C/02/437760 / JE RK 25-1300
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Verschoor-Bergsma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen bij grootvader

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen bij hun grootvader, die tevens netwerkpleeggezin is. De moeder heeft het ouderlijk gezag en toont positieve ontwikkelingen in haar opvoedvaardigheden, maar er is nog geen volledig zicht op haar dagelijks functioneren. De GI adviseert een geleidelijke terugkeer van de kinderen naar de moeder, te beginnen met wekelijkse overnachtingen.

De kinderrechter heeft de zaak met gesloten deuren behandeld en de mening van de minderjarigen via e-mail ontvangen, waarin zij aangeven bij hun moeder te willen wonen. De moeder en grootvader onderschrijven het plan voor een geleidelijke opbouw van contact. De kinderrechter acht het verlengen van de machtiging noodzakelijk voor de duur van het verzoek, tot 30 augustus 2026, en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

De kinderrechter benadrukt het belang van een zorgvuldige en geleidelijke terugkeer naar de moeder, gezien de eerdere problematiek en het recente positieve advies van de hulpverlening. Een tussentijds toetsmoment ter zitting acht de rechter niet nodig. De beslissing kan worden aangevochten bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen bij de grootvader wordt verlengd tot 30 augustus 2026 met een geleidelijke opbouw van contact met de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/437760 / JE RK 25-1300
Datum uitspraak: 4 maart 2026
nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder], hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. M. Kalle te Middelburg,
[grootvader moederszijde], hierna te noemen grootvader moederszijde,
wonende te [woonplaats 2] .

1.Het (verdere) verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter d.d. 21 oktober 2025 en de daarin opgenomen stukken;
  • de op 18 februari 2026 ingekomen brief van de GI d.d. 9 februari 2026 met bijlagen.
1.2.
Het verzoek van de GI is met gesloten deuren nader mondeling behandeld op 4 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de grootvader moederszijde;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben op 27 februari 2026 de kinderrechter hierover een e-mailbericht gestuurd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter de aanwezigen in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
Bij beschikking van 30 augustus 2024, hersteld bij beschikking van 2 oktober 2024, zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de GI gesteld voor de duur van een jaar, te weten met ingang van 30 augustus 2024 en tot 30 augustus 2025. Hiernaast is er een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verleend in een netwerkpleeggezin, te weten grootvader moederszijde, voor de duur van zes maanden, te weten met ingang van 30 augustus 2024 en tot 28 februari 2025.
2.3.
Bij beschikking van 12 februari 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een netwerkpleeggezin, te weten grootvader moederszijde, verlengd tot 30 augustus 2025.
2.4.
Bij beschikking van 25 augustus 2025 zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 30 augustus 2025 en tot 30 oktober 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.5.
Bij beschikking van 21 oktober 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] laatstelijk verlengd tot 30 augustus 2026. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg (grootvader moederszijde) is bij deze beschikking verlengd tot 30 maart 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De kinderrechter heeft bij voornoemde beschikkingen van 25 augustus 2025 en 21 oktober 2025 reeds deels beslist op dit verzoek. Op dit moment ligt nog ter beoordeling voor de resterende periode van het verzoek ten aanzien van de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , te weten van 30 maart 2026 en tot 30 augustus 2026.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het resterende deel van haar verzoek ten aanzien van de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de grootvader. De observaties bij de moeder thuis en de gezinsopname geven [hulpverlening] geen reden waarom de kinderen niet bij moeder kunnen wonen. Er zijn wel wat aandachtspunten waar nog aan gewerkt moet worden. De GI vindt het positief dat de moeder leerbaar is gebleken in haar opvoedvaardigheden en kan zich dus vinden in dit advies, maar omdat er al lange tijd geen zicht is op de opvoedsituatie van de moeder en haar dagelijks functioneren hierin vindt de GI het belangrijk dat de thuisplaatsing geleidelijk aan wordt gerealiseerd. De GI wil dan ook de komende periode gebruiken om de omgangsmomenten geleidelijk aan op te bouwen. Door dit goed te monitoren kan worden bezien wat uiteindelijk haalbaar zal zijn voor de moeder en de kinderen. In eerste instanatie is het streven om de kinderen zoveel mogelijk op doordeweekse dagen bij de moeder te laten verblijven, te beginnen met een wekelijkse overnachting met ingang van woensdag 11 maart as. en met een evaluatie om de drie weken. De GI zal niet de duur van de machtiging afwachten als blijkt dat een eerdere thuisplaatsing mogelijk is.
4.2.
De moeder heeft de observaties vanuit [hulpverlening] als zeer prettig ervaren en is zeer blij met hun conclusie, in die zin dat bij de moeder mogelijkheden worden gezien om zelf weer voor de kinderen te zorgen. Het liefst wil de moeder dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] per direct naar huis komen, maar zij begrijpt dat dit voor hen een grote stap is en dat het contact geleidelijk aan opgebouwd moet worden. De moeder heeft als voorkeur dat de kinderen op doordeweekse dagen bij haar verblijven en in het weekend bij de grootvader, met behoud van het buddygezin voor [minderjarige 2] . De moeder benoemt dat haar laatste positieve urinecontrole dateert van oktober 2025. De moeder heeft sindsdien niets meer gebruikt. De hulpverlening vanuit Novadic Kentron zal in de komende zomer worden afgesloten. Ter monitoring vindt de moeder het belangrijk dat de urinecontroles voorlopig nog door blijven lopen. De moeder zou graag zien dat de kinderrechter de ontwikkelingen opvolgt door de machtiging met drie maanden te verlengen zodat er een tussentijds toetsingsmoment ter zitting komt om alsdan de noodzaak voor de overige twee maanden te beoordelen.
4.3.
De grootvader benoemt dat de kinderen graag weer bij hun moeder willen wonen. Daarbij willen zij het contact met de grootvader behouden. Alles valt of staat met hoe het met de moeder gaat. De grootvader vindt het belangrijk dat de omgang rustig aan wordt opgebouwd. Het monitoren van de thuissituatie van de moeder zal altijd noodzakelijk blijven.
4.4.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in hun e-mailbericht aangegeven dat zij geen gesprek willen met de kinderrechter. Beiden geven aan bij mama te willen wonen.

5.De nadere beoordeling

5.1
Bij beschikking van 21 oktober 2025 heeft de kinderrechter de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor een korte duur verlengd, omdat de moeder een positieve ontwikkeling heeft laten zien. Het baarde de kinderrechter zorgen dat deze ontwikkeling nog maar pril was, omdat de moeder in augustus jl. nog positief was getest op middelengebruik en dat de moeder dit gebruik ontkende. Voor een thuisplaatsing van de kinderen moet duidelijk zijn dat de behandeling van de moeder aanslaat en dat zij in staat is om een voorspelbare en beschikbare ouder voor haar kinderen te zijn. De moeder moest gaan laten zien dat zij aan alle voorwaarden van voldoende ouderschap voldoet en de kinderrechter zag dat hiervoor de eerste concrete stappen werden gezet. Begin november 2025 zou [hulpverlening] het gezin gaan observeren om de mogelijkheden van de moeder hiertoe te beoordelen. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling verlengd tot 30 augustus 2026 en in afwachting van de ontwikkelingen de uithuisplaatsing van de kinderen bij de grootvader verlengd voor de duur van vijf maanden, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
5.2
Uit de recente informatie die de GI aan de kinderrechter heeft verstrekt en hetgeen in aanvulling hierop tijdens de mondelinge behandeling door de moeder naar voren is gebracht concludeert de kinderrechter dat de moeder haar positieve ontwikkeling heeft voortgezet. [hulpverlening] heeft naar aanleiding van de observaties in de thuissituatie als de gezinsopname een positief advies gegeven over de opvoedvaardigheden van de moeder. De GI heeft aan de hand van dit advies besloten om een traject tot thuisplaatsing in te gaan zetten, maar acht het wel noodzakelijk dat dit proces zeer zorgvuldig zal gaan plaatsvinden en dat dit dus tijd vergt. Dit is niet alleen in het belang van de moeder, maar ook van de kinderen. Hoewel de wens van de moeder om haar kinderen per direct bij zich te hebben begrijpelijk is, volgt de kinderrechter de visie van de GI hierin. De moeder heeft namelijk lange tijd niet zelfstandig voor haar kinderen kunnen zorgen. Het is daarom van belang dat het contact tussen de moeder en de kinderen geleidelijk aan wordt opgebouwd en dat met inzet van hulpverlening in de thuissituatie gewerkt wordt aan de door [hulpverlening] gesignaleerde aandachtspunten. Het is aan de GI om dit goed te monitoren. De kinderrechter vindt een tussentijds toetsmoment ter zitting niet nodig, zoals is verzocht door de moeder. Dit zou namelijk betekenen dat de GI al na zes weken een standpunt moet innemen over het dan nog resterende deel van het verzoek, hetgeen naar verwachting voor de GI niet haalbaar zal zijn. Er inmiddels een plan is opgesteld om de rol van de moeder steeds verder uit te breiden. Het is de bedoeling dat het traject op woensdag 11 maart as. zal starten en dat bij een positief verloop het verblijf van de kinderen bij de moeder steeds met een extra nachtje zal worden uitgebreid. De kinderrechter heeft er vertrouwen in dat dit plan gevolgd wordt. De kinderrechter hoopt dat de moeder deze kans zal aangrijpen en dat zij haar best blijft doen zoals zij in het afgelopen jaar heeft gedaan.
5.3.
Zoals uit het voorgaande is naar het oordeel van de kinderrechter het verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de grootvader langer noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding. [1] De hiertoe strekkende machtiging zal daarom worden verlengd voor de resterende duur van het verzoek, te weten tot 30 augustus 2026. Indien blijkt dat het traject toch anders loopt dan gepland, dan is de kinderrechter bereid om op verzoek van de GI of de moeder alsnog een zitting te bepalen om alsdan de nadere ontwikkelingen ter zitting te kunnen bespreken.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg (te weten de grootvader moederszijde), met ingang van 30 maart 2026 en tot 30 augustus 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 18 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.